© Gilani Raja

Laten we het de volgende keer wel proberen!

Een oproep aan jonge theatergezelschappen om bij de volgende ronde structurele werkingsmiddelen aan te vragen

Er was opvallend weinig te horen en te lezen over het magere aandeel van jonge theatermakers en gezelschappen die een dossier indienden in het segment van de structureel gesubsidieerde organisaties. Waar komt die weigerachtigheid om structurele middelen aan te vragen vandaan? Louis Janssens en Simon Baetens roepen hun generatiegenoten op om het de volgende keer wel te proberen.

Er is uitzonderlijk veel instroom in het veld bij andere disciplines, maar in het theater­landschap zet die trend zich niet door. Nochtans was de slaagkans procentueel gezien erg hoog. Als we naar het overzicht kijken – Kunstenpunt heeft alle gegevens goed bijgehouden – neemt de podiumsector een groot aandeel in binnen het kunstenveld. Daarnaast zijn de podiumkunsten vertegenwoordigd in verschillende disciplines als Dans, Muziektheater, Multi-­ en Transdisciplinair, cross-­sectoraal.

Binnen de commissie Theater stroomden vijf organisaties in: Het Kwartier, Tal & Thee, TransfoCollect, Tristero (opnieuw) en Vincent Company. Slechts vier organisaties stromen uit: Crew, KunstZ, Troubleyn & Ultima Thule. Het is overduidelijk dat zich in het midden tussen de nieuwkomers en de afzwaaienden een groot blok bevindt van organi­saties die al geruime tijd middelen kregen en die ook nu blijven krijgen. Dat zijn, naast gekende organisaties als BRONKS, HETPALEIS, Toneelhuis, Monty, KVS, NTGent, Het TheaterFestival of Theater Aan Zee, vooral de theatergezelschappen. Gezelschappen als DE HOE (fusie tussen Compagnie de KOE en zij­-instromer Hof van Eede), tg STAN, De Roovers, Comp. Marius, Compagnie Cecilia, Needcompany, Laïka, FROE FROE, Ontroerend Goed, sKaGeN, Theater Malpertuis, Theater Antigone, Zuidpool – de meesten van hen ontvangen al jarenlang structurele middelen.

Maar, en nu wordt het interessant, hoeveel organisaties hebben werkingsmiddelen aange­vraagd maar niets gekregen? Er zijn maar erg weinig gefaalde pogingen. Compagnie Lodewijk / Louis en ENSEMBLETHEATER zijn de enige theatergezelschappen die voor het eerst binnen de commissie Theater een aanvraag hebben ingediend, met een negatief advies als resul­taat. Wat is er aan de hand? Waarom hebben zo weinig jonge theatergezelschappen zin in structurele subsidies? Velen vragen zich af of we toch niet onze kans hadden moeten durven te wagen. Gevolg is dat wij – de theatermakers voor wie de indiendatum om uiteen­lopende redenen te vroeg kwam – nu tot 2027 moeten wachten voordat we een nieuwe aanvraag kunnen indienen.

“Het lijkt een vicieuze cirkel: je moet geld aanvragen om te kunnen werken, maar je moet ook al een aanzienlijke werking hebben uitgebouwd om aanspraak te kunnen maken op subsidies.”

Drempelvrees

Een eerste argument dat leeft bij generatiegenoten is dat de drempel om van de projecten­pot naar het volgende niveau door te stromen te hoog is. De strakke deadline van de structurele aanvragen zorgt ervoor dat het voor jonge (nieuwe) theatergezelschappen moeilijk is om hun kans te wagen. Het schrijven van de aanvraag is omvangrijk en té complex. Er is nood aan expertise en het kost tijd om de aanvraag te schrijven, klinkt het dan. Tijd die er niet is, of in ieder geval niet vergoed wordt: hoe organiseer je zo’n schrijf­proces als daar geen middelen tegenover staan? Zo berekende Leontien Allemeersch van Kunstenplatform PLAN B en de Koer dat het schrijven van een projectsubsidie hun organisatie 3.000 euro kost. Dat is geld die een niet­-structureel ondersteunde organi­satie zoals bijvoorbeeld Kunstenplatform PLAN B niet heeft. Laat staan wat het aan tijd en middelen zou kosten om een structurele aanvraag te schrijven. Het lijkt een vicieuze cirkel: je moet geld aanvragen om te kunnen werken, maar je moet ook al een aanzienlijke werking hebben uitgebouwd om aanspraak te kunnen maken op subsidies.

