Cecilia De Moor

Leestijd 5 — 8 minuten

Kunst en recht: kan het ene zonder het andere?

Kunstenaars worden, of ze het nu willen of niet, zoals anderen opgescheept met de administratieve en juridische omkadering van hun beroep. Zij worden beschermd tegen een aantal risico’s via de sociale zekerheid en dragen zij hiervoor bij, ze sluiten overeenkomsten, ze betalen belasting op hun beroepsinkomsten, ze zijn eventueel onderworpen aan de BTW,…

De huidige regelgeving, ondermeer op het vlak van de sociale zekerheid en de belastingen, houdt niet altijd rekening met de specifieke werkomstandigheden van de kunstenaars. Een reeks opvallende problemen werd in het verleden reeds onderzocht en geïnventariseerd. Vanuit verschillende hoeken werd er naar oplossingen gezocht. Zo bogen ACOD-Culuur, vzw Kultuur-werk en het Vlaams Theater Instituut zich over een aantal problemen waarmee de podiumkunstenaars die free-lance werken worden geconfronteerd. Dit onderzoek met concrete oplossingen, bracht basismateriaal aan voor een wetsvoorstel van Jan Peeters, Patrick Hostekint en Leo Peeters.

Van september 1991 tot september 1992 werden, met de steun van de Franse gemeenschapsminister van cultuur, een reeks ronde-tafelgesprekken georganiseerd waarin kunstenaars, organisatoren, ambtenaren van betrokken diensten, en andere geïnteresseerden telkens bepaalde thema’s aanpakten. Deze thema’s betroffen zowel de podiumkunstenaars als scheppende kunstenaars en gingen verder in op verschillende rechtstakken (sociale zekerheid, fiscaliteit, individuele en collectieve arbeidsverhoudingen). De gesprekken werden gevoerd op basis van een dossier, met een uitgebreide inventaris van problemen en concrete oplossingen, opgesteld door André Nayer en Suzanne Capiau, twee vorsers van het Centre d’Etudes et de Recherches Pluridiscplinaires, een onderzoeksinstituut verbonden aan de ULB, en auteurs van het basiswerk “Le droit social et fiscal des artistes”, uitgebracht in 1987. De huidige Franse gemeenschapsminister van cultuur, Eric Tomas, stelde in september 1993 het eindrapport van deze besprekingen voor. Hierin zijn een hele reeks concrete oplossingen opgenomen.

In een persmededeling verklaart de Vlaamse gemeenschapsminister van cultuur, Hugo Weckx, dat ook hij als pleitbezorger wil fungeren voor de kunstenaars en werk wil maken van een aangepast statuut. Zo nam hij contact op met de bevoegde federale ministers, Miet Smet (Tewerkstellling), André Bourgeois (KMO’s), Philippe Maystadt (Financiën) en Bernard Anselme (Sociale Zaken) om hen aan te sporen deze problematiek binnen hun bevoegdheden te behandelen. Ook premier Jean-Luc De-haene en begrotingsminister Herman Van Rompuy werden aangesproken.

Tussen woorden, onderzoek en daden, blijkt nochtans een grote kloof te bestaan. Een brief of vrijblijvende contacten blijken niet voldoende om de bevoegde overheden en hun administraties tot kunstenaarsvriendelijke reflexen aan te zetten. Een schrijnend voorbeeld van warse ambtenaren die tegen alle logica en zelfs tegen hun eigen minister in, een consequent kunstenaars-onvriendelijk beleid volgen, vindt men in het dossier rond de bedrijfsvoorheffing op inkomsten van niet-inwonende podiumkunstenaars.

Het reizen in binnen- en buitenland maakt integraal deel uit van het leven van een podiumkunstenaar. Dit reizen maakt de toepassing van sommige regels, bijvoorbeeld de belastingheffing, moeilijker. Maar dit is een mes dat langs twee kanten snijdt.

Voor de belastingadministratie is het soms moeilijk om de inkomsten die betrekking hebben op prestaties in het buitenland terug te vinden. Heffing van belasting in het land van optreden en niet in het woonland, lijkt hiervoor een eenvoudige oplossing.

Voor de kunstenaar brengt deze oplossing een aantal problemen mee. Hij zal telkens in een ander land belastbaar zijn, volgens andere regels, met andere afrekeningen,… Bovendien is het niet zo dat het inkomen altijd eenvoudig kan opgesplitst worden naar elk optreden apart toe. Zo kan hij bijvoorbeeld een globale maandwedde krijgen, doch repeteren en/of optreden in 3 verschillende landen. Heffing in het land waar hij of zijn werkgever of opdrachtgever gevestigd zijn, lijkt voor hem de meest logische oplossing.

