Katrien Darras

Leestijd 14 — 17 minuten

Kroniek van een tijdschrift

Na ettelijke pogingen tot het oprichten van theatertijdschriften in de vorige decennia komt de nood aan een theatertijdschrift eind jaren zeventig, begin jaren tachtig opnieuw en hevig aanwaaien, tegelijk met de nieuwe artistieke wind die Vlaanderen verfrist met kunstenaars als Jan Fabre, Anne Teresa de Keersmaeker, de leden van Radeis, Jan Lauwers, Jan Decorte, Ivo van Hove en anderen. Hugo de Greef, toen directeur van het Kaaitheater, en Johan Wambacq, toen stafmedewerker van de Beursschouwburg, broeden op een tijdschrift dat ruimte zou scheppen om over de nieuwe artistieke praktijk te reflecteren.

Johan Wambacq: ‘We wilden graag iets als het Duitse Theater Heute of het Nederlandse Toneel Theatraal in Vlaanderen zien ontstaan en deden een voorstel aan de raden van bestuur van de Beursschouwburg en het Kaaitheater, maar die wilden er niet aan beginnen. Het uitgeven van een kritisch tijdschrift vonden zij -begrijpelijk – niet hun taak. Hugo en ik besloten dan op eigen initiatief verder te gaan. In André van Halewyck, toen nog bij Kritak, vonden we een bereidwillige uitgever.’ In het dossier waarmee Wambacq en De Greef eind september 1982 naar Kritak trekken, ontvouwen zij hun plannen voor een ‘kritisch publiekstijdschrift’.

Op 14 januari 1983 stellen stichters, redactie en uitgever het nieuwe tijdschrift voor in de Ancienne Belgique in Brussel: ‘Een tijdschrift over theater et cetera, een tijdschrift met een naam die verdere opsomming overbodig maakt!’ De zelfzekerheid is even groot als het enthousiasme. Johan Wambacq in zijn presentatiespeech: ‘Etcetera is wellicht het eerste theatertijdschrift in Vlaanderen waarvan alle medewerkers, redacteurs, fotografen en grafici betaald worden. Voluntariaat is een te wankele basis om een tijdschrift op te bouwen.’ In de praktijk zal vrijwilligerswerk onmisbaar blijven. De begroting voor de eerste jaargang raamt de redactionele honoraria op 64.000 frank per nummer. Dankzij de ondersteuning van uitgeverij Kritak staat Etcetera er in die beginjaren rooskleuriger voor dan tijdens de vele crisissen die zouden volgen.

De eerste redactie bestaat uit Daan Bauwens, Paul de Bruyne, Jef de Roeck, Johan Thielemans, Luk van den Dries, Marianne van Kerkhoven en Theo van Rompay. Wambacq en De Greef zetelen niet in de redactie, maar vormen samen met redactiesecretaris Luk van den Dries de ‘productieraad’. Er is geen hoofdredacteur, geen juridische structuur. Jef de Roeck herinnert zich de eerste vergaderingen als ‘heel intensief, frequent en primitief. Hij benadrukt de collectieve manier van werken van de redactie. Niettemin wordt hij vanaf Etcetera 21-22/1988 hoofdredacteur. Jef de Roeck: ‘Hugo de Greef vond dat het blad een gezicht nodig had. Maar ik was niet de verpersoonlijking van het blad, ik zette niet de lijnen uit, dat gebeurde met de hele vergadering. Ik was meer coördinator, journalistiek technicus, eerder dan een ideologisch hoofdredacteur.’ Kort nadien moet De Roeck zijn hoofdredacteurschap opgeven wegens een professionele switch. Van journalist en recensent bij De Standaard wordt hij artistiek leider van de Vlaamse Operastichting. Luk van den Dries neemt de taak van hoofdredacteur over en blijft tot Etcetera 32/1990 die rol vervullen.

De redactie volgt vrij nauwkeurig de redactionele opties die De Greef en Wambacq in hun platformtekst Een theatertijdschrift voor Vlaanderen hadden beschreven.

Nieuwe opties

‘Etcetera behandelt nieuwe opties van theater, dans, muziektheater (opera), beeldend theater, performance, video en andere disciplines waar die raakvlakken hebben met de podiumkunsten in het algemeen.’

