“Daedalus” (Regie Guy Cassiers)

Leestijd 5 — 8 minuten

Daedalus – Guy Cassiers

KRONIEK – LEERDE ALLE ARTIKELS UIT HET HOOFD

Daedalus is een theaterproduktie van Sfinks Animatie, geregisseerd door Guy Cassiers en gespeeld door 45 mentaal gehandicapten. De Franse theatergroep L ‘oiseau mouche (eveneens bestaande uit mentaal gehandicapten) heeft hier waarschijnlijk model gestaan.

Cassiers heeft zich met Daedalus een artistiek doel gesteld. Sociale en/of therapeutische functies zijn secundair. De titel verwijst naar de bouwmeester van het labyrint van Kreta, tevens vader van Icarus. Voor hemzelf en voor zijn zoon ontwierp Daedalus vleugels om alzo de doolhof te kunnen ontvluchten.

Laat dit de metafoor van de produktie zijn. In de voorstelling zelf komt het thema slechts zijdelings ter sprake, zoals in volgend citaat van een jongen: “Het verhaal heet Daedalus. Het was een kort verhaal. En het is lekker weer”. Dergelijke kinderlijke uitspraken zijn legio. Zij vormen slechts een klein element uit één groot mozaïek.

Daedalus werkt niet op de ratio. Het vindt waarschijnlijk wel daar zijn tegenstand. De vraag waarmee je jezelf opzadelt alvorens de zaal binnen te stappen, betreft namelijk de toelaatbaarheid van dergelijke onderneming. Kan er überhaupt een andere dan therapeutische verantwoording ten grondslag liggen aan een theaterproduktie met mentaal gehandicapten? Het feit dat geestesgestoorden de scène van een voornaam theatergebouw als deSingel ter beschikking krijgen, is zo uitzonderlijk dat potentiële toeschouwers niet op zoek gaan naar theater, maar vaak gedreven worden door sensatiezucht, sociale bewogenheid, medelijden, scepsis of voyeurisme. L’oiseau mouche en Stap (een Vlaams gehandicaptenproject) heb ik om deze rationele bedenkingen bewust opzij laten liggen. Voor Daedalus tekende echter Guy Cassiers als regisseur, wat me enig houvast en dus vertrouwen gaf. Het verschafte me als het ware een alibi om me naar Antwerpen te begeven.

Daedalus, ik zei het reeds, appelleert echter niet aan de ratio. Vanaf het prille begin boort het naar de emoties. De ingebouwde remmen laat je meteen los. Cassiers heeft gekozen voor een scenografie waaraan je moet wennen, waarin je moet zoeken. Sober belicht, met wondermooie muziek van John Gilbert Colman (een Vlaming, ondanks de naam) en een klankband met merkwaardige, cryptische uitspraken van de kinderen, ontvouwt er zich een bewegend fresco. Minutenlang voltrekt er zich een ritueel dat de zintuiglijke waarneming dermate prikkelt, dat je moeilijk onbewogen kan blijven.

Naderhand wordt deze roes niet meer aangehouden. De “foutjes” worden zichtbaar, Je merkt dat acteurs dingen doen die ze niet verwacht werden te doen. Zonder dat het gênant wordt, wordt de aandacht toch afgeleid van de eigenlijke voorstelling en ben je je bewust van het feit dat er mentaal gehandicapten op de scène staan. Het roept een belangrijk probleem op. Cassiers heeft de voorstelling immers heel gesloten gehouden qua structuur. Elk kind heeft een duidelijk uitgestippelde rol, die weinig variatie toelaat in de uitvoering. Dat werkt, zolang die acteurs dat kunnen. Maar men mag redelijkerwijs aannemen dat, gezien hun handicap, er regelmatig misstappen gebeuren. Dit is niet dramatisch, omdat het publiek overwegend een begrijpende houding aanneemt. Het relativeert wel het artistieke uitgangspunt dat de regisseur zich gesteld had.

