© Bea Borgers

Rudi Laermans

Leestijd 6 — 9 minuten

Letters from Attica – Begüm Erciyas

Gedeelde woorden

In haar gelijknamige performance die op Kunstenfestivaldesarts in première ging, werkt Begüm Erciyas met kleine fragmenten uit Letters from Attica, die de Amerikaanse revolutionair Sam Melville eind jaren zestig vanuit de beruchte Attica State-gevangenis schreef. Ze worden als zelfstandige brieven gepresenteerd, met een datum, aanhef en slotgroet.

Een revolutionair belandt in 1969 in een zwaarbeveiligde strafgevangenis; hij schrijft en ontvangt brieven, ontpopt zich tot een voortrekker in de collectieve organisatie van de onderling verdeelde groepen in de nor, en laat in 1971 samen met 32 medegevangenen het leven tijdens een vier dagen durende opstand. De revolutionair heet Sam Melville (né Samuel Joseph Grossman), de gevangenis het beruchte Attica State prison. Samen met enkele gelijkgezinden pleegde Melville in 1969 een reeks bomaanslagen in New York uit protest tegen de oorlog in Vietnam. Jane Alpert, een van de mededaders, portretteert haar toenmalige geliefde in Growing Up Underground (1981) als een seksueel dominant en weinig standvastig iemand. Zo plaatste Melville, tegen alle gemaakte afspraken in, een van de bommen op eigen houtje en zonder de bewakingsdienst van het gebouw te verwittigen, wat resulteerde in 19 gewonden. ‘Could this revolutionary I loved actually be a mere drifter, incapable of commitment – to a job, a person, or even to his precious revolution?’, vraagt Alpert zich af. Melvilles volgehouden organisatorische inzet in Attica, die hem geregeld in de isolatiecel deed belanden, suggereert dat hij zich wel degelijk kon engageren voor De Zaak. De gevangenis als leerschool in revolutionaire discipline?

Letters from Attica, gepubliceerd een jaar na Melvilles dood, bevat geen brieven aan Alpert (ze was op de vlucht voor justitie, maar bezorgde via haar advocaat wel een in het boek opgenomen “profile” van haar ex-geliefde). De correspondentie bevat epistels aan en van zijn vroegere vrouw Ruth, hun zoon Jocko, zijn advocaat William Cram, en verschillende vrienden. In haar gelijknamige performance die op Kunstenfestivaldesarts in première ging, werkt Begüm Erciyas met kleine fragmenten uit Letters from Attica. Ze worden als zelfstandige brieven gepresenteerd, met een datum, aanhef en slotgroet. Melville vraagt bijvoorbeeld om de tekst van een song van Dylan of bericht over een ontvangen voedselpakket. De mini-brief aan het einde van de performance is dan weer een uitgesproken politiek credo: we moeten ons committeren aan de constructie van een maatschappij waarin de behoeften van het volk vervuld zullen zijn (ik parafraseer, de zin in kwestie is behoorlijk langer).

Dat Erciyas de gepubliceerde correspondentie van Melville verkruimelde, heeft te maken met de participatieve vorm van haar performance. In Brussel gaat die door in het steil aflopend parkje dat ligt verscholen tussen de Poststraat en de Groenstraat in de morsige Brabantwijk achter het Noordstation. Het verborgene van het parkje creëert enigszins een huit clos situatie, zij het natuurlijk niet die van een totale institutie als de gevangenis: samen met een twintigtal anderen bevind je je eerder in een stedelijke oase. Conform de geldende covid 19-maatregelen worden de gemondmaskerde deelnemers op zo’n anderhalve meter van elkaar geplaatst. De rij loopt om de hoek van een gebouw, zodat je ze nooit in haar geheel kan overzien. Dat is belangrijk voor wat komt. Van achter- of vooraan worden een of enkele woorden, een zinssnede of – na de herhaling van enkele woorden en zinsflarden – een afgeronde zin mondeling van deelnemer naar participant doorgegeven. De miniatuur-brieven beslaan niet meer dan een paar korte regels of een langere volzin. De combinatie van bondigheid met een anekdotische inhoud verandert enkele brieven in kattebelletjes. Tegelijk was het duidelijk een dramaturgische keuze om prozaïsche boodschappen af te wisselen met berichten waarin Melville de barre gevangenissituatie beschrijft en zijn organisatorisch engagement beschrijft, met als finale het al aangehaalde politieke statement dat door het ‘we must’ de kern van een revolutionaire moraal definieert.

