Jan Van Dijck

Leestijd 10 — 13 minuten

Liefde spreekt boekdelen

William Shakespeare, Heinrich von Kleist, Georg Büchner, Anton Tsjechov, Samuel Beckett, Edward Albee, Hugo Claus, Heiner Müller Samengesteld door Jan van Dijck

‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze’ meende Tolstoi en vervolgens schreef hij een roman van 800 bladzijden getiteld Anna Karenina, over een ongelukkige liefde. Aan een gelukkige liefde had hij waarschijnlijk geen lettergreep inkt verspild; ongeluk is nu eenmaal altijd inspirerender. Zo ook met de liefde in het theater.

Geluk in de liefde is een beetje saai in op de scène, maar over ongelukkige liefdes zijn de toneelauteurs na 2500 jaar nog altijd niet uitgeschreven. Vandaar een summiere maar liefdevolle bloemlezing vol liefdesongeluk: tien auteurs, van Shakespeare tot Claus – of misschien wel vol geluk, want van liefde, van de aanwezigheid van echte, allesverterende en wederkerige liefde is er in al deze teksten, elk op zijn manier, eveneens sprake.

William Shakespeare: Het temmen van een feeks | vertaling Hafid Bouazza

Katharina:

Foei, foei! Ontwar dat dreigende en onvriendelijke voorhoofd, En schiet geen minachtende blikken uit die ogen Om je heer, je koning en je regeerder te verwonden.

Het bezoedelt je schoonheid zoals vorst de weiden bijt, Het vernietigt je eer zoals wervelwinden mooie bloesems schudden; Op geen enkele manier is het betamelijk of beminnelijk.

Een boze vrouw is als een troebele bron, Modderig, ondoorschijnend, zwart en van alle schoonheid beroofd En geen mens, uitgedroogd of dorstig, Zal zich verwaardigen haar aan te raken of er een druppel van te drinken. Je echtgenoot is je meester, je leven, je verzorger, Je hoofd en je koning; hij geeft om jou En zorgt voor jou; hij waagt zijn lichaam In uitputtende arbeid, zowel ter zee als te land, Om nachten te doorwaken in stormen en dagen door te brengen in kou, Terwijl jij warm thuis ligt, veilig en zorgeloos.

En meer vraagt hij hier niet voor Dan liefde, beminnelijke blikken en ware gehoorzaamheid.

Wat een kleine prijs voor zo’n grote schuld.

De verplichtingen van een onderdaan aan de prins Zijn de verplichtingen van een vrouw aan haar man.

En wanneer zij koppig, wispelturig, mokkig en zuur is, Waarin verschilt zij dan van een verachtelijke rebel, Een ondankbare verraadster van haar liefhebbende heer?

Ik schaam mij ervoor dat vrouwen zo simpel kunnen zijn Om strijd te willen voeren waar zij moeten knielen voor vrede.

Of dat zij macht, gezag en overwicht zoeken, Waar zij moeten dienen, liefhebben en gehoorzamen.

Waarom zijn onze lichamen zacht en broos en glad, Niet in staat om te zwoegen en te zweten op deze wereld, Als het niet de bedoeling was dat onze zachte aard en onze harten In overeenstemming zouden zijn met onze uiterlijkheden?

Kom, kom, jullie koppige en ongeschikte wormen, Mijn geest was ooit net zo groot als die van jullie, Mijn hart groter en mijn verstand misschien het grootst Daarom beantwoordde ik woord met woord en frons met frons.

Maar nu zie ik dat onze wapens strohalmen zijn, Onze kracht is nog zwakker en onze zwakheid weergaloos, Om het meest te willen lijken wat we het minst zijn.

Laat je trots varen, er is geen ontkomen aan, En leg je hand onder de voet van je echtgenoot.

En als teken van mijn plichtsgetrouwheid houd ik mijn hand gereed, Moge u vrij zijn van ellende en leed.

Heinrich von Kleist: Penthesilea | vertaling Gerrit Komrij

Meroe:

Je weet, Zij zocht de jongeling, die zij bemint, op, Zij, die geen naam meer draagt voortaan In de verwarring van haar jonge zinnen, Haar al te hete wens hem te bezitten Met heel dat schrikvertoon van wapens schragend. Door honden overjoeld en olifanten, Zo trad ze aan, met in haar hand de boog:

De oorlog, die de burgers teistert, en die Als gruwelmonster aangetreden komt Met reuzenschreden, druipend van het bloed, Haar fakkel over rijke steden zwaaiend, Lijkt niet zo woest en akelig als zij.

