© Stef Van Alsenoy

Leestijd 4 — 7 minuten

Lalaei – WALPURGIS & Zwerm

Lalaei gaat over krachtige vrouwen, over vrouwen die zich niet tot zwijgen laten brengen, maar niet met de opgefokte, activistische boodschapperigheid die tegenwoordig in veel hippe festivalformats te vinden is. In dit kleine, volmaakte vertelconcert zoeken en vinden vrouwen van vroeger en nu met een natuurlijke vanzelfsprekendheid hun agency.

Als je Lalaei zelf als wiegeliedje beschouwt, dan is het er wel een van de grimmige soort. Maar misschien is dat ook nodig. Misschien zijn de babydochters van vandaag – want ja, specifiek over moeders en dochters gaat het – meer gebaat met een verhaal, hoe gruwelijk ook, over de manier waarop ze hun stem kunnen opeisen, dan met een schaap met witte voetjes. Het contrast binnen het concept van Lalalei, een productie van het Antwerpse muziektheaterhuis WALPURGIS en gitaarcollectief Zwerm, wordt gevormd tussen het schijnbaar ‘zoete’ muzikale geraamte van de voorstelling – de wiegeliedjes – en het verhaal dat daartussenin wordt geweven, en dat allesbehalve zoet is.

In de intieme setting (de Gentse Handelbeurs zorgt voor een clubopstellling met tafeltjes en schemerlampjes) zitten vrijwel evenveel mensen op als voor het podium. De leden van Zwerm (Toon Callier, Johannes Westendorp, Bruno Nelissen en Kobe van Cauwenberghe) arrangeerden samen met percussioniste Karen Willems de wiegeliederen die afkomstig zijn uit het Midden-Oosten en door de Iraanse zangeres Sarah Akbari in het Turks, Koerdisch, Hebreeuws en het Perzisch worden gezongen. Daartussenin, tussen de muzikanten maar ook tussen de muzikale lijnen in, beweegt zich de Frans-Britse schrijver en verteller Marie Phillips. Ze weeft op een bescheiden, onnadrukkelijke manier de liederen aan elkaar door een verhaal dat start in het nu (‘Recently I was at a party’) maar al gauw de wijk neemt naar een mythisch verleden: het gruwelijke Griekse verhaal van Procnè en Philomela, een van Ovidius’ Metamorfosen.

Die sprong is interessant, want het gaat niet zomaar om het naast elkaar leggen van twee verhalen; de psychologie erachter is complexer. Phillips’ eigen verhaal start luchtig, op een heerlijke tongue-in-cheek-manier. Op een feestje ziet ze hoe een man toekomt met zo’n patser-fiets met dikke banden. ‘This bike belongs to a wanker’, is haar eerste associatie. De realiteit blijkt erger. Ze komt erachter dat de man een oude bekende is: lang geleden verkrachtte hij een vriendin van Phillips. Het was zo’n verhaal uit de ‘grijze zone’, waarover de vriendin, vervuld van schaamte, nauwelijks durfde te spreken.

Wat te doen, in zo’n situatie, op zo’n party? Je wil schreeuwen maar je zwijgt, en ‘het was niet de eerste keer dat ik niets zei’, observeert Phillips zichzelf genadeloos. Hoe vind je, zo direct en onverwachts geconfronteerd met de realiteit van mannelijk geweld, de juiste woorden? Het is de machteloosheid, het schaamtevol verstomd zijn, die Phillips naar het domein van de mythen drijft: wat ze in het hier en nu niet gezegd krijgt transponeert ze naar een oud verhaal – waar wél gesproken wordt, waar wél recht geschiedt. Lalaei eert daarmee de mythe, die aloude vorm van storytelling, uitdrukkelijk als kathartische tool. En door het hervertellen van Ovidius’ verhaal krijgt Phillips, met terugwerkende kracht, grip op de gebeurtenis in haar eigen tijd.

