KAMP – Het Kwartier / Mariën & von Winckelmann en theater arsenaal
Wanneer de camera weigert te liegen
Evelyne Coussens
© Julie De Meester
Let’s Not Get Used to This Place, een nieuwe publicatie samengesteld door Julie De Meester, Astrid Kaminski en Jeroen Versteele, nodigt de lezer uit tot een caleidoscopisch en spannend overzicht van vijftien jaar Meg Stuart.
Een leeservaring is steeds het product van de ontmoeting tussen een lezer, een boek en een context, die elk hun eigenaardigheden met zich meebrengen. Grafisch ontwerper Sean Yendrys gebruikte zilverkleurige inkt voor een groot deel van de teksten en beelden in Let’s Not Get Used to This Place, een lijvige publicatie rondom het werk dat de choreografe Meg Stuart en haar gezelschap Damaged Goods de laatste vijftien jaar maakten. Vooral de foto’s zijn door het mengsel van hun eigen kleuren met het zilver stuk voor stuk van een buitenaardse schoonheid; de reflecterende zinnen daarentegen lezen niet zo makkelijk weg wanneer je het boek buiten openslaat op een bankje in de zon. Zelf ben ik het soort lezer die graag de opbouw van een boek volgt, van de eerste tot de laatste pagina, zonder veel heen- en weergespring tussen de verschillende delen. Maar in het voorwoord laten de samenstellers Julie De Meester, Astrid Kaminski en Jeroen Versteele me weten dat ik Let’s Not Get Used to This Place evengoed gelijk waar kan ‘binnengaan’: ‘there’s always a track to follow.’
Het advies doet wonderen. Van een opdracht transformeert het meer dan vijfhonderd pagina’s tellende boekwerk in een spannend avontuur: de ene tekst stuwt me steeds weer in de richting van andere teksten. Voortgedreven door het verlangen om mijn vage herinneringen aan een voorstelling terug wat meer contouren te geven, of om een vraag of thema dat zich aandient verder uit te diepen, schakel ik tussen de verschillende hoofdstukken. Die bundelen achtereenvolgens ‘scores and exercises’, ‘performances 2008-2023’, ‘reflections’, ‘video projects’, ‘essays’ en ‘gatherings’.
“Van een opdracht transformeert het meer dan vijfhonderd pagina’s tellende boekwerk in een spannend avontuur: de ene tekst stuwt me steeds weer in de richting van andere teksten.”
Een ontdekkingstocht begint meestal met een bepaalde titel of auteur, die zin geeft om de deur van een tekst open te doen en zich een weg naar binnen te lezen. Neem bijvoorbeeld het mooie essay ‘Existential Kink. How grace arises in Damaged Goods’ “theatre of pointlessness”’, waarin Elke Van Campenhout/Elle Monk spirituele kwaliteiten toeschrijft aan Stuarts fascinerend ongrijpbare, radicaal open danskunst, of Davis Freemans ‘Your Masochism was Endless’, een hilarisch boze brief gericht aan CASCADE (2021), een van de eerste voorstellingen die ik zag na wat, als ik het me goed herinner, de allerlaatste Covid-lockdown was.
‘You attacked us on all fronts,’ schrijft Freeman, die als performer duidelijk nog een eitje te pellen heeft met CASCADE. Naast botsende ego’s, het vertrek van medewerkers en een decor dat eindeloos op zich liet wachten, ging tijdens het creatieproces ook nog eens de hele wereld op slot. Freemans beschrijving van de productionele hel die volgde – ‘cancel-shift-rebook-cancel-shift-rebook tickets-flights-trains-buses-taxis’ – maakt extra nieuwsgierig naar het interview met John Zwaenepoel, wat verderop in het boek.
