‘Lilith@online’ – Speelteater/Kopergietery / Andy De Decker

Paul Pourveur, Ineke de Paepe, Jonas De Ro, Lotte De Vuyst, Flo Flamme en Margaux Herman

Leestijd 16 — 19 minuten

Lilith@online

Lilith@online vond zijn ontstaan in het Monologen -project van Speelteater/Kopergietery (Gent), waarbij aan vier Vlaamse auteurs werd gevraagd om een korte monoloog te schrijven voor een bepaald kind. Deze optie om te vertrekken vanuit de identiteit van elk kind sluit perfect aan bij de basisfilosofie die Speelteater/Kopergietery hanteert bij het werken met kinderen en jongeren. In mei ’99 woonden de vier auteurs – Geertrui Daem, Pascale Platel, Frank Vander linden en Paul Pourveur – de afronding van de theaterateliers bij. Elke auteur koos een kind of jongere door wie hij zich zou laten inspireren bij het schrijven. In samenspraak met de auteurs engageerde Speelteater/Kopergietery vier theatermakers die elk de regie van één monoloog voor hun rekening zouden nemen. Uiteindelijk zouden de kinderen immers hun ‘eigen’ tekst spelen. In april 2000 was het zover, de vier monologen werden in de Kopergietery gepresenteerd als één geheel van ongeveer anderhalf uur: Zimbola (Jonathan Joliet [10 j], Geertrui Daem en Johan Dehollander), 27.04.84 (Willem Badenhorst [16 j], Simon Monbaliu [16 j], Pascale Platel en Patrick Jordens), Kort (Anaïs Terryn [10 j], Frank Vander linden en Tanja Oostvogels) en Lilith@online (de vijf genoemde jongeren, Paul Pourveur en Tanya Hermsen) waren vier zeer persoonlijke en dus onderling sterk verschillende producties. In januari 2001 krijgt Monologen 1 een vervolg. Het voorbije jaar werkten auteurs Rudi Bekaert en Willy Thomas immers vanuit dezelfde opdracht, met als enige voorwaarde dat de door hen gekozen kinderen jonger dan twaalf zouden zijn. Monologen 2 zal de twee nieuwe monologen combineren met de twee kindermonologen uit de eerste editie. In een volgende fase is het de bedoeling dat de monologen zullen gepresenteerd worden aan volwassen acteurs, die op hun beurt met de teksten aan de slag gaan.

Lilith@online is een monoloog voor vijf stemmen. In feite gaat het om één vrouwelijk personage dat bestaat uit vier vrouwelijke hormonen en één mannelijk hormoon. Paul Pourveur wou heel graag met jongeren werken. Naast zijn teksten voor volwassenen schreef hij immers al een tekst voor 4-6-jarigen (ZevenDrieNul) en een tekst voor 8-12-jarigen (Stiefmoeders), allebei voor het Nederlandse jeugdtheatergezelschap Artemis. Een tekst over de lusten en lasten van de puberteit was een logische volgende stap. Aan de vijf jongeren die hij selecteerde vroeg hij om gedurende de hele zomer 1999 een dagboek bij te houden. Volledige discretie was gegarandeerd. In het najaar volgden er een etentje met z’n zessen en een zevental bijeenkomsten op zaterdagochtend. Er werd gepraat, gepraat en nog eens gepraat. Over de liefde en seks uiteraard, de conflicten met de ouders, hun harde opstelling tegenover de wereld om een eigen weg te kunnen bewandelen.

Tijdens de gesprekken werd er ook gezocht naar een kader waarin het materiaal van de jongeren geplaatst zou worden. Het gegeven van Lilith, de ‘slechte’ voorloopster van Eva in het aardse paradijs, werd als uitgangspunt gekozen. De jongeren voelden zich erg aangetrokken door dat personage.

Nadien zette Paul Pourveur zich aan het schrijven.

Marleen Baeten

M: Om uiteindelijk

F: de onuitsprekelijke naam

I: uit te spreken

J: en plots vleugels te krijgen,

L: het hart in de vingertoppen te voelen kloppen

M: en in de tippen van de tenen.

F: De armen gespreid.