Luk van den Dries spreekt wat dat nieuwe theater betreft over een pionierstijd: ‘Er leefde een grote behoefte om een bepaald soort theater te “backen”, van reflectie te voorzien.’ Met dat ‘bepaald soort theater’ doelt hij natuurlijk op de later mythisch geworden Vlaamse Golf een term die uit Nederland komt overwaaien. In de eerste jaargangen laten auteurs hun licht schijnen over o.a. Jan Fabre, Jan Decorte, Radeis, Anne Teresa de Keersmaeker, Mare Vanrunxt, de Witte Kraai (Sam Bogaerts), Epigonenteater zlv, Akt (Ivo van Hove). Al heel vroeg onderzoekt Marianne van Kerkhoven of er wel zoiets is als een ‘Vlaamse Golf (Onze jongens in de Golf, Etcetera 20/1987‘). Rudi Laermans blikt in zijn artikel Generaties: een verhaal met een moraal. Vaders en zonen (Etcetera 67/1999″) terug op het fenomeen en noemt het ‘een soort-van-vaststelling-na-de-feiten’. Zeker is dat die ‘Golf, die nu als één geheel wordt gepercipieerd, in feite een erg heterogene groep vormt.

Etcetera is de reflexieve of geschreven pendant van de nieuwe artistieke bedrijvigheid in de pas opgerichte kunstencentra. Etcetera beschrijft die in tal van overzichtsartikels, bijvoorbeeld Frisse wind waait aan uit stoffige zaaltjes, een rondreis langs twaalf alternatieve theatercentra in Vlaanderen (Etcetera 2/1983), De noodzaak van een vuistslag. Een balans van vier Kaaitheaters (Etcetera 3/1983*). Hetzelfde perspectief spreekt uit de reeks Theater en stad, met een doorlichting van het cultuuraanbod in Gent en Antwerpen (Etcetera 3/1983 en 2/1984.) en veel later in Brussel (Etcetera 25/1989*) of uit de artikels Die Deutsche Welle (over de ‘import’ van Franz Xaver Kroetz, Heiner Müller en Peter Handke, Etcetera 2/1983), Het postmoderne theater (over The Wooster Group, Bob Wilson, Franz Marijnen, Pina Bausch en anderen, Etcetera 2/1983). Kunstencentra als deSingel, Kaaitheater, Stuc of Limelight bouwen een discours op dat het toelaten of weigeren van bepaalde kunstenaars legitimeert. Johan Thielemans beschrijft ze in een geruchtmakende column als ‘sluiswachters’bij smalle beken (Etcetera 37/1992*).

In de redactie zelf heerst niet altijd eensgezindheid. Luk van den Dries:‘Het was duidelijk waar we ontevreden over waren, maar waar we met z’n allen wèl tevreden over waren, dat was een ander paar mouwen. Eigenlijk bestond er alleen een consensus over het belang van Fabre en Decorte. Over alle anderen werden gigantische discussies gevoerd.’ Die heterogeniteit tekent zich af in de Kronieken, kortere recensies die een staalkaart van de voorstellingen op dat ogenblik bieden.

Interactie

‘Etcetera neemt ongepubliceerde scenario’s of theaterteksten op.’

Bijvoorbeeld: Torquato Tasso van Goethe, vertaald door Jan Decorte (Etcetera 1/1983), De opdracht van Heiner Müller (Etcetera 2/1983) of Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was van Jan Fabre, voorzien van tekeningen en foto’s van zijn hand (Etcetera 3/1983). Van den Dries noemt het publiceren van theaterteksten en interviews met theatermakers een bewijs van de grote interactie-dynamiek van de vroege Etcetera-redactie.’De inbreng van een discours uit de praktijk in een interview is meteen bruikbaar voor andere theatermakers en choreografen. Dat vervlechten van praktijk en theorie was zeker een sterkte van Etcetera. Lucas Vandervost, Pol Dehert, Herman Gilis, Sam Bogaerts… ze zijn allemaal geïnterviewd of ze hebben zelfgeschreven. Daarmee is meteen ook gezegd dat het niet altijd makkelijk was binnen de redactie om die band zuiver te houden. We hebben het evenwel altijd meer als een kracht dan als een nadeel gezien dat er zoveel verbanden waren met de praktijk. Etcetera mocht geen wetenschappelijk, afstandelijk tijdschrift worden. Het was meer een soort ventilatie van meningen en reflecties van de kijkers, beschouwers en deelnemers, allemaal samen.’