Al vijfentwintig jaar bekwaamt Zwaenepoel, de algemene manager van Damaged Goods, zich in een kunst die hij trefzeker het ‘produceren van het onbekende’ noemt. Over de impact van de pandemie gaat het interview niet, maar de onvoorspelbare wegen van Stuarts artistieke praktijk vragen op zichzelf al om behoorlijk wat logistieke en budgettaire wendbaarheid. Zwaenepoel vertelt hoe een residentie in het Berlijnse Hebbel am Ufer (HAU), waar de choreografe maandenlang kon experimenteren met allerlei genodigden, zonder een groot budget maar ook zonder concreet doel, onverwacht leidde tot de twee uur en later vier uur durende voorstelling Sketches/Notebook (2013): ‘My work was to preserve and protect these conditions in order to work without a guaranteed output, as the whole project could also have become an elaborate research project, or a one-off performance in Berlin, instead of a touring piece.’
“De sceptische lezer zal misschien opmerken dat die recalcitrante, anarchistische attitude doorgaans gepaard gaat met genereuze institutionele steun.”
In een gesprek met een aantal kunstenaars waarmee ze in 2016, opnieuw op uitnodiging van HAU, het collectieve experiment City Lights – a continuous gathering opzette, benadrukt Stuart hoe noodzakelijk dat spel met de eigen werkcondities voor haar is: ‘After Built to Last (2012) – which was a very structured piece made within the institutional framework of a co-production with the Münchner Kammerspiele, with a large team and clear hierarchies – I wanted a counter-movement.’ De sceptische lezer zal misschien opmerken dat die recalcitrante, anarchistische attitude doorgaans gepaard gaat met genereuze institutionele steun. Het neemt niet weg dat Stuart er zich scherp mee onderscheidt van heel wat andere sterren aan het firmament van de internationale podiumkunsten.
De choreografe lijkt bovendien niets liever te doen dan al die mogelijkheden volop te delen met talloze collega’s uit de dansgemeenschap en daarbuiten. Voor City Lights bezette een groep van een vijfentwintigtal vrouwelijke kunstenaars met diverse disciplinaire achtergronden een week lang het volledige HAU1-gebouw. Ze werkten er samen op een zo horizontaal mogelijke manier, en deelden al hun kruisbestuivingen vervolgens met een publiek. ‘The point was not that it was about women, but that it was crafted and hosted by them,’ zegt de danseres en choreografe Maria F. Scaroni in het gesprek. Voor Mieko Suzuki, een DJ en muzikante die daarvoor nauwelijks ervaring had met hedendaagse dans, bleek de week een keerpunt in haar carrière: ‘If you hadn’t invited me, I wouldn’t be doing what I’m doing now.’
Het belang van ontmoeting, samenwerking en experiment is zodanig groot dat Let’s Not Get Used to This Place onmogelijk een catalogue raisonné kon zijn die enkel en alleen Meg Stuarts voorstellingen inventariseert en de gatherings, scores of oefeningen links laat liggen. Bij een oeuvre-overzicht in boekvorm stelt zich de vraag hoe ‘oeuvre’ en ‘praktijk’ zich daarin tot elkaar verhouden: omvat het oeuvre ook (delen van) de artistieke praktijk of is het er vooral het resultaat, de kristallisatie van? Bied je een inkijk in het atelier of de repetitiestudio?
Samenstellers De Meester, Kaminski en Versteele laten met een multitude van stemmen en tekstsoorten zien dat de grens tussen het werk en het werken bij Stuart bijzonder moeilijk te trekken valt. Hun keuze om de jaartallen van projecten doorheen het boek zoveel mogelijk te verzwijgen – alle praktische informatie vind je gedetailleerd terug op de laatste pagina’s – verlegt de aandacht van de dwingende chronologische fictie van het oeuvre naar de grillige non-lineariteit van de praktijk, vol terugkerende materialen en motieven, koppige continuïteiten, zijsporen en doodlopende straatjes.
“Af en toe voeren die je blik naar een detail, zoals de blote kont die op een bepaalde pagina als een mopje verstopt zit in de marge van een beeld.”