Laat dat eerder praktische argument ons niet tegenhouden: het schrijven van een struc­tureel dossier is net als bij een projectdossier een uitdaging om de plannen helder te formuleren. Het is de uitgelezen kans om te gaan reflecteren, met je partners rond de tafel te gaan zitten en uitdagende theaterprojecten op te zetten. Ja, het zal ons tijd en moeite kosten om structurele dossiers te schrijven. Laten we er net daarom voor zorgen dat we ingelezen en voorbereid zijn.

“Het gevoel heerst dat werkingsmiddelen aanvragen een ver-van-mijn-bedshow is. Dat wij nog te jong en onervaren zijn. Dat dat iets voor anderen is. Maar waarom proberen we het niet gewoon?”

Maar dat verandert niets aan het feit dat de deur naar structurele subsidies slechts om de vijf jaar wordt opengezet. Dat is een ontzettend lange tijd, zeker voor wie van project naar project gaat. Zou het een optie zijn om vaker een structurele ronde te organiseren? Op die manier zou er meer dynamiek kunnen ontstaan in de in­ en uitstroom. Zo’n procedure van tweejaarlijkse subsidie bestond, maar het was volgens sommigen een slecht werkend systeem en het werd onder cultuurminister Sven Gatz (Open Vld) wegbezuinigd. Een belangrijk argument is dat het zowel voor theatergezelschappen als de administratie een gigantisch werk aan extra planlast is, waarbij je elk anderhalf jaar opnieuw een dossier moet schrijven. Het lokale niveau kan daarin voor sommige gezelschappen een belang­rijke tussenrol spelen. Zo kunnen in Gent en Brussel culturele organisaties nog wel struc­turele werkingsmiddelen aanvragen (om bijvoorbeeld één zakelijk medewerker in dienst te nemen), in Antwerpen bestaat dat op lokaal niveau ook niet meer.

Het lijkt een eng idee om als beginnend theatergezelschap met je dossier op tafel te liggen naast dossiers van gezelschappen met bakken ervaring en een grote productionele en zakelijke machine. Moet een gezelschap dat voor het eerst van de projecten-­ naar de struc­turele pot wil groeien beoordeeld worden aan de hand van dezelfde criteria als pakweg een stadstheater dat jaarlijks een stevige portefeuille te beheren heeft? We moeten ervan uitgaan dat commissieleden die afweging zelf wel kunnen maken. Ze hebben daarnaast ook zicht op de hele subsidiehistoriek van de aanvragers. Bovendien kan het inspirerend zijn om naast voorstellingen en artistieke projecten ook een eigenzinnige werking uit te tekenen. Om als theatermakers en gezelschappen na te denken over onder meer fair prac­tice, goed bestuur en het organiseren van een langetermijnvisie.

En toch hebben we het allemaal niet durven te proberen. Voor organisaties en makers als pakweg K.A.K., Collectief herman, WOLF WOLF, Camping Sunset, Desnor, Lien Thys & Tim Bogaerts, Teletext, Hanafubuki, More Dogs, tibaldus, Dinsdag.org, KRAPP, Ballet Dommage, Collectief dOFt, DESCHONECOMPANIE, THERE THERE Company, oester, Bosse Provoost & Ezra Veldhuis, SLAK, Woodman, Atelier GLIP, frieda en ga zo maar door kwam deze ronde allicht op een verkeerd moment. Sommige samenwerkingen verkeerden het afgelopen jaar in crisis, bestaan ondertussen zelfs niet meer of zijn zich nog volop aan het ontwikkelen en organiseren. Anderen laten zich ondersteunen door reeds bestaande organisaties of zijn opgegaan in een gezelschap. Sommigen hebben het allicht overwogen of zijn het heel bewust niet aangegaan.