Nog volgens Van den Dries maakte net die interactiedynamiek Etcetera uniek: ‘Etcetera was voor de generatie van tachtig toch een soort forum, een klankbord voor hun eigen praktijk. Of het echt impact gehad heeft op hun werk weet ik niet. In elk geval probeerden wij een intense interactie tussen praktijk en reflectie te onderhouden.’

Strijdvaardig

‘Etcetera behandelt zowel de binnen- als de buitenlandse productie, maar legt wel een hoofdaccent op het kritisch begeleiden van de nieuwe opties in de Vlaamse productie en het dagelijkse theatergebeuren.’

De redactie maakt er een punt van verder te kijken dan het Vlaamse podium groot is. De beschrijving van de vernieuwende artistieke praxis in Vlaanderen wordt steevast ingebed in de internationale context van de podiumkunsten. Luk van den Dries: ‘We oriënteerden ons internationaal omdat we het gevoel hadden dat van de buitenlandse ontwikkelingen bijzonder weinig doorsijpelde in het Vlaamse theater. We wilden met die internationale input een signaal geven en inspirerend zijn voor wat er binnen de landsgrenzen gebeurde. De schets van dat internationale kader is erg belangrijk geweest in de evolutie naar een eigen profiel bij Etcetera. Er was een dynamiek merkbaar binnen de Vlaamse podiumkunsten en we wilden de golfslag van die dynamiek versterken.’

Internationaal focust Etcetera op figuren als de (Oost-)Duitse regisseur Jürgen Gosch (Etcetera 2/1983), Bob Wilson (The CIVIL warS, Etcetera 5/1984, 6/1984 en 13/1986), Pina Bausch (De trieste vrolijkheid van Pina Bausch, Etcetera 1/1983). De redactie schrijft ook recensies over het Werkteater (De ijzeren weg, Etcetera 2/1983), The Wooster Group en Globe (Etcetera 2/1983), Ro Theater (Medea, Etcetera 2/1983), Onafhankelijk Toneel en Maatschappij Discordia (An Ideal Husband, Etcetera 3/1983), of de Mahabaratha van Peter Brook (Etcetera 12/1985). De aandacht voor het internationale veld taant echter na verloop van tijd. Volgens Marleen Baeten, hoofdredacteur vanaf 1995, waren de internationale aspiraties een te zware aanslag op het krappe redactiebudget. De ambitie om het internationale veld te belichten bleef, maar was – tot frustratie van de redactie – slechts in beperkte mate te realiseren.

De redactie tast met kritische voelsprieten de rest van het podiumlandschap af. Etcetera haalt geregeld uit naar de zelfgenoegzaamheid van de stadstheaters KNS, KVS en NTG, waar, op enkele uitzonderingen na, alleen oubollig theater te zien was. Het kritisch begeleiden van nieuwe opties kon immers niet anders dan gepaard gaan met een aanmaning tot ommekeer in de toentertijd gescleroseerde stadstheaters. Van den Dries:‘Op het randje van het agressieve zijn wij op de deuren van de stadstheater blijven bonken. Het was geen gratuite profileringsdrang. Wij namen onze verantwoordelijkheid op en probeerden aan te tonen dat men in het buitenland wel degelijk bezig was met interessant stadstheater.’ Van den Dries omschrijft de eerste redactie als ‘strijdvaardig’. Lees bijvoorbeeld Het Gentse theater in de lift; ‘Het NTG houdt vast aan het klassieke repertoire om een trouwe, oudere publieksgroep ter wille te zijn.’ Het Voordeel van de twijfel (Etcetera 4/1983) en De navel als laatste verantwoording (Etcetera 8/1984), over repertoires in de seizoenen 1983-1984 en 1984-1985, halen stevig uit: ‘Bij de “groten”heerst een akelige dramaturgische inteelt.’

Het ‘kritisch begeleiden’ én de strijdvaardigheid worden ook belichaamd in een aantal columns. Tot in 1987 geven ondermeer Eric de Kuyper, Carlos Tindemans, Wim van Gansbeke, Ritsaert ten Cate en Jef de Roeck en later Werner van den Mooter en LeenThielemans een kritische kijk op het landschap, vaak ook op de mensen die het bevolken. De columns getuigen overigens van de ‘polyschriftuur’ die Etcetera tot vandaag voorstaat.

