Het Misverstand, Theater Argus

Win Van Berkel

Leestijd 6 — 9 minuten

Kunnen alle vertolkers staan en lopen?

Begin 1994 vond het Koninklijk Landjuweel plaats, het grote concours van het amateurtheater. Win Van Berkel en Kurt Vanhoutte zagen enkele boeiende voorstellingen maar vooral een festival dat – in zijn 56ste jaar – aan verstarring lijdt.

Van 15 januari tot 26 februari 1994 werd in het Centrum voor Amateurkunsten (CVA) te Brussel-Anderlecht het Koninklijk Landjuweel gehouden. Deelnemers waren Rederijkerskamer Jhesus met der Balsemblomme uit Gent met Maak madame niet wakker van Jean Anouilh, Rederijkerskamer De Bloeyende Wijngaerdt uit Berchem met Harold en Mande van Colin Higgins, Theater Hellespot uit Kortenberg met Het haar van de hond van Hugo Claus, Toneelkring Rembert uit Torhout met Hedda Gabler van Henrik Ibsen, Toneelkring Werkgroep 66 uit Brugge met Kinderen van een mindere God van Mark Medoff en Theater Argus uit Sint-Niklaas met Het Misverstand van Albert Camus.

Het CVA bedacht een randprogramma met theater, muziek, poëzie, fotografie en Dwarsweg, een wekelijks terugkerende speaker’s corner waar ondergetekenden verondersteld werden de even tevoren geziene voorstellingen te analyseren. Aan de uitreiking van het Landjuweel werd in dit kader een “randjuweel” toegevoegd.

Verwachte kwaliteit

Het Landjuweel laat een verstarde indruk na. Om te beginnen is er de keuze van de deelnemers: de kandidaten worden gekozen door een commissie waar de jury integraal deel van uitmaakt. De commissie hanteert criteria die zo goed als ongewijzigd zijn sinds 1922. De belangrijkste hiervan zijn geografische spreiding en verwachte kwaliteit.

Er wordt getracht alle Vlaamse provincies aan bod te laten komen. Mogelijke kwaliteit wordt op die manier ondergeschikt aan de grenzen van een administratieve kaart. De idee dat de gezelschappen vragende partij zijn, moet hiervoor wijken: bij gebrek aan een Brabantse delegatie nam de jury zelf het initiatief en verzocht Theater Hellespot deel te nemen. Deze groep speelde bovendien Het haar van de Hond van Hugo Claus en genoot dan ook van de twijfelachtige huisregel dat gezelschappen die een Vlaams auteur brengen sowieso een extra premie krijgen.

De richtlijn omtrent de verwachte kwaliteit veronderstelt dat de commissie de door haar geselecteerde voorstellingen niet gezien heeft. Wel wordt gekeken naar de staat van dienst van de gezelschappen die zich als het ware met adelbrieven moeten bewijzen. Dit betekent dat de Landjuweelcommissie te rade gaat bij de jaarlijkse rapporten van de Provinciale Amateurtornooien, aan de hand waarvan subsidies werden toegekend. Op die manier kunnen vooral de best gesubsidieerde gezelschappen meedingen naar het Landjuweel (wat is deze prijs meer dan een bijkomende betoelaging?) maar bovendien getuigen deze lijsten van een belerende visie op theater. Het is in deze verslagen van de eerste ronde dat we de aanzet vinden van het soort theater dat op het Landjuweel zal komen te staan. Een aantal mogelijk interessante voorstellingen valt bij voorbaat uit de boot, omdat de groepen zich niet kunnen identificeren met de gesloten festivalstructuren of omdat ze niet passen in het subsidiringssysteem dat al een eerste sluis vormt naar het Landjuweel.