Nog los van de vraag of wij hier allemaal aan toe zijn, is de eerste vraag uiteraard of wij als makers überhaupt interesse hebben in een structurele werking en de administratieve workload en langetermijnvisie die daarbij komt kijken. Maar toch lijkt vooral het gevoel te heersen dat het een ver­-van-­mijn-­bed-show is. Dat wij nog te jong en onervaren zijn. Dat dat iets voor anderen is. Maar waarom proberen we het niet gewoon? Het zou nochtans een belangrijke boodschap aan het veld zijn: wij willen hier ook aanspraak op kunnen maken.

© Gilani Raja

De kostprijs van de vrijheid

Naast de drempelvrees is het ook zo dat onze manier van werken er anders uitziet dan bij theatergezelschappen die twintig of dertig jaar geleden begonnen zijn. Steeds meer makers en spelers maken deel uit van verschillende gezelschappen en organisatievormen. Ze bewegen zich tussen uiteenlopende los­-vaste collectieven en zijn zo in één seizoen in verschillende constellaties op scène te zien. Anders dan bij leden van een collectieve werking die af en toe een uitstap maken naar een ander gezelschap, gaat het om indivi­duele kunstenaars die al deze projecten mee maken en er vrijwel altijd ook in spelen.

Er lijkt dus een nieuwe vorm van structureel werken te zijn: een die zich centraliseert rond een individu in plaats van rond een collectief. Al die tijdelijke samenwerkingen worden bekostigd met projectsubsidies, met een wildgroei aan vzw’s en ontelbare uren onbetaald denk­ en schrijfwerk. Het is een model dat bij de tijd past: onze generatie werkt project­matig met elkaar samen, niet structureel. En daar zijn toch de projectsubsidies voor? Waarom zouden dan al die los­-vaste collectiefjes structureel gaan indienen?

Steeds meer jonge mensen willen liever parttime dan fulltime werken, zodat ze daar­naast nog ruimte hebben voor andere projecten, voor freelancewerk of voor vormen van tijdsbestedingen die niet productief zijn. Er zijn ontegensprekelijk positieve aspecten aan die evolutie: zelfzorg wordt eindelijk naar waarde geschat en er lijkt een besef te komen dat werken niet het enige belangrijke is in het leven. Dat voelt als een verademing die vrijheid creëert.

Maar ook bij kunstenaars die nergens vast in dienst zijn zien we dit soort verlangen naar beweeglijkheid: in plaats van samen te vallen met één gezelschap met een naam en een website en een bureau, bouwen de spelende makers van vandaag hun identiteit op uit verschillende samenwerkingsverbanden en legio esthetieken. Kiezen voor kunstenaar­schap lijkt daardoor op het eerste gezicht misschien minder onze hele carrière te bepalen dan bij de generaties die samen afstudeerden, met de klas een gezelschap oprichtten en veertig jaar later nog steeds samen theater maken.

Een voorstel dat bijvoorbeeld al vaker werd geopperd: zorg dat er meer financiële moge­lijkheden bij de artiest terecht komen. Stel je voor dat zo’n theatermaker/speler die deel uitmaakt van een aantal samenwerkingen een eigen portefeuille kan aanvragen en zo zelf kan investeren in uiteenlopende projecten bij verschillende gezelschappen. Je eigen voor­stellingen coproduceren, zeg maar. In principe staat er nergens in het Kunstendecreet dat je als individuele kunstenaar niet kan aanvragen – denk aan Myriam Van Imschoot, die nu met Newpolyphonies instroomt, net als not standing van Alexander Vantournhout.