In de gevallen waarin kunstenaars in opdracht of in dienstverband van gezelschappen, orkesten of andere juridische gestructureerde organisaties werken, is de moeilijkheid om bepaalde geldstromen op te sporen trouwens zo goed als nihil. Die organisaties zijn in hun land van vestiging onderworpen aan regelgeving zoals ondermeer voorschriften m.b.t. de boekhouding en jaarrekeningen en worden daar gecontroleerd. Voor de gesubsidieerde organisaties komt er, naast het normale toezicht, bovendien nog de controle van de subsidiërende overheid bij.

Een goede regeling probeert een evenwicht te vinden tussen de verschillende belangen en houdt zo veel mogelijk rekening met de kenmerken van elke situatie. In de huidige praktijk is dit echter absoluut niet het geval. Een zo ruim mogelijke wetsbepaling moet de heffing op de inkomsten van niet-inwonende podiumkunstenaars die in België optreden, koste wat koste, mogelijk maken. De heffing van de belasting gebeurt via bedrijfsvoorheffing, die meteen ook eindbelasting is. Men voorziet bovendien dat de voorheffing ook verschuldigd is wanneer er niet rechtstreeks aan de kunstenaar wordt uitbetaald. Uit de voorbereidende werken blijkt dat de invoering van deze laatste bepaling er duidelijk op gericht is misbruiken te voorkomen.

Aan de oorspronkelijke bedoeling, de correcte technische uitwerking en de problemen bij de invoering van dergelijk systeem, wordt echter geen enkele aandacht besteedt. Er wordt bij het invoeren van de regeling geen uitleg verschaft, noch aan de belastingplichtigen, noch aan de eigen controleurs via circulaires; de admininistratieve commentaar wordt niet aangepast. De toepassing door de individuele belastingsambtenaren, die van bovenhand blijkbaar niet gecoördineerd wordt, gaat veelal volledig in tegen de logica van de nieuwe wetsbepaling en is technisch gezien vaak onjuist en onwettelijk.

Kunstenaars, organisatoren en onderzoekers kaarten deze problematiek reeds sedert jaren aan, doch veelal tevergeefs. Na twee jaar van onduidelijkheid, probeert de minister van financiën de regeling vanaf 8 oktober 1992 beter sluitend te maken, overigens op een niet overtuigende wijze. Niet alle problemen en technische onduidelijkheden worden opgelost of uitgewerkt.

De minister heeft wel oog voor de problemen die in de eerste jaren na de invoering van het nieuwe systeem (sinds 1991) opdoken. In juli 1993 gaat hij voor de eerste maal iets dieper in op de technische uitwerking van het systeem, en dit in een circulaire. Dit document is in principe bindend voor de belastingsambtenaren die de regeling in de praktijk moeten uitvoeren. Hij erkent hierin ondermeer dat de bedrijfsvoorheffing in bepaalde gevallen niet verschuldigd is gedurende de periode van onduidelijkheden die dateert van voor de eerste aanpassingen aan het systeem. Het gaat dan om de gevallen waarin niet aan de podiumkunstenaar, “maar aan een ander natuurlijk persoon of rechtspersoon” wordt betaald.

Onlangs bleek dat zelfs deze circulaire bepaalde ambtenaren uit het Gentse niet afschrikt om in de net omschreven gevallen toch betaling van de voorheffing te eisen voor die periode. Het ging om een betaling aan een buitenlands gezelschap. De originaliteit waarmee sommige belastingcontroleurs hun wensen voor werkelijkheid houden, tart soms elke verbeelding. Men gaat zelfs zover te opperen dat een gezelschap geen “andere natuurlijke of rechtspersoon” is dan de kunstenaar en dat er dus wel aan de kunstenaar werd betaald.

Dergelijke redenering is enerzijds een manifeste ontkenning van de eigenheid van de structuur van de rechtspersoon waarmee men nu net een bepaalde werking, meestal een samenwerking, via een juridische constructie een eigen entiteit wil geven. Het is technisch onjuist en bovendien onmogelijk om de inkomsten van een rechtspersoon, die een eigen activiteit heeft en daarvoor net inkomsten verwerft, zo maar, aan de personen die in dienst zijn, of zelfs aan de personen die de structuur hebben opgericht, toe te schrijven.

Met een dergelijke redenering begeeft men zich anderzijds op een gevaarlijk terrein. Kan een juridische constructie een kunstenaar zijn? Kan een gezelschap, als rechtspersoon, op zich een artistieke activiteit uitoefenen en dus als kunstenaar worden aanzien? Gezelschappen zorgen voor het technisch en administratief kader dat de artistieke activiteit van de kunstenaars mogelijk maakt. Dit maakt van hen geen kunstenaars. Dat de creatie het voorrecht van de mens blijft, is en blijft m.i. essentieel.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#44

15.02.1994

14.05.1994

Cecilia De Moor

artikel