© Heloise Faure

Leestijd 6 — 9 minuten

Lamenta – Siamese Cie/Koen Augustijnen & Rosalba Torres Guerrero

Een poging tot rouw

In Lamenta gaan negen Griekse dansers onder leiding van Koen Augustijnen en Rosalba Torres Guerrero (Siamese Cie) aan de slag met moirolói, traditionele klaagliederen uit Epirus in het noordwesten van Griekenland. Net als in het eerdere Badke (2013) van Les Ballets C de la B waar Augustijnen en Torres Guerrero voor het eerst samen aan het roer stonden, is een volkstraditie het bronmateriaal van waaruit ze vertrekken. Deze ontmoeting tussen traditie en het hedendaagse levert helaas niet de beloofde spanning op.

Verdwaald tussen oud en nieuw

‘’t was machtig eh? Ja ’t was echt stiefgoed’, klinkt het in de stadsschouwburg in Brugge na afloop van Lamenta van Siamese Cie. Driekwart van de zaal bedankte de performers net daarvoor nog met een staande ovatie. Het publiek is duidelijk onder de indruk van deze laatste worp van Augustijnen en Torres Guerrero. Gek is het dan als je een van de weinigen bent die blijft zitten; niet goed wetend of wat er net gebeurd is wel echt zo stiefgoed was. De opzet van de voorstelling staat haarfijn uitgelegd in de brochure, toch is het moeilijk te rijmen met wat er net op scène plaatsvond.

Waar in Badke de Palestijnse volksdans dabke binnenstebuiten gekeerd werd met internationaal succes tot gevolg, is het nu de beurt aan de Griekse moirolói: trage doorvoelde ‘liederen van het lot’ met een sterk improvisatorisch karakter en de klarinet als hoofdrolspeler. Moirolói worden opgevoerd ter ere van een afscheid bij een begrafenis of wanneer iemand trouwt of emigreert. Het was op reis in Griekenland dat Augustijnen en Torres Guerrero in contact kwamen met deze traditie en erdoor gefascineerd geraakten. Gevoed door het verlangen naar hedendaagse rituelen om om te gaan met rouw en verlies, groeide die fascinatie uiteindelijk uit tot Lamenta.

Tegelijkertijd verwoordden de makers de wens om aan de hand van Lamenta op zoek te gaan naar hoe traditionele dansvormen naar het heden gebracht kunnen worden ‘zonder hun ziel te verliezen’. Zoals Moirolói helpen bij het aanvaarden van verlies en afscheid, zo verlangen de makers dat datzelfde proces van loslaten hen kan helpen bij het ontwikkelen van een nieuwe danswoordenschat. Een torenhoge verwachting die ze binnen deze voorstelling niet weten waar te maken. Lamenta blijft steken in de fascinatie voor het onderwerp, zonder dat die fascinatie tot bij het publiek – of toch tot bij mij – geraakt.

Hyperkinetisch Klaaglied

Lamenta is een hyperkinetisch stuk dat aan een rotvaart voorbijvliegt. Negen performers, gekleed in uitvoerige zwart-wit kostuums, doorlopen in hun dans vrij expliciet alle stadia van rouw: ‘van droefheid naar herontdekte vreugde, van absolute uitputting naar loslaten, van stille contemplatie tot Dionysische explosie,’ aldus de brochure. De voorgestelde beelden passeren echter te snel om die stadia echt belichaamd te zien. Op een lege scène wisselen bombastische groepschoreografieën elkaar in hoog tempo af. Voortdurend breken één of meerdere dansers uit het kluwen. Er wordt zacht gewiegd, hard gestampt. Nu is er een plots duet waarbij tegen de zwaartekracht gevochten wordt, dan weer een poging tot intimiteit terwijl de rest erop staat te kijken. Er is nauwelijks ruimte voor verstilling in de voorstelling. Er is voortdurend beweging, voortdurend muziek.