De provinciale raad voert haar taak uit met een haast mathematische zin voor nauwgezetheid. De evaluatie gebeurt telkens via een “beoordelingsblad” dat bestaat uit een twintigtal gestandaardiseerde vragen. De taak van de heren juryleden bestaat er dan in twintig keer het gepaste hokje – van “zeer goed” tot “onvoldoende” – aan te kruisen. Het spreekt dat een gefixeerd evaluatiemodel als dit iedere vernieuwende of van het model afwijkende creatie op voorhand uitsluit. De lijst wemelt van vragen die gaan van “Heeft de groep de inhoud van het drama begrepen?”, “Past het drama in de sociaal-culturele doelstellingen van de groep?”, tot “Kunnen alle vertolkers staan en lopen?” Het theater wordt hier gereduceerd tot een vehikel van de tekst. In één adem wordt ook de dramatekst teruggeschroefd naar een eenduidige, schijnbaar objectief vaststelbare betekenis, één interpretatie waarover de jury zich het alleenrecht toeeigent om vervolgens iedere andere opvatting als onjuist af te doen.

Conformisme

Welke gevolgen heeft dat alles voor het profiel van het Koninklijk Landjuweel? Vooreerst zijn er de theatermakers die zich met het oog op het festival oriënteren naar de – voorspelbare – smaak van de jury. De groepen die niet in dergelijk conformisme vervallen, zijn zo slecht vertegenwoordigd (Theater Argus met Het Misverstand en in mindere mate De Bloeyende Wijngaerd met Harold en Maude) dat ze op het geheel van het festival weinig of geen impact hebben.

Wie het spel meespeelt, gehoorzaamt de regels. Deze houding vertaalt zich in dorre opvoeringen die getuigen van een fantasieloze tekstbenadering en een vlakke verbeeldingskracht. Zelden is er een moment dat blijk geeft van een eigen interpretatie of een markant inzicht. In de meeste gevallen is de voorstelling weinig meer dan een lezing van de woorden zoals de auteur die heeft neergeschreven. Van een theatrale verwerking, laat staan van een theatraal spel van de tekst is geen sprake. Persoonlijk accenten die de geest van de theatermaker en vooral van zijn/haar tijd uitdrukken, blijven achterwege zodat de meesten niet verder komen dan een volstrekt achterhaald anekdotisch realisme. Maar al te vaak wordt het publiek geconfronteerd met een oninteressante, oppervlakkige weergave van de werkelijkheid. De houdbaarheidsdatum van de gehanteerde vormgeving is door de tijd onleesbaar geworden, zodat het hele festival zich lijkt af te spelen in een parallel universum dat niets met de werkelijkheid van doen heeft.

Symptomatisch voor het ziektebeeld van deze voorstellingen die lijden aan een oubollig theaterperspectief zijn de stijlbreuken. Het is alsof de realiteit niet buitengesloten kan worden, maar tegen wil en dank binnensijpelt door de barsten en groeven van een achterhaald realisme; De hardnekkige genre-conventie moet op die momenten plaats ruimen voor een expressionistisch aandoende, meer suggestieve theatertaal. Maar meer dan pogingen om een opvoering een verhullend modern kleedje aan te meten zijn dit niet. De onoprechtheid en de machteloosheid waarmee deze elementen binnengehaald worden, ontmasker je moeiteloos als geposeerd engagement. De lege ruimte, het spel op de grens tussen speler en toeschouwer, de introductie van een verteller – het zijn allemaal trucjes om een vale enscenering een hedendaags kleurtje te geven.

Hoop

De enige hoop in dit desolate landschap bood de slotvoorstelling door Theater Argus. In een regie van Stef De Paepe brachten zij met Het Misverstand van Albert Camus, een werk dat alleen al op tekstueel niveau sterk verschilde van de andere stukken. Deze tekst kan opgevat worden als een filosofisch traktaat, belichaamd door de mythische personae die de handeling dragen. Dit gegeven maakt het stuk niet makkelijker om te spelen. Vooral het gevaar van een gratuite anekdotiek zoals gehanteerd door de overige deelnemers is groot. Zo een gemakkelijkheidsoplossing zou Het Misverstand reduceren tot een licht verteerbare fait divers, een triviaal misdaadverhaal in een hotel. Hier echter boorde de regie een vervreemdende acteerstijl aan die de tekst in een ritualiserend, mythisch kader plaatste. Op deze manier werd geprobeerd de gelaagdheid van het stuk op te sporen. In een zoektocht naar de kern werd alle overtollig ballast overboord gegooid en het spel tot een absoluut minimum herleid.