I: Uitgestrekte vingers.

J: De benen lichtjes geplooid.

I: De hele spankracht in de tenen.

F: De ogen sluiten.

M: De hoogtevrees ontkennen.

L: De roekeloosheid bevestigen.

J: Zichzelf afduwen.

L: Verlost zijn van

M: natuurlijke wetten,

F: menselijke wetten

I: en andere verplichtingen

F: zoals de zwaartekracht

M/J: of zo.

L: De lichtheid.

M: De ondichtheid.

F: De zachtheid.

I: De broosheid.

J: Parelhelder.

L: Stijgen.

J: Zweven.

I: Vliegen.

F: Zweven.

M: Stijgen.

L: Hoger en hoger.

M: Boven de valleien.

F: Ver boven de bergen.

I: Naar het wolkendek.

L: De wolken binnendringen

F/I: Plots.

M: Boven het wolkendek.

I: Het eeuwige zonlicht.

J: Siberisch zonlicht.

L: Zich blootgeven.

M: Zich laten overmeesteren.

F: De volledige overgave.

I: Zich laten voortdrijven.

J: Doelloos.

L: Onbekommerd.

I: Dit moet mijn hemel zijn.

J: Of zo.

L: Er komt nogal wat bij kijken als je als vrouw geboren wordt. Alles begint met een mogelijke dood. Borstkanker. Verkracht in een burgeroorlog. Verstikt in een wasmachine.

J: Overladen worden met culturele, politieke en sociale bagage: ‘Ben je blond, dan ben je dom’, ‘Heb je borsten, dan heb je geen rechten.’

I: Overvallen worden door verliefdheid. Elk uur op een ander verliefd zijn. Verliefd zijn op twintig jongens tegelijk. Hoe dan ook verliefd zijn en soms niet meer precies weten op wie.

M: Altijd blijk geven van zelfvertrouwen, het levensgenot uitstralen, het vertrouwen aan iedereen uitdelen.

F: Altijd een vluchtheuvel zijn voor een leger teleurgestelden, wanhopigen, troostelozen, radelozen.

L: Er komt nogal wat bij kijken als je als vrouw

geboren wordt.

F: Het is zo onoverzichtelijk.

M: Voeg daaraan toe dat ik ook nog de naam

‘Lilith’ meekreeg.

J: En dan is het volkomen begrijpelijk I: dat ik zo onbegrijpelijk slecht ben.

F: Toen Adam het Aards Paradijs kreeg van Dieu, had niets een naam. Dus gaf Dieu Adam de opdracht om een naam te bedenken voor alles wat hij zag.

En Adam gaf alles een naam. Dat is… ‘boom’, dat is… ‘appel’, dat is… ‘roos’, dat is… ‘rivier’, dat is… dat is… ‘kweetnie’…

Alles verliep goed. Adam kon zijn weg vinden tussen de ‘bomen’, ‘appelen’, ‘rozen’, ‘rivieren’ en ‘kweetnie’.

Hij had een houvast, hij was gelukkig en fier. Toen hij alles een naam had gegeven, zat zijn werk erop. En een man die niet werkt, verveelt zich. L: Adam bezocht Dieu dikwijls, bleef soms erg lang, tot laat in de nacht. Dieu begon er genoeg van te krijgen. Hij was op een beetje privacy gesteld.

Om van Adam verlost te zijn, maakte Dieu van aarde een vrouw.

Blond en mooi en verleidelijk. Prachtig lichaam. Een lichaam om ‘u’ tegen te zeggen. Dieu had een uitstekende smaak. Toen. En Adam noemde haar ‘Lilith’. Waarom Lilith? Zomaar. De voorraad klinkers en medeklinkers was bijna op en van de restanten maakte hij ‘Lilith’.

J: Adam vertelde Lilith fier over alle namen die hij had uitgevonden. En hij verzocht haar om ze goed te onthouden. Lilith vroeg of zij geen namen mocht geven aan dingen die hij vergeten was te benoemen, zoals seks en zo.

Nee, dat kan niet meer, zei Adam, geen nieuwe namen meer.

Of moeilijke namen vinden, die de dingen benoemen die niet gezien kunnen worden, zoals geluk en zo.