Voor de start van Letters from Attica krijg je een briefje toegestopt dat in enkele regels de communicatieve inzet van de performance toelicht. Ze ensceneert inderdaad een situatie die vraagt om wederzijds vertrouwen tussen de onbekenden die als orale intermediair functioneren. Niemand mag de doorgegeven woorden vervormen, terwijl dat makkelijk kan gebeuren. Deze onderlinge afhankelijkheid kan je ook lezen als het opnemen van een gedeelde verantwoordelijkheid: ‘Even if the members of the chain do not know each other, nor the receiver of the message, the care for the message is what all members share.’ In wezen ensceneert Letters from Attica een collectieve medeplichtigheid binnen een situatie waarin de doorgegeven boodschappen geheim moeten blijven. De vorm van de performance alludeert op Melvilles activiteit als agitator in Attica: je kan een opstand binnen de bajes alleen voorbereiden dankzij een ketting van stiekem overgebrachte berichten. Omdat de bemiddelde woorden uit persoonlijke brieven stammen, ontstaat er wel een spanning. De performatieve ketting zit in het register van de orale communicatie en zinspeelt op een ondergrondse samenzwering binnen de muren van een totale institutie; brieven worden daarentegen geschreven, komen van en gaan naar buiten, en hebben vaak een intiem karakter. In beide gevallen staat de communicatie in het teken van geheimhouding, maar de reden verschilt: hier het vertrouwelijk én vrijwillig delen van een persoonlijke ervaring, emotie of gedachte, daar de verplichte discretie van een collectieve clandestiniteit.

De performance hybridiseert het onderscheid tussen intimiteit en clandestiniteit. Persoonlijke schriftelijke communicatie wordt in het bad van geheime orale interactie getrokken, waarbij de modus van de letterlijk interpersoonlijke communicatie – A schrijft of zegt iets aan B – als bruggetje werkt. Door haar vorm focust de performance uiteraard op zeg maar orale clandestiniteit, zonder dat echter de dimensie van intimiteit verdwijnt. Dat lijkt mij geen toeval. Indien Erciyas voluit had gemikt op het ensceneren van een conspirerend geheim genootschap had ze niet voor fragmenten uit Melvilles correspondentie gekozen, maar een andere bron en andere woorden weerhouden. Met de keuze voor de briefvorm als origine van de doorgegeven woorden, bevestigt Erciyas dan ook haar eerdere interesse in de verknoping van intimiteit, stem en communicatie. Want ook al is de inzet een stuk politieker, Erciyas bewerking van Melvilles Letters from Attica ligt thematisch in het verlengde van haar twee vorige producties, Voicing Pieces (2016) en Pillow Talk (2019).

In de installatie Voicing Pieces hoor je jezelf in een paddenstoelvormig hokje tekstregels voorlezen: een intieme ‘zelfcommunicatie’ die je door de vervormingen van je stem confronteert met de tegelijk vertrouwde en onvertrouwde of intrinsiek ‘unheimliche’ (Freud) aard van de eigen stem (zie haar kunstenaarsbijdrage in Etcetera 151). Pillow Talk (zie recensie) is eveneens een participatieve installatie en nodigt je uit tot intieme communicatie met een machine. Letters from Attica maakt in zekere zin de cirkel rond: intieme communicatie (de inhoud van de brieven) wordt op een vertrouwelijke manier hardop aan anderen doorverteld. Het lijkt wel een trilogie, een verkenning in drie stappen van de relatie tussen intimiteit en ‘stem-migheid’ die gaat van het individu over de machine naar de andere(n). Daarbij komt iedere keer een andere deling in beeld: er is geen identiteit tussen persoonlijk spreken en het luisteren daarnaar, tussen mensen en de digitale dispositieven waar we nu al een tijdje structureel aan gekoppeld zijn, en tussen ‘ik’ en ‘andere(n)’. Of juister, er is telkens sprake van een wisselende eenheid-in-verschil. Individueel spreken en luisteren behoeven elkaar, maar vallen niet samen. We kunnen niet zonder digitale datastromen, maar nullen en enen verschillen van betekenisvolle informatie. En de ander waarzonder mijn toe-spreken zinloos wordt, moet tevens van mij blijven verschillen. Noem het de paradox van de twee-eenheid.