Bij de start van het creatieproces vroegen de makers aan enkele muzikanten uit de streek rond Epirus om een hedendaagse interpretatie van de klaagliederen te maken. Resultaat: een eclectische soundscape die eveneens traditie met het hedendaagse wil vermengen, maar vooral zeer van de hak op de tak aanvoelt. De muziek was er vóór de dans en de voorstelling lijdt onder deze hiërarchie. Beweging en muziek staan elkaar in de weg. Geen van beide komt daardoor volledig tot hun recht. De grootte van het speelvlak in de stadsschouwburg van Brugge kan er ook voor iets tussen zitten. Voortdurend lijken de performers elkaar voor de voeten te lopen. Wanneer er verschillende duetten of solo’s tegelijkertijd plaatsvinden, voelt het warrig en onbestemd. De focus is onscherp. Op een groter speelvlak biedt de afstand die tussen de verschillende groepjes ontstaat waarschijnlijk meer adem.

Ademruimte die de voorstelling zeker kan gebruiken. Zelfs als een groot deel van de groep zich achterin de scène terugtrekt, blijft het vooraan gewoon voortdenderen. Een danseres danst zich helemaal de vernieling in en blijft voor dood achter op het voorplan. Nog voor dit moment bestaansrecht krijgt, wordt ze alweer wakker gemaakt door een collega. Er ontstaat een duet dat de potentie toont om de kortstondige pathetiek te overstijgen, maar ook dit wordt meteen losgelaten voor iets nieuws.

Het is deze dichtheid die het me belet om de voorstelling binnen te geraken. Je krijgt als kijker geen ruimte om zelf met de fascinatie van de makers aan de slag te gaan. Zeldzaam zijn de momenten waarop de muziek heel even stopt, waarop we de adem van de dansers horen en we hun lichamen echt in ons kunnen opnemen. Voor een fractie van een seconde zet het de voorstelling op een kier, lijkt er iets te gebeuren. Voor je er echter in slaagt om een glimp op te vangen van wat erachter schuilt, wordt ze alweer dichtgeslagen en gaat de trein verder. Het gebeuren blijft op die manier op een afstand.

Ritueel zonder noodzaak

Het blijft giswerk waar gebruik wordt gemaakt van een bewegingstaal die eigen is aan de folkloristische dansstijl en waar die overvloeit in hedendaagse interpretaties. Bijgevolg is het moeilijk te oordelen in hoeverre de voorstelling slaagt in haar opzet om de traditie van de moirolói naar haar hand te zetten. Ze geeft nergens inkijk in wat moirolói precies zijn, hoe zo’n lied functioneert en binnen welke context. In principe zou dit niet mogen uitmaken, alleen slaagt Lamenta er niet in om een betekenisvolle synthese op te voeren.

Ja, er zijn de herkenbare volksdansmotieven: ritmisch voetenstampen en klappen op het lichaam, het ronddraaien als een derwisj of de rondedans in groep. Ook de kostuums verwijzen lichtjes naar klassieke Griekse klederdracht. Het is echter onduidelijk in hoeverre deze verwijzingen nu eigen zijn aan de specifieke gewoontes die de makers bestudeerd hebben in Epirus of eerder ontleend aan een ‘algemeen’ volksdansrepertoire. Als het de bedoeling was om de lokale moirolói op die manier universeler te maken en te verbinden met andere klaagliederentradities in de wereld, komt dit helaas niet over. Clichés en exotisme loeren al snel om de hoek. Het voelt aan als een vervlakking van het subjectieve en complexe gegeven van een afscheidsritueel.

Er zijn ook de knipogen naar hiphop, breakdance of modern vloerwerk, maar de nevenschikking van deze hedendaagse elementen naast de traditionele leidt geenszins tot de beoogde nieuwe woordenschat. Laat staan dat het ons iets leert over hoe we vandaag nieuwe rituelen kunnen ontwikkelen om te rouwen. De bezwering en het transcendentale karakter, eigen aan sommige traditionele volksdansen, wordt alleszins nooit bereikt. Niet in het minst omdat de voorstelling de moirolói uit hun eigenlijke context losrukt en in een toneelzaal neerplant. De organische noodzaak om een klaaglied te berde te brengen ontbreekt en voelt hier gemaakt aan.