Nee, dat kan ook niet meer, zei Adam. Of onuitsprekelijke namen vinden, namen die je vleugels geven, die je in staat stellen om wonderlijke dingen te doen.

Geen nieuwe namen, zei Adam. M: Waarom niet? We werden beiden uit aarde gemaakt. Ik heb hier toch evenveel rechten. Ja, zegt Adam, maar ik was er eerst. Dat maakt dat ik iets meer rechten heb. Het enige wat Lilith nog restte, was commentaar geven op de namen die Adam had uitgevonden.

F: Waarom is dat een boom?

J: Waarom is dat een appel?

I: En Adam kon alleen maar zeggen: ‘kweetnie’.

M: Met al de namen die je hebt uitgevonden, daar kan ik niet zoveel mee, zei Lilith. En Adam werd minder fier omdat hij altijd maar commentaar kreeg op wat hij had uitgevonden.

I: Adam berichtte Dieu over de lastige vragen van Lilith. Hij vond Lilith ‘slecht’. Dieu zei hem, een berispende vinger op hem gericht: Adam, je bent een ‘man’ en een ‘echte man’ moet zijn plan kunnen trekken.

En Adam keerde terug naar het Aards Paradijs en pijnigde zijn hersenen. Hij zocht de ‘naam’ die hem zou bevrijden van alle wrevel, last en ongeluk.

L: Adam was nog maar net in het Paradijs of Lilith vroeg hem: Waarom is dat nu een appel? Waarop Adam nors antwoordde: Daarom! Lilith bekeek hem – in volgorde –

I: onderzoekend,

M: peilend,

F: twijfelend,

J: en ten slotte wantrouwig.

I: Keidom,

L: zei Lilith.

J: Begrijp je dan niet dat het erg vervelend is om ergens te zijn waar geen nieuwe namen mogen ontstaan? vroeg Lilith.

F: En Adam, die geen andere namen meer had om Lilith het zwijgen op te leggen, gaf haar een slag in het gezicht.

F: Ontstemd

L: Kwaad.

J: Razend.

I: Woedend.

M: Vulkanisch.

M: Heb mijn plateauschoenen,

J: die iedereen lelijk vindt,

F: en mijn Kookaï-jurkje,

J: dat iedereen ongepast vindt,

I: aangetrokken

F: en vastberaden,

M: vastbesloten,

I: zelfs roekeloos,

J: de catwalk naar de vrijheid genomen,

M: met een staalharde blik op oneindig,

L: de heupen heen en weer wiegend.

I: Naar een land gaan,

F: waar niets benoemd is,

L: vergeten door Dieu,

J: dat Adam toch niet kan vinden.

M: Naar het zuiden van Frankrijk.

L: De Provence.

J: Of zo.

I: Weglopen van huis.

Ik denk er elke dag aan,

maak ellenlange lijstjes

met wat ik zou meenemen.

En dan begin ik te schrappen.

F: Weglopen van huis.

Ik pomp me elke dag moed in,

maak ellenlange lijstjes

waarom ik het wel zou doen.

En dan begin ik te schrappen.

J: Soms overreageren:

ik zit vast in mezelf,

niemand begrijpt mij

en ik begrijp niemand.

Een geval van terminaal onbegrip.

Soms ‘onderreageren’.

Zo slecht is het hier ook niet.

Kom niets te kort,

heb zelfs mijn eigen e-mail adres.

L: De angst om er alleen voor te staan,

geen vertrouwde omgeving meer,

geen betrouwbare gewoonten.

M: Weglopen van huis.

Het plezier ervaren

dat iedereen ongerust is.

De onzekerheid ervaren

dat niemand je wil.

F: De druppel zoeken

die de emmer zal doen overlopen.

J: De scheldnaam provoceren.

L: De slag in het gezicht uitdagen.

I: En dan uiteindelijk weggaan.

M: Zelfs niet als een dief in de nacht.

Weglopen,

zonder voorbereiding, zomaar,

omdat de zon schijnt.

M: Lilith nam een dosis heroïsme en begaf zich, gewapend met uitroeptekens – en andere leestekens – door het mijnenveld van onzekerheden.