Letters from Attica is in alle opzichten een co-performance. Je neemt actief deel en zorgt er zo voor dat de voorstelling plaatsvindt: haar gebeuren is jouw doen. Onder meer aan de twee uiteinden van de mensenketting en op de hoek waar die rij negentig graden wordt gebogen, staan professionele performers. Ze zijn aangevers, eerder dan doorgevers, en ook mogelijke voorbeelden van de theatraliteit waarmee de boodschap wordt bemiddeld: joyeus dan wel fluisterend op een samenzweerderige toon, met veel of weinig articulatie van de woorden, met of zonder ondersteunende gebaren… Iedere deelnemer bespeelt dat scala van mogelijkheden uiteindelijk naar goeddunken. Maar hoe je de boodschap ook relayeert, je zit bij het overdragen onontkoombaar in de rol van een performer die altijd weer opnieuw een korte voorstelling geeft aan de volgende in de rij. Letters from Attica is inderdaad een ‘spreekvoorstelling’ waarin het toe-spreken van een ander met meer of minder reflexiviteit zichzelf representeert. In corona-tijden gebeurt dat wel op een gehalveerde manier. Het verplicht te dragen mondmasker verhult immers het lichaamsdeel dat essentieel is voor orale communicatie. De individualisering bij het doorgeven van de woorden en frasen blijft daardoor beperkt: er is geen aansprekend gelaat, enkel een in tweeën gedeeld gezicht met een persoonlijke bovenhelft en een generisch-artificiële onderhelft. De stem komt zo nog meer op het voorplan, wat past bij het totaalopzet van de performance. Misschien vraagt die dus ook in post-covid 19-tijden om het opzetten van een mondmasker.

Van de drie performances die Begüm Erciyas tot nog toe aan de wisselwerking tussen stem, intimiteit en communicatie wijdde, is Letters from Attica de eenvoudigste en juist daarom de meest precaire. De inzet en de voor de realisatie benodigde operaties kan je op een halve pagina samenvatten. Dat conceptuele raamwerk krijgt echter met elke performance op een andere manier gestalte, afhankelijk van de fysieke context en de betrokkenheid van de deelnemers. Ik participeerde in het Brussels parkje na sluitingsuur, terwijl er ook performances in de namiddag plaatsvonden. Die laatste waren allicht heel verschillend door de aanwezigheid van spelende kinderen of nieuwsgierige passanten waartoe je je als co-performer diende verhouden. Of neem de jonge Oosterse vrouw aan wie ik de gekregen woorden doorgaf. Ze vond de situatie vaak grappig, wat regelmatig in een korte schaterlach uitmondde. Het zorgde al snel voor een specifieke band, die er helemaal anders zou hebben uitgezien wanneer ik de woorden zou hebben gecommuniceerd aan een norse man. Hierin schuilt misschien de uiteindelijke inzet van Letters from Attica: het ensceneren van een tegelijk intieme en sociaal gedeelde ruimte van interpersoonlijke samenwerking, een waarin de performatieve spreekakt die mee de relatie met de andere maakt ondanks de opgelegde taal een onvoorspelbaar gebeuren blijft. Niet zozeer door de referentie aan de figuur van Sam Melville, maar door het reflexief maken van deze contingentie krijgt Letters from Attica een politieke lading.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#161

15.09.2020

14.12.2020

Rudi Laermans

Rudi Laermans is gewoon hoogleraar sociale theorie aan de KU Leuven en is tevens actief als essayist.