Achilles die, zoals het krijgsvolk zegt, Haar enkel uitgedaagd heeft, om vrijwillig Het onderspit, de jonge dwaas, te delven:

Want hij ook, o hoe machtig zijn de goden!

Hij hield van haar, getroffen door haar jeugd, Naar Diana’s tempel wilde hij haar volgen:

Hij nadert haar vol zoete voorgevoelens, En heeft zijn vrienden achter zich gelaten.

Maar nu, nu zij met zulke gruwelen Hem toegrijnst, hem, die voor alle schijn alleen Zich argeloos voorzien heeft van een speer: Schrikt hij, en wendt zijn slanke hals, en luistert, En rent ontsteld, en schrikt, en rent nog eens:

Net als een jonge ree, die in de bergkloof Van verre de verbolgen leeuw hoort brullen.

Hij roept: Odysseus! met benauwde stem, En kijkt schroomvallig om en roept: Tydides!

En wil nog weer ontvlieden naar zijn vrienden; En stokt, al afgesneden door een horde, En heft zijn handen op, en bukt en houdt Zich in een spar schuil, de rampzalige, Die zwaar met overdonker takwerk neerhangt. –

Intussen komt de vorstin aangeschreden, De doggen achter haar, gebergte en woud Van boven, als een jager overzien; En juist als hij, de takken openend, Zich voor haar voeten neer wil laten vallen:

Ha! Het gewei verraadt het hert, roept zij, En spant, met bezeten kracht, terstond Haar boog, tot de twee einden elkaar kussen, En brengt haar boog omhoog, en mikt, en schiet, En jaagt haar pijl dwars door zijn hals; hij valt:

Ruw klinkt onder ‘t volk een zegekreet op.

Maar nochtans leeft die miserabele man:

Met in zijn nek de pijl, die er ver uitsteekt, Richt hij zich rochelend op, en tuimelt om, En richt zich nogmaals op en wil ontvluchten; Maar hopla! roept zij: Tigris! Hop, Leaene!

Hop, Sphinx! Melampus! Dirke! Hop, Hyrkaon!

En valt – valt met de hele meute, Diana!

Op hem en grijpt hem – grijpt hem bij zijn helmpluim, Eén, als een teef, met alle andere honden; Die grist hem bij zijn borst, die bij zijn nek, Zodat de aarde siddert van zijn val!

Hij, rollend in het purper van zijn bloed, Raakt nog haar zachte wangen aan en roept: Penthesilea! o mijn bruid! wat doe je?

Is dit het rozenfeest, dat je beloofde?

Maar zij – hij zou door de leeuwin verstaan zijn, Die wild en hongerig op zoek naar buit Huilend de doodse sneeuwvallei omzwerft – , Zij slaat, zijn pantser van zijn lichaam scheurend, Haar tanden slaat zij in zijn blanke borst, Zij en de honden, strijdend om de eer, Oxus en Sphinx hun tanden rechts in hem, Zij in zijn linkerzij; toen ik er aankwam Droop bloed neer van haar handen en haar mond.