L: Met de grootste zorg borduurde Lilith een nieuwe dageraad in haar leven.

I: Met de kostbaarste en weelderigste klinkers en medeklinkers versierde Lilith haar dageraad met verrukkelijk moeilijke en subliem onuitsprekelijke namen.

F: Namen die onstuimige, heftige, overdadige dingen kunnen doen ontstaan.

J: Hoe dan ook.

L: Namen die wonderlijke dingen kunnen doen ontstaan.

J: Hoe dan ook.

I: Namen die buitensporige, extreme, grenzeloze dingen kunnen doen ontstaan,

J: Hoe dan ook! Voor Lilith begon een zaligmakende tijd. In het zuiden van Frankrijk. De Provence. Of zo.

I: Waar ze zich kon laten strelen door een warme bries.

F: Waar haar enig landschap uit kilometers la-vendelvelden bestond.

I: Ze woonde in een klein huisje aan de rand van een lavendelveld.

J: Ver weg van de mensen. L: Behalve zaterdagavond, dan ging ze naar het bal, waar ze de hoofden en andere lichamelijke onderdelen van de mannen op hol deed slaan.

M: Dit verhaal had nu reeds kunnen afgelopen zijn. Met een overgelukkige Lilith in de Provence.

Ware het niet dat Dieu er niet zo op gesteld was in de steek gelaten te worden. Hij stuurde drie engelen om Lilith te overtuigen terug te keren naar waar zij vandaan kwam.

L: Op een dag verscheen de eerste engel.

M: Ik was jou en jij was ik,

wat ik zag, zag jij ook

wat jij zag, zag ik ook,

zegt mijn moeder,

I: op strenge toon.

M: Wij waren onafscheidelijk,

aaneengehecht,

aaneengevlecht,

zegt mijn moeder,

I: op gemoedelijke toon.

M: Ik heb je niet negen maanden gedragen,

zes uur verschrikkelijke pijnen doorstaan,

een postnatale depressie doorstaan,

striemen op mijn buik gekregen,

opdat jij – zomaar – zou weglopen van huis,

I: barst mijn moeder uit.

J: Als ik aan mijn moeder denk,

F: denk ik aan sneeuw.

J: Sneeuw: 90% lucht, 10% ijs.

F: Zo is mijn moeder ook:

J: 90% lucht, 10% ijs.

I: Waarom ben je weggelopen van huis? vraagt mijn moeder.

M: Ik weet het niet meer zo goed.

L: Niet goed genoeg, zegt mijn moeder.

I: Op een dag werd ik wakker, de zon scheen

en… weg was ik.

L: Het regende toen je bent weggelopen van huis, zegt mijn moeder.

I: Ik ben niet weggelopen van huis, ik ben weggelopen van jou.

M: Wat heb ik nu weer misdaan? snauwt mijn moeder mij af.

I: Al de namen die je mij gaf: nietsnut, nul, domoor.

En ik mocht zelfs geen commentaar geven op al die namen.

L: Je weet toch dat ik dat niet meende,

J: zegt mijn moeder in alle onschuld.

L: Het was voor je eigen bestwil,

I: zegt nog steeds mijn moeder, in alle onschuld.

M: Ik kan je ook verwijten dat je ooit eens een muts kocht voor mij. Geen gewone muts. Moderne design uit Lapland. Iedereen op school vond de muts natuurlijk belachelijk. Ze hadden nog nooit zoiets doms en idioots gezien. Ik wou de muts nooit meer aandoen. Toen heb je me op schoot genomen om mij te troosten. Kind, als je dan toch belachelijk bent, wees dan helemaal belachelijk. Wees het dan 150%. Geen halve maten. Vergeet niet dat je slechts een vrouw bent. Belachelijk zijn hoort bij de job. Je was bitter. En ik moest het ook zijn.

L: Ik heb je nooit een muts uit Lapland gekocht, zegt mijn moeder. En trouwens, ik was niet bitter. Ik was alleen maar bezorgd.

I: De egoïstische plannen die je voor mijn toekomst maakte, de uitzichtloze dromen die je voor mij droomde.

