(Al dan niet mondige) burgers worden deskundig vertegenwoordigd door het middenveld. Waarom in crisistijden een bijkomend orgaan creëren dat minder onderbouwd te werk kan gaan? En dus waarom niet kiezen om bestaande studieresultaten over cultuurparticipatie – waarvoor evenzeer ‘de burger’ werd geconsulteerd – in beleidsdaden om te zetten?
Cultuurminister Sven Gatz lanceert een ‘burgerkabinet’, waarin een panel van 150 burgers actief betrokken wordt bij het cultuurbeleid. Dat klinkt als goed nieuws. Door met directe vormen van inspraak te experimenten, geeft minister Gatz het signaal dat hij de democratie genegen is. De keuze voor cultuurparticipatie als eerste proefveld moet tegelijk duidelijk maken dat hij het maatschappelijk belang van cultuur onderschrijft. Cultuur is overal, voor iedereen. Of zou dat zeker moeten zijn.
De vraag is natuurlijk of het inzetten van een ‘burgerkabinet’ de meest geschikte methode is om na te denken over (cultuur)beleid, zelfs indien de uitkomst van dit proces hiervoor slechts een ‘bijkomende’ insteek zou opleveren.
Meningen te over
Niet alleen cultuur, maar bijvoorbeeld ook water is er in principe voor iedereen (die zijn rekening betaalt). En iedereen zal ongetwijfeld een mening hebben over de watervoorziening: over de prijs die voor water mag aangerekend worden, over de kwaliteit er van en over hoeveel keer per decennium het trottoir ten behoeve van de waterleiding mag worden opengebroken. Volgens de logica van minister Gatz moet wie belastingen betaalt voor een collectief goed zich persoonlijk hieromtrent kunnen uitspreken (om het beleid te ‘verbreden’). Maar daarmee wordt de technische complexiteit over het hoofd gezien; hierop hebben vooral deskundigen en dossierspecialisten zicht. En de wegenwerkers. Zij zijn immers dagelijks bezig met wat al dan niet mogelijk is. Voor kunst en cultuur geldt net hetzelfde. Nadenken over beleid gaat verder dan individuele wensen en meningen verzamelen. Mag er nog visie zijn?
De voorzieningen waarvoor de burger belastingen betaalt, zijn legio. Dra krijgt de burger via het ‘burgerkabinet’-systeem de kans om persoonlijk zijn zegje te doen over cultuurparticipatie. Morgen ook over aankopen voor het leger, de omgang met islamisering of wetenschapsbeleid? Of over het loon voor volksvertegenwoordigers en ministers? Of over de subsidie voor politieke partijen? Dat laatste mag zeker aan de orde zijn indien politici hun eigen verantwoordelijkheid weer naar de burgers terugschuiven. Want gaat het wel enkel om het inzamelen van een veelheid aan meningen? De minister zelf spreekt van een ‘burgerkabinet’; niet van een ‘burger-enquête’. En het begrip ‘kabinet’ verwijst immers niet zozeer naar advies, dan wel naar beslissing…
De democratische toets
Gelukkig beschikken we in ons land over een democratisch systeem waarbij de inwoners om de zoveel jaar hun vertegenwoordigers aanduiden. Ze kiezen die uit een reeks kandidaten – iedereen kan opkomen – die zichzelf en de waarden waar ze voor staan publiek bekend maken. Ze nemen, na hun verkiezing, een engagement op om zich in beleidsmateries te verdiepen, dossiers op te volgen en hieromtrent constructieve voorstellen te doen.
Ook voor Gatz’ ‘burgerkabinet’ kan, naar eigen zeggen, iedereen kandideren. Maar de keuze uit de kandidaten gebeurt dit keer niet op basis van een eerder publiek gemaakt ‘moreel kompas’. Hier beslist een extern onderzoeksbureau over wie uiteindelijk bevraagd zal worden. Geheel volgens de regels der statistische kunst. Representativiteit betekent hier: de juiste verhouding per leeftijdsgroep, woonplaats, opleidingsniveau, geslacht, …. Inzicht, deskundigheid of engagement zijn hierbij onhandelbare parameters.
Gedegen onderzoek : te ouderwets?
Dus komt onvermijdelijk de vraag bovendrijven waar een ‘burgerkabinet’ een meerwaarde zou kunnen opleveren naast de tientallen actuele wetenschappelijke studies over cultuurparticipatie. Waarbij evenzeer de statistische representativiteit werd nagestreefd. Waarom worden deze studies niet publiekelijk door het beleid ter harte genomen? Hun conclusies zijn er ook gekomen door o.a. niet- participanten te bevragen en in een aantal gevallen ook persoonlijk tijdens diepte-interviews of rondetafelgesprekken. Waarbij een belangrijke vaststelling trouwens was dat elke burger vooral de optimale condities en kansen moet krijgen om te proeven van en te participeren aan cultuur – de rol van onderwijs!! – maar zich zeker niet verplicht moet voelen om aan te sluiten bij een culturele vereniging, aan amateurkunsten te doen, een theatervoorstelling bij te wonen of een museum te bezoeken. Mensen mogen natuurlijk ook andere keuzes maken om hun levenstijd door te brengen en er zin aan te geven. Als ze maar ooit genereus met cultuur in aanraking zijn mogen komen.
Maar gaat iedereen die wil zetelen in een ‘burgerkabinet’ over cultuurparticipatie ooit de vrijgevigheid van cultuur hebben geproefd?
En dan dus de beslissingsmacht van een ‘burgerkabinet’. Minister Gatz verbindt zich ertoe aan de slag te gaan met de input van het burgerkabinet, dat jaarlijks van samenstelling wisselt ‘om frisse ideeën te garanderen’. Maar wat gebeurt er als de ideeën het ene jaar ‘frisser’ zijn dan het vorige? Krijgen we een beleid dat alle kanten uitgaat, maar een duidelijke rode draad mist? En dan een praktisch- financiële bedenking: zijn er na een besparing van -2,5% tot -20% in de cultuursector nog middelen beschikbaar om de frisse ideeën van de burger te realiseren?
We zijn het eens met minister Gatz dat er inderdaad succesverhalen terug zijn te vinden van burgerinspraak op lokaal niveau. Maar daar gaat het uitdrukkelijk om concrete cases: hoe lokaler, hoe tastbaarder en hoe groter de betrokkenheid. Voor andere en grotere schaalniveaus is er echter het middenveld dat met veel toewijding en expertise input bij zijn (lokale) achterban verzamelt, die gegevens door een trechter haalt en in beleidsaanbevelingen giet. En vervolgens de minister van deze inzichten op de hoogte brengt. Laten wij daarop inzetten. We hopen van onze cultuurminister hetzelfde.
Paul Corthouts Directeur beleid van oKo