Dit neemt niet weg dat er ook dan vaak ontwapenend mooi geacteerd wordt, dat er beelden gecreëerd worden die beklijven. Daartoe is met veel inventiviteit en speelsheid gebruik gemaakt van poppen, maskers, kostuums. Om de hierboven aangehaalde reden blijkt de veer echter wel wat gebroken te zijn. De constante magie heeft plaats geruimd voor een opeenvolging van losstaande acts. Ik voel me dan even vaak observator als aangesprokene.

Daar zit je aan te denken wanneer Daedalus in zijn eindfase komt. En passant heeft het scènebeeld al zijn geheimen prijsgegeven; de lichtregie (van Peter Missotte) laat geen detail meer ontglippen. Een kalende jongen danst, het publiek recht in de ogen kijkend. Heel alleen op de grote scène, druipend van energie en met hoekige bewegingen, sleurt hij je uit je luie zetel. Eén na één volgen de andere kinderen. Met vijfenveertig staan ze daar, op de verschillende niveaus van het hoog oplopende decor, dansend op de aanstekelijke muziek van Colman. De bezwaren die ik gaandeweg had zitten formuleren, worden op een mum van tijd verdrongen. Hier kan ik niet ongevoelig voor blijven. Daedalus zal eindigen zoals het begon: ontroerend.

Die ontroering heeft niets vandoen met het feit dat hier gehandicapten acteren. Integendeel zelfs. Op het moment dat je je hiervan rekenschap geeft, is Daedalus minder sterk. De kwaliteit van de produktie is volstrekt autonoom. Het waardemerk ervan is de oorspronkelijkheid die je bij elke theaterproduktie hoopt te vinden.

Het is wel belangrijk te constateren dat Cassiers twee uiteenlopende benaderingen gehanteerd heeft om tot die kwaliteit te komen. Aanvankelijk houdt hij alles gesloten. Je kan haast zeggen dat het grootste deel van de voorstelling net zo goed door professionele acteurs zou kunnen gespeeld worden. Ter wille van de technische beperktheid van gehandicapten lijkt dit niet de aangewezen weg om verder te volgen. Het kan niet de bedoeling zijn hen aan te passen aan een theatercode die hun vreemd is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat slechts gedurende een beperkte periode die concentratie kon opgebracht worden.

In het laatste deel van Daedalus echter gooit Cassiers alles open. De persoonlijkheid van de acteurs eist dan alle aandacht op. De voorstelling komt hun op deze momenten zó recht uit het lijf, dat “fouten” of “misstappen” per definitie uitgesloten zijn. Op dit elan lijkt het me wel zinvol verder te bouwen. Daedalus onderschrijft immers perfect de stelling dat iedereen op zijn minst één goede rol kan spelen, namelijk zichzelf. Op voorwaarde dat er een regisseur voor staat die je het nodige vertrouwen geeft en die het geheel een relevante constructie kan geven. Wat in Daedalus overduidelijk het geval was.

Was de produktie Daedalus dan geen lang uitgesponnen therapeutische versie? De opwerping lijkt volstrekt irrelevant na afloop van de voorstelling. En indien ja, so what? Als de therapie geresulteerd heeft in deze manifeste spelvreugde, in dit geluk ja, waar maak ik me dan zorgen over. En verder: als een hedendaags kunstenaar geen vrijblijvende kunst wil produceren, als hij zijn eigen persoonlijkheid ontsluiert, hoever staat hij dan nog – als individu – van de “therapie”?

 

DAEDALUS
concept en regie: Guy Cassiers; muziek; John Gilbert Colman; poppen: Jan Maillard; kostuums: Hilde Vanhalst; licht: Peter Missotte; met: 45 kinderen van 8 tot 17 jaar; produktie: Sfinks Animatie, Boechout.

Gezien op 6 november in deSingel, Antwerpen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#16

15.01.1987

—

14.04.1987

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!