Je was kleingeestig. En ik moest het ook zijn. F: Ik was alleen maar zorgzaam, meer niet, verklaart mijn moeder.

J: Maar dat zijn nu eenmaal mijn herinneringen en of ze echt zijn of niet, het maakt niets uit.

F: Het maakt wel uit. Ik heb je nooit gezegd dat je belachelijk moest zijn, zegt, roept, gilt mijn moeder.

I: Ik heb je nooit gezegd dat je bitter of kleingeestig moest zijn, zegt, roept, gilt mijn moeder.

M: Maar dat is nu eenmaal mijn versie van de feiten.

L: Ik wil iets anders horen, zegt, roept, gilt mijn moeder.

M: Zoals? vraag ik haar.

L: Ik had graag iets anders willen horen, fluistert mijn moeder.

M: Zoals? vraag ik haar.

L: Zoals… omdat je naam Lilith is en Lilith hoort nu eenmaal ‘slecht’ te zijn. Is dat niet de eenvoudigste uitleg? Dan draagt geen van ons beiden de schuld, hoeven we mekaar niets te verwijten. Je bent weggelopen omdat je naam ‘Lilith’ is.

I: Een naam die jij mij hebt gegeven.

L: Nee, het was een idee van je vader. En je

vader heeft ons verlaten, lang geleden.

J: Hij heeft jou verlaten.

F: Wil je terug naar huis komen?

vraagt mijn moeder mij op een zachtaardige

toon.

F/I/M/L/J: Nee.

J: Mijn moeder haalt de grote artillerie boven. Ze zegt mij: en als ik je nu beloof dat ik zal veranderen, dat ik je niet meer domoor of nietsnut zal noemen en dat ik…

I: Maar ik ben aan het dromen. Moeder zou zoiets nooit zeggen. In plaats daarvan zegt ze mij:

M: Je verpest mijn leven.

F: Op een dag verscheen de tweede engel.

L: Ik was jou en jij was ik,

wat ik zei, zei jij ook

wat jij zei, zei ik ook,

M: zegt hij,

koel en zakelijk.

J: Vier handen op één buik,

de vijf vingers van de hand,

M: zegt hij

met tederheid en genegenheid.

I: Al die briefjes, boodschappen, voice mails, e-mails, die ik je stuurde om je te zeggen dat ik verliefd op jou was. Al die cadeaus die ik je gegeven heb om in je armen te mogen liggen. Ik heb zelfs gedreigd met zelfmoord als je niet met mij zou trouwen.

Hou je dan niet van mij? vraagt hij mij tenslotte verbaasd.

L: Uiteraard hou ik van jou, zeg ik, ook verbaasd,

anders had ik nooit met jou geslapen,

de verschrikkelijke pijnen van ‘de eerste keer’

en de angst van de ‘tweede keer’ doorstaan.

J: Waarom ben je dan weggegaan? vraagt hij mij.

M: Waarom heb je je laten ‘verlaten’?

I: Nu kan ik even niet meer volgen, zegt hij.

L: Laat maar, het was slechts een bedenking.

Mij kon het niet schelen dat het er rommelig

of slordig uitzag, of dat de antwoorden niet

klopten.

Jij wou alles proper, netjes en bedaard hebben. Je stuurde mij een dag op voorhand de antwoorden die ik je moest geven.

I: Nu overdrijf je wel een beetje, zegt hij.

F: Zie je, je doet het weer. Néé, ik overdrijf niet een beetje, ik overdrijf erg veel, uitbundig zelfs.

J: Ik wil gewoon weten waarom ik mij nu alleen en verlaten voel, niet meer eet noch drink, zegt hij. Sinds je weg bent, doe ik niets anders dan dromen van jou.

I: En dat vind ik zo voos. Want dan vraag ik

mij af wat hij over mij droomt. Waar haalt hij

het recht vandaan om mij en mijn lichaam te

gebruiken in een droom.

Wat haalt hij er mee uit?

L: Wie weet? Misschien droomt hij dat hij lid

is van een SS-sekte en dat hij mij foltert.

M: Wie weet? Misschien kleedt hij mij aan als

Sneeuwwitje en moet ik rondhuppelen in het

landschap.

