‘Lange dagreis in de nacht’ (KVS) Foto Leo Van Velzen

Johan Callens

Leestijd 4 — 7 minuten

Lange dagreis in de nacht

Koninklijke Vlaamse Schouwburg, Brussel

Franz Marijnen is een ontdekkingsreiziger, en niet alleen omdat hij ooit Jules Verne achterna ging en de toeschouwers peripatetisch onderhield. Van Polen tot de Verenigde Staten, Nederland, België, Duitsland en Italië exploreerde hij acteurs in ruimtes. Soms had hij oog voor de leegte (weliswaar een barokke leegte), soms voor de planeten en sterren. Op zijn tocht kwam hij ook randgevallen tegen.

Lange dagreis in de nacht van Eugene O’Neill is er zo één, een stuk dat solt met bestaande natuurwetten, een zwart gat, nageboorte van een geïmplodeerde supernova, waarvan de lichtflits ons alsnog bereikt heeft. Voor het eerst opgevoerd in 1955, twee jaar na O’Neills dood, maar geschreven in 1939-41 en gesitueerd in 1912. ‘Look in my face. My name is Might-Have-Been; I am also called No More, Too Late, Farewell.‘ Vader James Tyrone, moeder Mary, zonen Jamie en Edmund : allen worden ze verteerd door bittere spijt om wat verloren is. De evenaring, zelfs overtreffing van Edwin Booth; de onschuld van de kloosterlinge of de roem van de concertpianiste; de verlossing van de verslaving (drug en drank); de extatische versmelting met de natuur. Wat normaal achter de optische horizon verdwijnt, wordt hier aan de oppervlakte gebracht in een felle gloed. Daarna verhult de dichte mist van New London, het melkwegstelsel, alles opnieuw, tot de volgende voorstelling.

In de K.V.S. kon je het aan den lijve ondervinden. Het overheersend zwart-wit decor van Santiago del Corral oogde misschien als een realistische huiskamer, de vochtplekken op muren en plafond herinnerend aan het ‘krot’ dat Mary meent te bewonen. Maar buiten de Grieks aandoende zuil en de bronzen ruiter op de bibliotheekkast, die resp. O’Neills tragische inspiratie en het Amerikaanse pioniersverleden symboliseerden, markeerde het de diepere krachtlijnen van O’Neills stuk.

Langs de traversen van de ramen zoog het zwarte vierkant achteraan als een magneet de vrijgekomen energie naar zich toe. Het lattenwerk van de zij- en voorgevels en van de jaloezieën verscherpten dit effect. De trap was minder spectaculair als in het Raamtheater aan het Zuid. Eindeloos draaide die daar de hoogte in en vertaalde zo Mary’s dwaaltochten door het verleden. In de K.V.S. echter zorgde de verlichte erker van Mary’s kamer, samen met de luchter en het nachtlampje vooraan op de set, voor een nieuwe vertikale as. Vanuit die kamer -boven het speelvlak- beheerste Mary de gesprekken in de huiskamer. De zichtbare erker maakte haar aanwezig in al haar afwezigheid. Het omgekeerde was ook waar. Met haar witte haar en witte jurk vervluchtigde de figuur als een schim in het witte decor en leverde daarmee het negatief van Edmunds mystieke ervaringen op zee.

Eigenlijk is er nauwelijks verschil tussen moeder en zoon. Net zoals zijn schepper (O’Neill/Mary), wordt Edmund verteerd door een doodsverlangen. Daarom was het zinvol dat Wim Danckaert even in de verduisterde trappengang ging zitten. Daarom loopt Edmund zo graag in de mist langs het water : het is net alsof hij dan op de bodem van de zee wandelt. “As if I had drowned long ago. As if I was a ghost belonging to the fog, and the fog was the ghost of the sea. It felt damned peaceful to be nothing more than a ghost within a ghost.” Gek genoeg verwijt hij zijn moeder hetzelfde te verlangen : “The hardest thing to take is the blank wall she builds around her. Or it’s more like a bank of fog in which she hides and loses herself.

Naast de horizontale en verticale assen werd er tijdens de slotscène een derde as door het speelvlak getrokken, evenwijdig met de rand van het podium. Wanneer Mary de trap afdwaalde, zaten de drie mannen op een rij voor zich uit te staren. Binnen dit stramien, dit netwerk van assen werden de posities uitgestippeld, de machtsstrijd opgevoerd.

Naast structuur kreeg de produktie ook ritme mee. Jan Joris Lamers zei onlangs dat acteren tellen is. En in Stella gebruikte Anne Teresa De Keersmaeker metronomen op de scène. Binnen het geometrisch patroon (waaraan de rotan zetels enigszins afbreuk deden, als uit angst voor verdere stilering) werd er snel gespeeld. Nerveuze oprispingen en plotse woedeuitbarstingen wisselden af met geladen stiltes. Na de pauze daalde het tempo en namen de emoties de bovenhand, soms op het randje van het schmieren. Maar over het algemeen werden de teugels strak gehouden. Misschien iets te strak voor Tyrone, die in Senne Rouffaers vertolking zijn leven lang niet vergooid kon hebben aan ham-werk. Stuk voor stuk rouwen de personages ook om zichzelf. In die zin was de keuze van Edward Hoppers “Cape Cod Mourning” op de affiche raak : een eenzame vrouw die uit het raam leunt, de blik op nergens. Door het pulserende spel en de onderhuidse spanningen was de toon van de produktie allesbehalve romantisch-elegisch maar des te boeiender. De paradoxale gevoelens kwamen ook beter tot hun recht : Jamie’s liefde/haat voor Edmund, Mary’s verlangen en angst om alleen te zijn, om in nood te bekennen en uit trots de schijn hoog te houden.

De belichting sloot hier bij aan : wit eerder dan geel, dankbaar gebruik makend van de overvloedig aanwezige ramen. Soms resulteert dit in mooie clair-obscurs, soms in een film noir sfeer. Zo wachtte James Tyrone op de veranda, eerder dreigend dan berustend, tot de dronken Jamie ingeslapen was, om zijn entree te maken. Glurend maakte hij het publiek bewust van zijn rol als kijker en zijn inbreuk op O’Neills privé-leven. Er waren ook momenten van twijfelachtiger allooi. Wanneer tijdens zijn nachtelijk onderhoud met Edmund, Senne Rouffaer/James Tyrone ostentatief zijn gezicht boven het nachtlampje houdt, jaagde hij op een goedkoop, spookachtig effekt.

Alles bij elkaar, behandelde Marijnen O’Neills stuk niet als relikwie maar hij beperkte toch duidelijk zijn ingrepen, zoals Tillemans en Schoenaerts indertijd. Misschien dat een radicale lectuur van het stuk een klein mirakel vereist. Vraag is of mirakels van deze tijd zijn. (Lourdes kampt nu reeds met een tekort aan heilig water). Laat ons dus vrede nemen met deze produktie als hekkensluiter van de voorbije O’Neill viering.

Gezelschap : K.V.S.;

regie : Franz Marijnen;

tekst : Eugene O’Neill;

vertaling : Henry Schmabers;

decor : Santiago del Corral;

licht : Steve Kemp;

kostuums : Mechtild Schwienhorst;

spelers : Chris Lomme, Bien De Moor, Wim Danckaert, Ronnie Waterschoot.

Gezien in K.V.S. te Brussel op 21 september 1990.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Johan Callens

recensie