Procnè en Philomela laat zich snel samenvatten. Twee koningsdochters, onafscheidelijke zussen, worden door het huwelijk van een van hen gescheiden: Procnè huwt de Thracische Tereus en vertrekt met hem overzee. Spoedig wordt hun zoontje Itys geboren.  Vele jaren later smeekt Procnè, verteerd door heimwee, haar man om haar zus te halen. Maar wanneer Tereus met zijn schip terugkeert vertelt hij zijn vrouw dat haar zus overboord is gevallen en verdronken. In werkelijkheid houdt Tereus Philomela in een burcht gevangen om haar als seksslaaf te misbruiken – na protest van het meisje snijdt hij haar tong af. Philomela laat zich echter niet verstillen: ze weeft haar verhaal op een kleed en laat dit aan haar zus bezorgen, die zo de waarheid ontdekt. De wraak van de twee zussen is bloedstollend: ze slachten de kleine Itys (een man, ook hij) en geven Tereus zijn zoon te eten.

“De stem staat centraal in Lalaei, in al haar facetten: als troostende bron van geborgenheid, op het niveau van de wiegeliedjes, maar ook als waarheidsspreker, als instrument van verzet.”

De stem staat centraal in Lalaei, in al haar facetten: als troostende bron van geborgenheid, op het niveau van de wiegeliedjes, maar ook als waarheidsspreker, als instrument van verzet: dezelfde moederlijke stem die de baby veiligheid en bescherming belooft zal het kind later moeten inwijden in de gevaren van een wereld vol mannelijke dominantie en seksueel geweld. Maar dat een stem niet kan en mag ontnomen worden, dat ze desnoods een weg vindt via het weefgetouw om haar verhaal te vertellen, dat is misschien wel de belangrijkste boodschap van Procnès gruwelijke wiegeliedje. Ovidius laat de zussen uiteindelijk de vrijheid vinden in de metamorfose: ze veranderen respectievelijk in een zwaluw en een nachtegaal, en Philomela krijgt zo alsnog haar tong, haar lied terug.

Muzikaal gezien valt deze leek terug op een wel zeer beperkte woordenschat om het palet aan klanken en gezangen van Lalaei te omschrijven: dit concert is ‘eclectisch’, ja, daar is dus alles en niets mee gezegd – excuus. Het is wonderlijk om te zien hoe de traditionele gezangen van de erg charismatische Akbari moeiteloos aansluiten op de bliepjes die de leden van Zwerm uit hun elektronische alaam toveren, of hoe Willems prachtig met Akbari samenzingt en vervolgens weer op haar drumstoel klimt voor een staaltje dromerige percussie. Phillips’ stem en de elektrische ondersteuning doen soms denken aan Kim Gordon en de rauwe postrock van Sonic Youth – maar ook dit is niet meer dan persoonlijke associatie. Dit zijn artist’s artists, jawel, zo bewijst ook de erg beperkte zaalbezetting, maar eigenlijk vraag je je af waarom dat zo dient te zijn: ondanks de onconventionele mix van geluiden en gezangen is er niets high brow aan Lalalei, dit is in zijn uitvoering geen concert voor ingewijden. Alles verloopt vanzelfsprekend en doet buitengewoon ‘ambachtelijk’ aan – tastbaar, lijfelijk, ondanks het indrukwekkende arsenaal aan elektronica op het podium.

Blijft nog de vraag nazinderen: is het genoeg, deze ‘zoete’ vorm van taking back control? Is deze sublimatie van vrouwelijke vernedering en machteloos zwijgen in woord, in klank, in narratief voldoende om de woede te kanaliseren? Is Ovidius’ finale uitkomst (de mooie vogeltjes mogen blijven zingen), maar ook die van Lalaei zelf, geen flauwe domesticatie van de righteous rage? Had Phillips de man op het feestje niet gewoon op zijn bakkes moeten slaan, in plaats van er hier op het podium een verhaal over te komen vertellen? Procnè en Philomela reageren in de eerste plaats met genadeloos, extreem ‘onvrouwlijk’ geweld, niet met een lied. Is het spreken een afdoende antwoord op fysiek geweld? En wat leren we onze dochters eigenlijk over hun recht op wraak?

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#167

15.03.2022

14.05.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!