J: Of misschien word ik met hem achter vijandelijke linies gedropt en moeten we een brug opblazen.

L: We waren vermoedelijk niet voor elkaar gemaakt. Of we waren voor elkaar gemaakt maar dan om elkaar het leven moeilijk te maken. Jij wou mijn leven, mijn dromen, mijn toekomst hebben.

Ik wou gewoon kunnen zeggen wat ik verzweeg, doen wat ik niet durfde.

F: Ik heb je nooit verboden iets te doen,

L: zegt hij mij dan. Uiteraard niet, maar je was altijd jaloers, je eiste mij zoveel mogelijk op. Zelfs om te ademen had ik je toestemming nodig.

F: Nu overdrijf je, zegt hij.

J: Van een muis maak ik een olifant. Het voordeel is dat je een olifant gemakkelijker opmerkt dan een muis.

M: Is het mijn schuld of die van jou? vraagt hij mij dan.

L: Wat moet ik daarop antwoorden? Het is mijn schuld, mijn liefste, zeg ik dan maar. En dankzij dat antwoord kan jij nu rustig verder leven – zonder wroeging. Het waren onvergetelijke momenten met jou. De eerste keer dat ik met iemand naar bed ging, de eerste keer dat ik mij boven de wolken bevond, de eerste keer dat ik een veilige kamer in een hotel boekte, de eerste keer dat ik wist wat ik wou, de eerste keer een onwennig moment echt te verlangen. Maar nu weet ik niet meer waarom deze momenten onvergetelijk zijn. Is het omwille van die ‘eerste keer’ of omwille van jou?

J: Ik wil dat je terugkomt, beveelt hij mij.

F/I/M/L/J: Nee.

1: Hij haalt de grote artillerie boven. Hij zegt mij: ik beloof je dat ik zal veranderen, dat ik je niet zal opsluiten, dat…

F: Maar ik ben aan het dromen. Hij zou zoiets nooit zeggen. In plaats daarvan zegt hij mij: M: Je verpest mijn leven.

J: Op een dag verscheen de derde engel.

M: Ik was jou en jij was ik.

I: Wat ik dacht, dacht jij ook.

L: Wat jij dacht, dacht ik ook,

zegt mijn hartsvriendin mij.

M: We liepen hand in hand,

onze telefoons versmolten met elkaar,

zeg ik haar.

F: Waarom heb je mij verlaten?

I: Geen idee, zeg ik.

M: Ik weet ook niet wat er gebeurd is.

L: We hebben zelfs geen ruzie gehad. Geen

slaande deuren.

J: Soms dacht ik: het is zachter een meisje vast te nemen dan een jongen, het is zoeter een meisje te zoenen dan een jongen. Misschien werd ik wel lesbisch met jou.

I: Ik niet. Ik ben niet lesbisch.

M: Ik ook niet.

F: Ik evenmin.

L: Ik zeker niet.

J: Ik zeg maar: we moeten openstaan voor

dingen. De voordelen bekijken.

I: Het één heeft niets met het ander te maken.

L: Lesbisch zijn noem ik geen voordeel.

F: Ik heb nooit met dat idee gespeeld.

M: Ik heb er zelfs nooit aan gedacht..

J: Je kan alleen maar weten of je lesbisch bent

als je het echt gedaan hebt.

L: Genoeg nu.

I: We zijn niet lesbisch.

J: En toch…

M: Nee. We zijn het niet!

I: Dus daarom heb ik je zeker niet verlaten,

zeg ik mijn hartsvriendin

F: Waarom dan wel? vraagt ze mij.

I: De afhankelijkheid, het vertrouwen was zo

groot.

Alles werd breekbaar, kwetsbaar.

M: Elk woord kon pijn veroorzaken,

Elke zucht kon verbrijzelen.

Het enige wat ons restte,

was in zoete stilte

elkaar nog meer vastnemen.

L: Geen enkele onwennigheid.

De berustende overgave.

Oplossen in de andere.

Onbeweeglijk tot het einde der tijden.

J: Maar daarom heb ik je ook niet verlaten,

denk ik.

F: Waarom dan wel? vraagt mijn vriendin mij.

