‘L Train to Eldorado’ (Squat) – foto Bob Van Dantzig

Dirk Verstockt

Leestijd 4 — 7 minuten

L Train to Eldorado

Squat Theatre, Amsterdam

Squat Theatre. Legendarische Hongaarse theatergroep die, in Exil, sinds 1976 haar woon- en werkplaats heeft in New York, na tussenstops in Nederland en Frankrijk. Squat Theatre dat eenmaal in Brussel te gast was (1979), één voorstelling van Andy Warhol’s Last Love beleefde en prompt verboden werd wegens schending der goede zeden.

Squat Theatre, het familietheater van Stephan Balint en Eva Buchmuller waar Eszter Balint, het hongaarse nichtje in de film Stranger Than Paradise -altijd op wandel met I’ll put a spell on you van Screamin’ Jay Hawkins-, de klappen van de zweep leerde. Squat Theatre, de ultieme vermenging van theater, film, video, performance, plastische kunst tot een eigenzinnig en intrigerend surrealisme. Squat Theatre en zijn afsplitsing, uit pure noodzaak, Love Theatre dat in 1986 te gast was bij Mickery met The Chinese (zie Etcetera nr. 15) Squat Theatre, via Hongaarse ogen de Amerikaanse kosmos op zijn kop gezet en doorgelicht.

L Train to Eldorado dus. Deze produktie werd gecreëerd in opdracht van BAM-Next Wave Festival en het Art Bureau in Münich. Première had plaats in december 1987. Kaaitheater had deze produktie een plaats gegeven in haar eerste seizoensprogrammatie (87-88), maar door allerlei moeilijkheden (zaal-technische ?) haalde ze nooit een Brussels podium. Dit seizoen raakte Squat Theatre dan toch in Europa en stonden ze, onder meer, op de affiche van het Holland Festival. Deze L Train to Eldorado sluit aan bij het vorige werk Dreamland Burns en het geplande Killing Time.

In een twaalftal scènes wordt het verhaal verteld van een zekere James, Mijnheer Niemand, een akteur van kleine rollen, die langzaam maar zeker de vernieling ingaat. Zijn vrouw gaat bij hem weg , hij krijgt haast geen opdrachten, probeert zelfmoord te plegen, raakt op de dool en verandert uiteindelijk in een boom. Maar het is evengoed het verhaal van de rol die James vertolkt in een film die wordt gedraaid door een stel ‘saters’ en aan wiens willekeur James is overgeleverd. Die twee verhaallijnen lopen voortdurend door elkaar en ik weet nooit in welk verhaal ik zit, dat van de echte James of dat van de James die James speelt ? Dit spel tussen realiteit en fictie, op twee verkeerde benen zetten, wandelt voortdurend doorheen de gehele voorstelling.

De toon wordt van bij de openingsscène aangegeven. Op een ‘bigger than life’ geschilderd paneel zien we man en vrouw in een bed, après l’amour, in a long hot summer. Aan de voet van het bed ligt een Duitse herder te slapen. Ik zit midden in een B-film. De gezichten van beide figuren worden op het paneel geprojecteerd en via die film weten we dat de vrouw het voor bekeken houdt en weg wil. In al zijn macho wil James zich van geen kwaad bewust worden. (Deze openingsscène was reeds te zien op het melige History of Theatre (Part II), dat Mickery in oktober 1988 opzette in Hal 4 te Rotterdam.) Dit procédé komt later niet meer terug in de voorstelling.

In een opeenvolging van scènes volgen we de verboming van James. De scènes zijn onderling gescheiden door indrukwekkende decorwisselingen. Squat Theatre dat vóór dit werk vooral klein opgezette produkties met weinig technische middelen speelde, mocht zich hier mateloos te buiten gaan aan al het speelgoed dat zo’n grote schouwburg te bieden heeft: beschilderde doeken, die de sfeer van een verwoeste en geruïneerde binnenstad weergeven, vliegen razendsnel de toneeltoren in. Projectieschermen suizen naar beneden, films worden geprojecteerd. Op een bepaald ogenblik is heel de scène leeg, zien we de achterwand van de stadsschouwburg, waarin de dubbele centrale deur openvliegt en gedurende een tiental seconden kijk ik in de ontzettend lange gangen van de ateliers. Alle decors ademen een sfeer van verval, verrotting, al zijn de kleuren kitsch en candy. Verlangen naar een andere plaats, ontsnappen aan de grauwe stad wordt aangegeven door een sentimentele muurschildering van een tropisch strand in een valsgouden zonsondergang. Op de hoek staat een vuilbak te branden. De clichés worden niet uit de weg gegaan en zelfs heel dik in de verf gezet: in de eindscène waar James al helemaal boom is, heeft hij een ontmoeting met een jong meisje, Rebecca, tegen wie hij praat. Het sprookjesachtige wordt nog eens onderstreept door de wolken kunstmist die over de scène vloeien en in de zaal stromen. Scenografisch zit de hele voorstelling vol van dit soort uitvergrotingen.

Dit zet zich ook door in de structuur : de scènes hebben de lengte van een gemiddelde Dallas-scène, telkens onderbroken alsof er elk moment een reclame-spot kan volgen. In deze zin is deze L Train to Eldorado Amerikaans tot in de vezels. De clichés blijven gehanteerd, maar dan in een Dallas van de grootstadlosers : telefoons die op het verkeerde moment rinkelen (net als James zelfmoord wil plegen), tabak en drank voor het soelaas, brutale buitenlandse regisseur, de moeder die tegen wil en dank wil blijven geloven in de goedheid van haar ‘boy’, gefilmde subway-scènes, de love-song (tussen de geschilderde bakstenen woonblokken is West Side Story vlakbij.), het kinderlijke geloof dat alles ooit nog ‘s goed zal komen. The American Dream, kortom. Slechts één figuur ontsnapt aan deze logica: de geïmmigreerde (Oosteuropese ?) hustler en scharrelaar die allerlei verkoopt om in leven te blijven : loterijbriefjes, dassen, horloges… Hij koestert zijn eigen ‘irrationele’ code, zet de taal op zijn kop en geeft er nieuwe betekenis aan (zie ook Down by Law).

Onder de pletwals van scenografische hoogstandjes houden de acteurs zich nauwelijks staande. Ondanks de zendmicrofoontjes, die er voor zorgen dat we hun woorden ‘loud and clear’ ontvangen, bereikt ons in wezen niets. Ze doen hun ding, vlak en kleurloos. De pop-art stripfiguren die ze verbeelden blijven van papier en de krachteloosheid kan nooit de bedoeling geweest zijn. Moedeloosheid en tamheid zijn geen synoniem. Misschien zit het acteren in kleine ruimtes hen nog te veel in het bloed, om te kunnen optornen tegen de galmende leegte van zo een grote schouwburg.

Hopelijk was deze produktie een broodnodig leerproces om de overgang van klein- naar grootschaligheid te kunnen voltooien en zal Squat voor Killing Time de balans weer in evenwicht brengen. Ondertussen valt er andere tijd te doden.

L Train to Eldorado

Gezelschap Squat Theatre;

tekst & regie Stephan Batint;

muziek Arto Lindsay & Peter Scherer,

decor Eva Buchmuller,

acteurs Mark Boone jr, Eszter Balint, Peter Berg, Jan Gontarczyk, e.a..

Gezien in Stadsschouwburg Amsterdam in het kader van Holland Festival, 30 juni 1989.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Dirk Verstockt

recensie