Tegelijkertijd dreigt een dergelijk mechanisme ook de verregaande individualisering verder in de hand te werken en de structurele werkingen volledig te ondermijnen of over­bodig te maken. Toch is het interessant en hoogst noodzakelijk om alternatieven te blijven verbeelden en de subsidiemachine niet zomaar als vanzelfsprekend te zien. Wellicht zijn er best wel wat verfrissende constructies te bedenken. Duidelijk is dat er binnen commissies als Multi­- en Transdisciplinair organisaties aanvragen die hun werking op een spannen­dere manier organiseren dan het klassieke oermodel van een theatergezelschap. Laat het een inspiratie zijn voor onze structurele aanvragen van de toekomst. Laten we net als ons hybride theaterwerk ook verfrissende structurele samenwerkingen opzetten.

© Gilani Raja

In- en uitstroom: hebben we nood aan een sluiswachter?

Maar zover zijn we nog niet. Binnen de huidige situatie claimen gezelschappen als tg STAN, Marius, De Roovers, DE HOE, Zuidpool en SKaGeN (vooral in Antwerpen) een groot deel van het kapitaal maar ook van de mentale ruimte. Het is een onmogelijke opdracht om een van deze schijnbaar incontournabele theatergezelschappen te vervangen door een nieuw gezelschap.

Wie durft het aan om daarover te beslissen? Naast de positieve beoordelingen werden ook alle theatergezelschappen die als advies ‘positief buiten budget’­ kregen uiteindelijk meegenomen, en het gevolg is nu dat ze allemaal zijn blijven bestaan. Dat is, op persoonlijk niveau, uiteraard heel begrijpelijk. Elke theatermaker gelooft rotsvast in de eigen ideëen en is overtuigd van zijn bestaansrecht. Daarnaast zijn en hebben ze medewerkers in dienst die kinderen hebben, een huis af te betalen hebben, enzovoort – dat schaf je niet zomaar af. Maar als we even uitzoomen lijkt dit toch een onhoudbare situatie.

Bovendien is het jammer dat uitstroom zo’n taboe is. In principe is het perfect mogelijk om binnen het decreet een dossier in te dienen dat de afronding van een organisatie aankon­digt, of de overdracht van een gezelschap in andere handen. Je kan via de variabele begro­ting zelfs jaar na jaar de enveloppe verkleinen. Al te vaak blijven gezelschappen hoofdza­kelijk bestaan omdat ze nu eenmaal veel mensen in dienst hebben, een gebouw bezitten en de verantwoordelijkheid over een financiële reserve dragen. Begeleiding vanuit de overheid om dergelijke casussen af te ronden zou wellicht heel wat zuurstof genereren voor andere spelers in het veld. Het ontbreekt aan visie rondom uitstroom, staat ook duidelijk in de reflectienota van de Alden-­Biesen Groep en de nota van de Landschapscommissie.

“Al te vaak blijven gezelschappen hoofdzakelijk bestaan omdat ze nu eenmaal veel mensen in dienst hebben, een gebouw bezitten en de verantwoordelijkheid over een financiële reserve dragen.”

‘Waarom is er geen gezelschap dat zegt: wij dienen nu voor een laatste keer in en gaan de komende vijf jaar gebruiken om onze uitstroom te organiseren?’ Op die manier kom je niet voor verrassingen te staan maar kan je ervoor zorgen dat spelers, technici en medewerkers hun weg in het veld kunnen vinden. Organisaties als Rosas en Collegium Vocale hebben minder aangevraagd, net om ruimte te maken en zich intern anders te gaan organiseren.

Of waarom geen open call uitschrijven: wie wil ons theatergezelschap overnemen? Wie wil onze middelen, expertise en ruimte gebruiken om een nieuw verhaal te vertellen?