Dergelijke invalshoek mag dan wel de tekst op het voorplan plaatsen, het markante verschil met de andere opvoeringen ligt in de drijfveren achter deze benadering. Hier geen overgave aan de tekst vanuit een onmacht deze te verwerken, maar vanuit een bewuste keuze in de omgang ermee. Uit de aanpak sprak de spanning van zoeken zonder de volledige route op voorhand vast te leggen in functie van een vermeend einddoel. Dat het onderweg kan mislopen, komt meer op rekening van het risico dan dat het te wijten is aan een keuze voor fantasieloze zekerheden. Zo werd zwaar geïnvesteerd in een symboliek die Het Misverstand wou plaatsen tegen de achtergrond van de Griekse tragedie. Niet de symboliek op zich was irrelevant, maar de al te expliciete uitwerking ervan stond haaks op de subtiliteit waarmee de tekst voor de rest werd benaderd. Het stremde bovendien de dramatische evolutie in het stuk, zodat de globale voorstelling toch niet kon blijven boeien. De enscenering van Hedda Gabler door Toneelkring Rembert slaagde erin de aandacht gemiddeld langer vast te houden dan de overige voorstellingen, al dient gezegd dat dit gezelschap op zeker speelde en braaf binnen de veiligheid van een realistisch-naturalistische conventie bleef.

Braakliggend land

Het uiteindelijke juryverslag maakte het publiek niet veel wijzer. De jury, homogeen samengesteld uit éminences grises, had het over een festival van jonge regisseurs. Van deze jonge garde verwachtte de Raad der Wijzen dat zij de fakkel van het Landjuweel zouden overnemen. Van de gespeelde voorstellingen werd enkel de tekstkennis en de dictie van de acteurs, of beter het gebrek eraan, als criterium aangehaald. De aanwezigen tasten dus in het duister omtrent de motiveringen van de jury. Zelfs de theatermakers krijgen pas enkele maanden later het juryverslag over hun voorstelling toegestuurd. Dan is het festival reeds geconsumeerd en verteerd, het oordeel van de jury lang niet meer aanvechtbaar. Maar dat kan blijkbaar de pret niet bederven, want wat verwacht je tenslotte meer van het Landjuweel dan dat het een winnaar produceert? Niemand heeft behoefte aan confrontatie, zin in openbare discussie of nood aan zelfrelativering. Eenzelfde visie komt naar voor in de houding tegenover de werkwijze van theaterkritiek: kritiek op het amateurtheater dient niet om het bespreekbaar te maken, maar neemt verzachtende omstandigheden in rekening, is vergoelijkend, conserveert het.

Wil dit alles nu zeggen dat het amateurtheater niets te bieden heeft en een festival derhalve overbodig is? Neen, zeker niet. Het blijft een stimulans voor het medium zelf en een noodzaak om de dialoog tussen maker en toeschouwer aan te zwengelen. Het amateurtheater kan alleen maar winnen bij een festival dat zich in het hedendaagse theaterlandschap inbedt en dat een forum is rond de vraag naar wat het amateurtheater nu eigenlijk is. Dit wil niet zeggen dat het amateurtheater een laveloze imitatie behoort te zijn van de professionele sector, die evengoed ontgoochelende voorstellingen telt. Pas wanneer het amateurtheater zijn eigenheid ontdekt, kan het braakliggend land tussen beide bezaaid worden op een manier dat elk er de vruchten van oogst.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#45

15.04.1994

14.07.1994

Win Van Berkel

artikel