Al hebben we elkaar geplunderd,

al hebben we elkaar beroofd,

zodat we nog slechts twee lege omhulsels waren,

ik had ermee kunnen leven, zegt ze.

L: Ik misschien ook, zeg ik.

J: Ze haalt de grote artillerie boven. Ik heb alles

opgegeven voor jou, zonder jou ben ik niets.

I: Zonder jou was ik ook niets. Ik kon ook niet

bestaan zonder jou.

L: Misschien hebben we elkaar verlaten omdat het nu eenmaal zo hoort, omdat omstandigheden veranderen, omdat… omdat schepen nu ook eenmaal kapseizen zonder enige reden.

F: Moet ik nu zeggen: Wil je terugkomen? Moet ik nu zeggen: Je hebt mijn leven verpest? vraagt ze mij.

I: Ja. Dan is de cirkel rond. De breuk definitief. Hoofdstuk afgesloten.

M: Je verpest mijn leven.

M: Aangezien Lilith zich niet door de drie engelen had laten overtuigen om terug te keren naar waar ze vandaan kwam, verscheen Dieu in hoogsteigen persoon. Dieu was razend op Lilith en vervloekte haar. Hij bedreigde haar en zei dat duizend van haar kinderen elke dag vermoord zouden worden, indien ze niet terugkeerde. En nog steeds weigerde Lilith.

F: Wat Adam betreft. Hij kreeg een nieuwe vrouw, gemaakt uit één van zijn eigen ribben.

Hij had nog twee klinkers en een medeklinker over en kon haar nog net ‘Eva’ noemen. Zij was veel onderdaniger en stelde veel minder vragen. Hetgeen natuurlijk geen waarborg is voor een gelukkig samenzijn.

J: En Lilith,

M: Lilith werd weggestuurd.

F: Ver weg.

L: In alle mogelijke richtingen.

M: Afgewezen worden.

I: Afgekeurd worden.

J: Geweigerd worden.

L: Weggestuurd worden.

J: Uitgesloten worden.

I: En dit allemaal

M: ver weg en in alle mogelijke richtingen.

L: Een stukje van mij ligt

I: hier

F: een ander stukje van mij staat

J: hier

M: en no

g een ander bevindt zich

L: hier? J: Of hier?

I: Of misschien wel hier.

I: Zich ver weg bevinden.

F: Weet niet meer wat er allemaal voor mij of achter mij ligt, wat boven of onder mij is.

J: Weet niet meer wat grijpbaar, voelbaar, zichtbaar, merkbaar is.

I: Zich ver weg bevinden.

L: Weet niet wat ik moet zeggen, welke woorden ik precies moet gebruiken.

M: Weet niet meer wat hoorbaar, verstaanbaar, begrijpelijk, verklaarbaar is.

M: Er is storm in mij.

I: Windkracht 12.

F: Dag en nacht.

J: Zichzelf ver weg bevinden. Van zichzelf.

Zich aan zichzelf willen koppelen.

I: Zich van… zichzelf willen ontdoen. Zichzelf van… zichzelf willen afnemen

F: en terug aan… zichzelf bezorgen. Zichzelf vanzelf ‘zichzelven’.

M: Kortom. Hoe moet ik dit allemaal vereenzelvigen?

L: Er iets samenhangends van maken?

M: Kan al mijn gedachten niet bedwingen.

Buitensporige, heftige, overdadige gedachten.

Losgeslagen gedachten over…

I: onrechtvaardigheid,

verdrukking,

J: met wilde bergrivieren en watervallen en kilometers lavendelvelden

M: met titanische represailles van stapelgekke Johnny’s en Marina’s,

L: met een maag in de knoop, in de wolken, boven de wolken,

F: met uitgehongerde kinderen in dorre landschappen.

M: Hoe moet ik dit allemaal met mekaar verzoenen?

I: Verbinden op een vlotte manier.

J: Ik denk veel na, zoveel dat ik er soms hartzeer van krijg.

I: En ik voel zoveel, dat ik er soms hoofdpijn van krijg.

J: Dit verhaal had nu afgelopen kunnen zijn. Met een erg ongelukkige Lilith, duidelijk in de war.