Generatiestrijd

Uitstroom is misschien taboe, maar instroom is hip en trendy: in vrijwel alle plannen van bovenstaande gezelschappen werd aangekondigd dat er in de toekomst met jonge mensen gewerkt zal worden. Jonge makers en spelers staan bij allen duidelijk hoog op de agenda en werden prominent uitgespeeld in de dossiers. Het lijkt dan ook een belangrijke parameter te zijn geworden om relevant te blijven binnen het kunstenveld.

Hoe groot het onderscheid tussen jong en oud blijft, zal nog moeten blijken. Ben je écht deel van de club of toch vooral een extraatje? Mag je even komen meedoen, of krijg je een stoel rond de tafel en een evenwaardig (anciënniteit in rekening gebracht) salaris? Nu veel organisaties minder middelen hebben ontvangen, wordt binnen de geactualiseerde beleidsplannen vooral op de ‘ontwikkelingsprojecten’ bespaard. In plaats van die nieuwe stemmen voorop te plaatsen en veilig te stellen, sneuvelen jonge theatermakers als eerste bij de rodebalpenoefening die iedereen maakt na het lezen van het toegekende bedrag.

We willen er geen polariserende generatiestrijd van maken. Maar hebben we onszelf zo niet net laten binnenhalen, inkapselen en daarmee ongevaarlijk maken? Waarom willen we zo graag meespelen in bestaande structuren, stijlen en tournees? Hadden we niet beter zélf voor een alternatief gezorgd? We hebben de commissie Theater eigenlijk weinig mogelijkheid gegeven om écht voor iets ‘nieuws’ te gaan.

“We willen er geen polariserende generatiestrijd van maken. Maar hebben we onszelf zo niet laten binnenhalen, inkapselen en daarmee ongevaarlijk maken?”

Als je door het recent gepubliceerde boek De collectieven: een unieke theatergeschiedenis (2022) bladert, zie je een hele reeks gezelschappen en collectieven passeren. Wat opvalt is hoe vaak er vermeld staat: ‘Wegens het wegvallen van subsidies is de groep opgehouden in het jaar … ’. Vooral in Nederland werden een aantal theatergroepen de afgelopen jaren zwaar getroffen. Opvallend binnen het Nederlandse veld is dat de in-­ en uitstroom er veel dynamischer lijkt te verlopen: organisaties hebben soms een periode geen structurele middelen, daarna weer wel en later weer opnieuw niet. Het zorgt voor een precaire en spannende situatie waarin een theatergezelschap bij elke ronde de structurele middelen mogelijks kan verliezen. Maar daarnaast zorgt het ook voor de uitdaging om blijvend spannende artistieke plannen te ontwikkelen en lijkt het nieuwe gezelschappen wel makkelijker ruimte te bieden.

In een ideaal theaterveld gaat het toch om én een repertoiregezelschap én een jong queer-­beeldend­-jeugd-theater­gezelschap? Het landschap wordt net rijker door een veel­heid aan stemmen, stijlen en ideeën. Maar klopt dat wel? De zalen zijn nu al moeilijk te vullen en de meeste huizen beslissen net om minder te gaan doen. Minder produceren, minder presenteren en programmeren. Door het gebrek aan visie van de overheid zijn er geen keuzes gemaakt en blijft het aanbod vanuit het veld gigantisch. Alle structurele gezelschappen willen spelen, maar lopen nu tegen elkaar op voorstellingen te verkopen. Maar kunnen huizen als Monty, Kaaitheater of CAMPO in één seizoen nog álles van STAN, DE HOE, Lazarus én De Roovers programmeren en daarnaast nog ruimte bewaren voor ons, jonge makers? Bovendien ontvingen vrijwel al die presenterende huizen als gevolg van datzelfde gebrek aan visie uiteindelijk wél geld, onafhankelijk van wat voor advies ze van de bevoegde commissie kregen, maar te weinig om hun bestaande werking te verduurzamen of uit te breiden. Gevolg: iedereen speelt de komende jaren minder.