Anton Tsjechov: De Meeuw | vertaling Charles B. Timmer

Nina: Waarom zeg je dat je de grond hebt gekust, waar ik over heb gelopen? Ik verdien de doodstraf? Leunt tegen de tafel aan. Ik ben zo moe! Kon ik maar wat rusten… ergens uitrusten!… Tilt haar hoofd op. Ik ben een meeuw… Nee, dat bedoel ik niet. Ik ben een actrice. Ja, natuurlijk! Zij hoort Arkadina en Trigorin lachen en luistert; dan loopt zij snel naar de deur links en kijkt door het sleutelgat. En hij is ook al hier… Keert naar Trepljov terug. Nou ja… het doet er ook niet toe…Nee… Hij geloofde niet in het toneel, heeft aldoor maar de draak gestoken met al mijn illusies en toen ben ik er langzamerhand ook mijn geloof in kwijtgeraakt en heb de moed verloren… Daar kwamen de zorgen bij van de liefde, de jaloezie en die voortdurende angst om mijn kindje… er kwam iets benepens over mij, ik voelde mijn onbeduidendheid en speelde op een onzinnige manier. (…) Ik ben een meeuw. Nee, dat bedoel ik niet… Weet je nog die keer, toen je die meeuw hebt geschoten? Maar toen kwam er bij toeval een man langs, die haar in het oog kreeg en uit louter verveling en nietsdoen te gronde richtte. Een onderwerp voor een kort verhaal… Nee, dat bedoel ik niet… Strijkt met haar hand langs haar voorhoofd. Waar had ik het weer over? O ja, over het toneel. Nu ben ik helemaal anders, al een echte actrice, ik speel nu vol vreugde en overgave, het spel stijgt me naar het hoofd en dan voel ik, hoe goed ik ben. (…) Nu weet en begrijp ik, Kostja, dat het in ons werk, om het even of we toneelspelen of schrijven, niet om de roem gaat, niet om de schittering, niet om al die dingen waar ik vroeger zo van gedroomd heb, nee, het gaat om het vermogen te dulden en het uit te houden. Zorg ervoor dat je je kruis kunt dragen en geloof ergens in. En omdat ik geloof, valt het me allemaal niet zo zwaar meer; als ik over mijn roeping nadenk, ben ik niet bang voor het leven.

Trepljov: verdrietig Ja, jij hebt je bestemming gevonden, jij weet, waar je naar toe gaat, maar ik zweef nog aldoor in een chaos van illusies en fantasieën rond, ik weet niet, waar het allemaal toe dient en wie er wat aan heeft. Ik heb geen geloof en weet niet, wat mijn roeping is.

Nina: luisterend Ssst… Ik ga nu. Adieu. Als ik een groot toneelspeelster ben geworden, moet je eens naar me komen kijken. Beloof je dat? En nu… Drukt hem de hand. Het is al laat. (…) Als je Trigorin ziet, vertel hem dan niets… Ik houd van hem. Nog meer zelfs dan vroeger… Een onderwerp voor een kort verhaal… Ik houd van hem, hartstochtelijk veel, ik heb hem waanzinnig lief. Wat hadden wij het toch goed vroeger, Kostja, weet je nog? Wat een vlekkeloos, innig, vrolijk en ongecompliceerd leven was dat, hoe zuiver ondergingen we al onze gevoelens, die op tere, sierlijke bloemen leken… Weet je nog wel?

Samuel Beckett: Eindspel | vertaling Jacoba van Velde

Nell: Wat is er mijn dikkerd? (Pauze) Wil je weer vrijen?

Nagg: sliep je?

Nell: O nee.

Nagg: Zoentje.

Nell: Dat gaat toch niet.

Nagg: Laten we proberen (De hoofden gaan moeizaam naar elkaar toe, kunnen elkaar niet bereiken en gaan weer uiteen.)

Nell: Waarom deze komedie iedere dag opnieuw? (Pauze.)

Nagg: Mijn tand is uitgevallen.

Nell: Wanneer?

Nagg: Gisteren had ik hem nog.

Nell: (weemoedig) Ah, gisteren! (Ze wenden zich moeizaam naar elkaar toe.)

Nagg: Zie je me?

Nell: Slecht. En jij?

Nagg: Wat?

Nell: Zie je me?

Nagg: Slecht.

Nell: Des te beter, des te beter.

Nagg: Dat moet je niet zeggen. (Pauze.) Ons gezicht is achteruitgegaan.

Nell: Ja. (Pauze. Ze wenden zich van elkaar af.)

Nagg: Hoor je me?

Nell: Ja. En jij?

Nagg: Ja. (Pauze.) Ons gehoor is niet achteruitgegaan.

Nell: Ons wat?

Nagg: Ons gehoor.

Nell: Nee. (Pauze.) Heb je me nog iets anders te zeggen?

Nagg: Herinner je je nog…

Nell: Nee.

Nagg: Het ongeluk met de tandem waarbij we onze benen verloren? (Ze lachen.)

Nell: Dat was in de Ardennen. (Ze lachen zachter.)