In de perstekst uiten de makers de hoop dat de tradities uit Epirus niet verloren gaan. Het is aan de hedendaagse Griekse dansers om ervoor te zorgen dat ze niet opgeslokt worden door de Westerse populaire cultuur. Een terechte bezorgdheid, maar eentje die ook terug te kaatsen is naar Lamenta zelf. Je voelt in heel de omkadering van de voorstelling dat er geprobeerd is met liefde en respect om te springen met het onderwerp, met eerbied voor de lokale tradities. Elke performer is geboren en getogen in Griekenland en dus opgegroeid te midden van die tradities. De muzikale leiding én uitvoering zijn in handen van Griekse artiesten en ook de helft van het dramaturgenduo is Grieks. Dat exotisme-argument is dus misschien te snel gemaakt. En toch wringt het, toch voelt de performance ontheemd, lijkt ze losgetrokken van de roots van waaruit ze proberen te putten.

Het door een hedendaags prisma halen van de volkse traditie doet voor mij binnen de context van Lamenta afbreuk aan de kracht van de moirolói. Het levert geenszins nieuwe inzichten op die ons vandaag opnieuw met verlies leren omgaan. Eerder blijft het steken in het vormonderzoek. En rouw laat zich niet zomaar in een vorm gieten, laat staan zo’n strakke en op spektakel beluste vorm als Lamenta. Het improvisatorische karakter dat bij de moirolói zo belangrijk is, raakt volledig ondergesneeuwd. Er is geen ruimte voor eigen accenten, voor een persoonlijke uiting van pijn.

Waar is de breuk?

Kortom, wat ontbreekt binnen de interpretatie van Augustijnen en Guerrero Torres zijn de ruimte voor persoonlijke invulling en affect. Afscheid en rouw zijn iets pijnlijks, maar maken een essentieel onderdeel uit van het leven. Aan die donkerte zijn echter ook onvermijdelijk humor en lichtheid verbonden. ‘There’s a crack in everything that’s how the light gets through’, zong Cohen. Waar zit de breuk in deze voorstelling? Nu is het één geut, een stroom die nooit stopt waardoor alles in eenzelfde onbestemde energie vervalt en zijn reliëf verliest.

Ik duik het internet in op zoek naar wat moirolói nog kunnen zijn. Op YouTube vind ik een amateuropname van een authentiek opgevoerde moirolói. Het is een en al crack: de hoofdklarinettist die met aangestoken sigaret de longen uit zijn lijf speelt terwijl lachende kinderen speels hun oren dichtduwen voor het kabaal. Op een gegeven moment worden alle muzikanten van een verse scheut drank voorzien door een toeschouwer terwijl ze onverstoorbaar verder spelen. Op plastieken stoelen en picknickdekens zitten omstaanders rustig keuvelend de muziek in zich op te nemen. Het is die imperfectie, die lichtheid die de tragiek van de klagende muziek zoveel visceraler binnen bokst.

In dat licht herinner ik me een van weinige momenten dat ik toegang kreeg tot Lamenta: helemaal tegen het einde aan verstilt de muziek – de opname is op, de laatste anderhalve minuut bewegen de dansers zonder muzikale begeleiding. Ze voeren een rondedans op die het midden houdt tussen een sirtaki en een dabke, het doet denken aan de bekende rondedans van Matisse. Ze lachen en ze trekken elkaar vooruit. De persoonlijkheden achter de performers komen piepen. Er wordt plezier gemaakt. Als er iets is dat me raakt wanneer het over rouw gaat, dan is het dat.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Simon Knaeps

Simon Knaeps studeerde acteren aan het conservatorium van Antwerpen en theater- en filmwetenschappen aan de UA. Momenteel is hij werkzaam in het jeugdwerk. Hij is tevens lid van makerscollectief ilBrigata.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!