I: Ware het niet dat Lilith er niet zo op gesteld was

F: uitgestoten te worden,

M: onverenigbaar te zijn geworden,

L: ook niet dat duizend van haar kinderen

elke dag zouden sterven.

J: Dit allemaal

I: omdat ze de fout had begaan

M: te denken een gelijke te zijn van Adam,

I: omdat ze de fout had begaan

L: te geloven in haar bewegingsvrijheid,

I: omdat ze de fout had begaan

J: overtuigd te zijn van haar meningsvrijheid,

J: Oog om oog.

Om nog te kunnen ademen.

L: Met gelijke munt.

Om zich niet te laten overmeesteren

F: Van hetzelfde laken een broek.

Om niet verpletterd te worden.

I: Vergelding.

Om niet begraven te worden.

M: Wraak.

Om nog met zichzelf te kunnen leven.

J: Geen overgave.

L: Zichzelf te goed vinden.

I: Van een arrogante onbevangenheid.

F: Geen overgave.

M: De zonnestralen vastgrijpen,

F: vastsnoeren rond mijn lichaam.

L: Ondanks alles en iedereen

F: is mijn lichaam gaaf, mooi

J: zonder gaten of puisten,

F: niet besmeurd met bloed,

M: drek of sperma.

L: Ik ben Lilith.

M: Ik ben terug ‘on line’

L: en bereid me voor op een duizelingwekkende duikvlucht.

I: Een vrije val van duizenden meters

L: met de absolute zekerheid dat de zonnestralen

F: als elastieken

I: rond mijn lichaam

J: mij zullen behoeden voor het onherroepelijke.

L: Ik ben Lilith.

Ongebonden maar beschikbaar. Prachtig lichaam. Een lichaam om ‘u’ tegen te zeggen. Een lichaam dat enkel maar fatale avonturen in gang zet.

I: Ik ben Lilith. Ongeremd maar berekend. Een explosief mengsel van passie en haat. Een blik op mij veroorzaakt de verslaving.

M: Ik ben Lilith. Ongetemd maar gewillig. Ik los alle vragen op met het verkeerd juiste antwoord, de bedrieglijk eerlijke oplossing.

J: Ik ben Lilith.

Ongenadig maar inschikkelijk. Ik aanhoor elk verzoek en verwaarloos het. Ik ween bij elke smeekbede en negeer deze vervolgens.

F: Ik ben Lilith.

Ongenietbaar maar bereidwillig Ik kras ieders verleden, verfrommel ieders toekomst. Van het heden maak ik een hel.

J: Ik ben terug ‘on line’.

I: En de tijd van de gruwelen is aangebroken.

M: Naar verluidt ben ik door en door slecht.

F: Veroorzaak wervelwinden van ongeluk, catastrofe en dood.

L: Volgens de geruchten verleg ik de grenzen

van het lijden en de kwellingen.

M: Pleeg verraad, bedrieg.

J: Van onfatsoen maak ik een kunst.

L: En dit blijkbaar zonder enige wroeging of

schuldgevoel of spijt.

I: Het zuivere onversneden plezier

F: een ‘slechte’ vrouw te mogen zijn.

J: Dit verhaal is nu afgelopen. Met een erg wraakzuchtige Lilith. Ongelukkig en de anderen nog ongelukkiger makend.

Lilith had zich nochtans een ander leven voorgesteld.

In het zuiden van Frankrijk. De Provence. Of zo.

I: Waar ze zich laat strelen door een warme bries.

F: Waar haar enig landschap uit kilometers lavendelvelden bestaat.

I: Wonend in een klein huisje aan de rand van

een lavendelveld.

J: Ver weg van de mensen.

L: Behalve zaterdagavond, dan gaat ze naar het

bal, waar ze de hoofden en andere lichamelijke

onderdelen van de mannen op hol doet slaan.

J: Waar is het nu misgelopen? vraagt Lilith zich soms af.

 

theatertekst
Leestijd 16 — 19 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Paul Pourveur, Ineke de Paepe, Jonas De Ro, Lotte De Vuyst, Flo Flamme en Margaux Herman

theatertekst