Nagg: Bij het weggaan uit Sedan. (Ze lachen nog zachter. Pauze.) Heb je het koud?

Nell: Ja, heel koud. En jij?

Nagg: IJskoud. (Pauze.) Wil je er weer in?

Nell: Ja.

Nagg: Ga er dan weer in. (Nel verroert zich niet.) Waarom ga je er dan niet in?

Nell: Ik weet het niet. (Pauze.)

Nagg: Heb je nieuw zaagsel gekregen?

Nell: Het is geen zaagsel. (Pauze. Vermoeid) Kan je niet een beetje nauwkeuriger zijn. Nagg?

Nagg: Nieuw zand dan. Wat doet het ertoe?

Nell: Dat doet er veel toe. (Pauze.)

Nagg: Vroeger was het zaagsel.

Nell: Vroeger.

Nagg: En nu is het zand. (Pauze.) Van het strand. (Pauze. Luider) Nu is het zand dat hij haalt van het strand.

Nell: Nu is het zand.

Nagg: Heeft hij het jouwe vernieuwd?

Nell: Nee.

Nagg: Het mijne ook niet. (Pauze.) We moeten een bek opzetten. (Pauze. Laat de beschuit zien.) Wil je een stuk?

Nell: Nee. (Pauze.) Waarvan?

Nagg: Van de beschuit. Ik heb de helft voor je bewaard. (Hij bekijkt de beschuit. Trots) Driekwart. Voor jou. Hier. (Hij houdt haar de beschuit voor.) Nee? (Pauze) Voel je je niet goed?

Hamm: (vermoeid) Maar wees toch stil, wees toch stil, zo kan ik toch niet slapen. (Pauze.) Praat wat zachter. (Pauze.) Als ik sliep zou ik misschien beminnen, de bossen ingaan, de hemel zien, de aarde. Ik zou rennen, rennen, en achtervolgd worden, maar ze zouden me niet vangen. (Pauze.) Natuur! (Pauze.) Er druppelt water in mijn hoofd. (Pauze.) Een hart, er is een hart in mijn hoofd. (Pauze.)

Edward Albee: Wie is er bang voor Virginia Woolf? | Vertaling Frans Redant

George: diep zuchtend Ok dan, Martha… ik vrees dat onze jongen niet naar huis komt voor zijn verjaardag.

Martha: Natuurlijk wel.

George: Nee, Martha.

Martha: Natuurlijk wel. Ik zeg het je!

George: Hij… kan niet.

Martha: Natuurlijk wel. Ik zeg het toch!

George: Martha (lange pauze) … onze zoon is … dood. (Stilte) Hij is… verongelukt … vanavond… (stilte. een klein grinnikje)… op een landweg, met zijn rijbewijs op zak, hij zwenkte uit, om een egel te ontwijken, en vloog recht op…

Martha: (halsstarrige woede) DAT… MAG… JE.. NIET… DOEN!

George: … een dikke boom.

Martha: DAT MAG JE NIET DOEN!

Nick: (zacht) God in de hemel. (Honey weent luider)

George: (Rustig, zonder enige emotie) Ik vond dat je ‘t moest weten.

Nick: O God; nee.

Martha: (Trilt van woede en van de nederlaag.) NEE. NEE! DAT MAG JE NIET DOEN! DAT MAG JE NIET ALLEEN BESLISSEN! DAT NEEM IK NIET!

George: We zullen zo rond de middag moeten vertrekken, denk ik…

Martha: IK NEEM HET NIET DAT JIJ ZOIETS ALLEEN BESLIST!

George: … want er zijn van alle formaliteiten te vervullen, identificatie uiteraard… er moeten schikkingen getroffen worden…

Martha: (Doet een uitval naar George, maar mist hem.) DAT MAG JE NIET DOEN! (Nick staat op, grijpt Martha vast, wringt haar armen achter haar rug.) DAT NEEM IK NIET, BLIJF MET JE POTEN VAN MIJN LIJF!

George: (Nick blijft haar vasthouden; recht in Martha’s gezicht) Je schijnt het niet te begrijpen, Martha; ik heb helemaal niets gedaan. En wees nu moedig. Onze zoon is DOOD! Stop het in je hoofd!

Martha: DAT MAG JIJ NIET ALLEEN BESLISSEN.