Sean Yendrys en Björn Giesecke deden er goed aan om de exuberante diversiteit van het materiaal niet te beteugelen met een homogeniserende layout, noch zich te verliezen in eclectische willekeur. Hij varieert met een beperkt aantal parameters: drie verschillende soorten papier, zwarte of zilverkleurige inkt voor de tekst, kleurfoto’s met of zonder toevoeging van het zilver, en – als ik het goed heb – slechts één enkel lettertype. De foto’s verschijnen klassiek in rechthoekige beeldkaders, of worden opgeknipt waardoor je enkel mensen ziet zonder de ruimte waarin ze zich bevinden, of ze strekken zich uit over de hele bladspiegel, waar dan weer tekst overheen loopt – soms kronkelend als tekstslangen tussen de lichamen op de foto’s. Af en toe voeren die je blik naar een detail, zoals de blote kont die op een bepaalde pagina als een mopje verstopt zit in de marge van een beeld.
Het blijkt moeilijk om het boek weg te leggen. Steeds weer vooruit- en terugbladerend ontdek je hoe in een artistieke praktijk methodologische, compositorische, theoretische, autobiografische, productionele, maatschappelijke en institutionele elementen naast elkaar bestaan en invloed op elkaar kunnen uitoefenen. Een aantal bijdragen voeren de lezer zelfs relatief ver weg van de microkosmos van een concreet project van Damaged Goods. In het ontroerende Returning to Chile reflecteert Varinia Canto Vila, die onder meer in Stuarts VIOLET (2011) meedanste, over de redenen waarom ze na meer dan twintig jaar werken in de Brusselse en Europese dansscène terugkeerde naar haar geboorteland Chili, en wat dat met haar en haar artistieke praktijk deed.
“Deze publicatie is niet ‘monumentaal’, in de zin van conserverend, verstenend en consacrerend. In al zijn caleidoscopische overvloed wekt Let’s Not Get Used to This Place de voorbije vijftien jaar net opnieuw tot leven.”
Reflections on the Politics of Friendship on a Global Dancefloor is de titel van het vlijmscherpe statement dat Poorna Swami bracht tijdens het door Stuart geco-organiseerde tanzsalon in New Delhi in 2019. Hoewel de danseres en choreografe de neokoloniale dynamieken in de wereld van de hedendaagse dans allesbehalve verbloemt, ziet ze toch mogelijkheden voor een transcontinentale artistieke vriendschap: ‘To me, the most beautiful thing about a friendship is that it can survive messes and frictions. That it is not a blind declaration of affection, but a process in which people can grow into understanding and intimacy.’ Teksten als die van Canto Vila en Swami openen in Let’s Not Get Used to This Place plots een bijzonder weids perspectief.
Zoals Are we here yet? (2010), het door Jeroen Peeters geredigeerde overzicht van Stuarts eerdere werk, is ook deze publicatie niet ‘monumentaal’, in de zin van conserverend, verstenend en consacrerend. In al zijn caleidoscopische overvloed wekt Let’s Not Get Used to This Place de voorbije vijftien jaar net opnieuw tot leven.
Alsof het boek dat punt zelf nog eens wil benadrukken, valt er terwijl ik opsta van dat bankje in de zon een kaartje uit. Het is één van de tweeëntwintig kaarten van Our Blindness, een werk dat de makers Ezra Green en Maria F. Scaroni omschrijven als een ‘oracle deck for engaging collaboratively with the unknown’. Op de voorkant zie ik een tekening van een zaadballetje; op de achterzijde staat: ’Spores are single-celled seeds, released from the mushroom, from the fern, from the moss – tiny packages dispersed on the wind. They travel far and grow where they can.’ Let’s Not Get Used to This Place geeft de talloze ideeën en ervaringen die Meg Stuart en co. opdeden de kans om op onvoorziene manieren door te werken in de toekomst.
Let’s Not Get Used to This Place bevat bijdragen van Jean-Marc Adolphe, Márcio Kerber Canabarro, Tim Etchells, Thomas F. DeFrantz, Philipp Gehmacher, André Lepecki en Eleonora Fabiano, Jeroen Peeters, Gerald Siegmund, Claire Vivianne Sobottke, Maria F. Scaroni, Meg Stuart, Jozef Wouters en vele anderen.
Alle info via www.damagedgoods.be/shop.
De Belgische boekpresentatie vindt plaats op 17 december 2024 in Gent in samenwerking met Kunstencentrum VIERNULVIER, KASK en UGent.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.