Toekomstige structurele gezelschappen

Over een jaar zal duidelijk worden welke impact de afgelopen structurele ronde uiteinde­lijk écht heeft gehad op het kunstenveld. Eens de kaarten geschud zijn en de stoelendans is afgerond, zal pas echt voelbaar worden welke gaten er zijn geslagen in het landschap, welke nieuwe vragen en noden zich stellen. Maar ook welke nieuwe mogelijkheden voor ons zichtbaar worden.

Net daarom wil deze tekst vooral de hand in eigen boezem steken: wat dom van ons dat we het niet eens geprobeerd hebben! Wat gaan wij in de tussentijd doen? In afwachting van 2027 (aanvraag indienen op 1 december 2026) zullen we ons, zeg vanaf volgend jaar, daarop moeten gaan voorbereiden. We zullen ons moeten gaan organiseren, ontwik­kelen en groeperen – uiteraard in nauwe samenwerking met bestaande organisaties en theatergezelschappen uit het veld. Het idee dat elk theatercollectief een eigen printer, koffiemachine, bureau of zelfs repetitieruimte nodig heeft, lijkt stilaan onhoudbaar te zijn. Al zijn sommige kunstenaars allicht net wel gebaat bij een eigen structuur. Er zal gezocht moeten worden naar manieren om ons zakelijk en organisatorisch te gaan binden aan elkaar. Maar vooral: we moeten nú beginnen, zodat we het alvast niet aan een gebrek aan tijd kunnen wijten.

In de afgelopen Vlaamse projectsubsidieronde van 15 september 2022 werd duidelijk dat zelfs structurele organisaties nog moeilijk kunnen coproduceren. Door besparingen, stijgende energieprijzen en indexeringen gaan de middelen vooral (en begrijpelijk) naar de eigen organisatie en werking. Het opzetten van onze eigen productiestructuren zou daarop een antwoord kunnen bieden. Er werden binnen het veld al verschillende uitda­gende modellen ontwikkeld met wisselend succes. In Brussel organiseren productiestruc­turen als ROBIN, SPIN, Outline en het vroegere Manyone zich specifiek rond een aantal artiesten. De afgelopen jaren ontwikkelde GRIP binnen Dans een belangrijk choreogra­fisch platform.

Kan de geweldige locatie van Troubleyn overgenomen worden door een aantal nieuwe gezelschappen die de plek zo weten te zuiveren, en een nieuwe boost geven aan zowel het Antwerpse als het Vlaamse theaterlandschap? Kan er overkoepelend worden samenge­werkt met gezelschappen uit Leuven, Brussel, Gent, Antwerpen en Oostende? In aanloop naar de afgelopen structurele ronde werd veel over inclusie, verjonging, verandering gesproken. Maar waar zijn ze, de gekleurde dansgroepen, de artistieke dragcompagnies, de ecofeministische repertoiretheatergezelschappen? Bestaan ze niet, willen ze niet of durven ze niet? Liever te vroeg, dan te laat.

 

Met dank aan onze vrienden, collega’s & alle andere gesprekspartners uit het veld. Gebaseerd op de cijfermatige analyse van Kunstenpunt.

 

Illustraties: Gilani Raja

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 15 — 18 minuten

#170

15.12.2022

—

14.03.2023

Simon Baetens, Louis Janssens

Simon Baetens werkt als theatermaker, dramaturg, performer en recensent. Hij werkte samen met o.a. Lisa Vereertbrugghen, Thomas Verstraeten, Micha Goldberg & Rosie Sommers en Pablo Lilienfeld & Federico Vladimir. In 2024 maakte hij de voorstelling I’m Not Done.

Louis Janssens studeerde Drama aan het KASK in Gent en werkt als acteur en theatermaker. Samen met Ferre Marnef vormde hij van 2012 tot 2022 het theatergezelschap Desnor. Als docent is hij betrokken bij de opleiding ‘Acteren’ aan het Conservatorium Antwerpen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!