Nick: Toe nu, alsjeblief.

Martha: LAAT ME LOS!

(…)

George: JE KENT DE SPELRGELS, MARTHA! GODVERDOMME, JE KENT DE REGELS!

Martha: NEE!

Nick: (Er begint iets tot hem door te dringen) Waar praten jullie eigenlijk over?

George: Ik kan hem dooddoen, Martha, als ik wil.

Martha: HET IS ONS KIND!

George: EN IK HEB HET DOODGEDAAN!

Martha: NEE!

George: JA!

(…)

Martha: Maar waarom? Waarom?

George: Je hebt de spelregels geschonden, schat. Je hebt over hem gepraat… je hebt met iemand anders over hem gepraat…

Martha: (met tranen in haar stem) Dat is niet waar. Nooit.

George: Jawel.

Martha: Met wie? MET WIE?

Honey: (huilend) Met mij. Je hebt met mij over hem gepraat.

Martha: (huilend) IK BEN HET VERGETEN! Soms… soms, ‘s nachts, als het laat is, en … iedereen zit … te praten …dan vergeet ik het en ik … wil niet over hem beginnen… maar ik … HOU VOL … ik hou vol … maar ik hebvaak… gewild … oh, George, je hebt het doorgedreven … ‘t was niet nodig … dit was niet nodig geweest. Ik ben over hem begonnen … OK … maar jij bent TE VER gegaan. Je had hem niet moeten, moeten …dood doen.

Hugo Claus: Vrijdag

(DONKER)

(Plots, geweldig, de popmuziek van eerder in het stuk, Georges en Christiane dansen. Zij soepel en uitbundig, hij wat lomp)

Christiane: Een twee, een twee, ziet ge wel dat gij het kunt. Gij moet U laten gaan, loslaten. Dichtbij. Samen nu.

Georges: (maakt zich los) Het gaat niet. (Hij gaat zitten. Muziek is abrupt gestopt)

Christiane: Gij vreet Uw eigen op. Ik zie U vergaan. Naar de Honeywell en terug, in slaap voor de teevee. Af en toe eens met mijn Moeder. En straks groeit er gras op Uw buik, Pa.

(Zij kust hem op de mond)

(Hij duwt haar weg)

Ik was nog maar dertien of ge waart benauwd als ik U embrasseerde voordat ik naar bed ging. Ge moet niet benauwd zijn, Georges, voor niemand. Gij gaat altijd aan mij peinzen, Uw leven lang. Ik ga mij in U vastschroeven als een vijs.

(Hij is achteruitgedeinsd met zijn rug tegen de muur, naast de gangdeur. Zij lacht ineens heel hard. Stopt)

Gij hebt mij gemaakt. Zonder U zou ik niet op aarde gelopen hebben. Ik ben van U.

(Een lange flard popmuziek)

Ik had ook van een andere gemaakt kunnen zijn. Hoe ga je ‘t weten? Weten de konijnen het, de meikevers? Ik kan er niets aan doen, Georges, gij ook niet. Dingen zijn wij, Georges, en ze trekken en sleuren aan ons aan alle kanten, en als wij niets anders zijn dan dingen, laat ons mekaar vastpakken, tezamen zijn lijk niemand anders op de hele wereld. Niemand is beter, gij ook niet, Georges.

(Zij is nu genaderd en knoopt zijn hemd los)

(DONKER)

Heiner Müller: Hartstuk| vertaling Martin Hartkamp

1. Mag ik mijn hart aan uw voeten leggen.

2. Als u mijn vloer niet vies maakt.

1. Mijn hart is rein.

2. Dat moeten we nog zien.

1. Ik krijg het er niet uit.

2. Zal ik u helpen.

1. ‘t Is mij een waar genoegen… Ik krijg het er ook niet uit. (1 brult) Ik zal het eruit opereren. Waar heb ik een zakmes voor. Dat zullen we wel even fiksen. Doorwerken en niet wanhopen. Ziezo, we hebben het gefikst. Maar dat is een baksteen. Uw hart is een baksteen.

2. Maar het klopt alleen voor u.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

theatertekst
Leestijd 10 — 13 minuten

#110

15.02.2008

14.05.2008

Jan Van Dijck