Overheidsbeleid

‘Het tijdschrift polariseert en formuleert nieuwe standpunten omtrent het overheidsbeleid en inzake podiumkunsten.’

De eerste Etcetera’s concentreren zich niet alleen op het artistieke terrein, maar houden ook het beleid een spiegel voor. Met name de precaire financiële situatie van de nieuwe gezelschappen zet kwaad bloed bij de redactie. Het cultuurbeleid is begin jaren ‘80 gestagneerd en speelt vooral in de kaart van het status-quo, zo luidt het. De standpunten waarmee Etcetera daartegen ingaat, zijn vaak hard maar werpen ook vruchten af. Van den Dries: ‘Je kan zeggen dat de periode 1982, toen het tijdschrift opgericht werd, tot 1992-1993 een vechtperiode was die geresulteerd heeft in veranderingen in het beleid. Dat was een erg strijdvaardige periode. Het programma waar we voor stonden is pas veel later gerealiseerd.’

In de tweede helft van de jaren ’80 blijft Etcetera op de koers varen die het mission statement van De Greef en Wambacq uitgezet had. Het is een periode van evenwichtig samengestelde nummers met interviews, berichten uit het internationale veld, kritische noten over het cultuurbeleid, theaterteksten, kronieken en columns. Het blad laat wel een verschuiving naar een nieuwe generatie in het landschap voelen: Luk Perceval met Blauwe Maandag Compagnie of De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en Universele maken hun opwachting in de kolommen. Af en toe komt er ook jeugdtheater op de agenda. De introductie van thematische dossiers verraadt het zoeken naar een nieuwe redactionele lijn. Er zijn het dossier opleidingen, dat verscheidene jaargangen overspant (Etcetera 11,12,14,77,18,24,1985-1988) en het dossier theaterfotografie (Etcetera 28 tot 33,1989-1990). Ook de redactie blijft op enkele wisselingen na vrij stabiel (zie: De redactie door de jaren, p. 192).

De productionele kant van het tijdschrift heeft intussen een aantal veranderingen ondergaan. Eind 1985 wordt uitgeverij Kritak overgenomen door de groep Meulenhoff. De uitgave van Etcetera past niet meer in de core business van de uitgeverij (ook de twee boekhandels van Kritak worden afgestoten). Etcetera 12 is het laatste nummer dat wordt uitgegeven door Kritak.

Etcetera stapt over naar een nagelnieuwe uitgeverij, Den Gulden Engel geheten. Jef de Roeck, die de overstap op de sporen had gezet, vindt dat achteraf gezien geen goede zaak: ‘Den Gulden Engel haalde Etcetera als paradepaardje binnen, hoewel men wist dat het blad nauwelijks inkomsten zou genereren. Het resultaat van die operatie was een verlies aan autonomie: de cover kon niet langer het alom geprezen en sobere stempel van vormgever Stefan Loeckx dragen (Loeckx verzorgde de lay-out van de bij Kritak uitgegeven nummers), maar werd vanaf nummer 13 (april 1986) vormgegeven in de “bourgondische” stijl die Den Gulden Engel eigen was. Qua vormgeving was het een achteruitgang en ook financieel ging het ons niet voor de wind.’ Na amper twee jaar moet Den Gulden Engel de samenwerking opzeggen.

Etcetera zet een productionele samenwerking op met het promotieblad De Scène, die resulteert in de oprichting van de vzw Podiumfonds. De samenwerking loopt al snel spaak. Uiteindelijk wordt in september 1989 de vzw Theaterpublicaties opgericht, die Etcetera nog steeds uitgeeft. Johan Wambacq wordt voorzitter; het Vlaams Theater Instituut is statutair vertegenwoordigd in de vzw.

Reflectie

Begin jaren negentig raakt Etcetera enigszins uit zijn oorspronkelijke koers. De gedrevenheid die de overzichtsartikels kenmerkt, de interviews die met hun onmiddellijke neerslag van de theaterpraktijk een schwung van jong en dynamisch enthousiasme uitstralen, maken plaats voor diepgaandere en objectievere analyses van voorstellingen. De redactie is de voorbije tien jaar nauwelijks gewijzigd, maar wanneer Etcetera 30 het licht ziet, beginnen zich veranderingen voor te doen.

Luk van den Dries bevestigt dat de noodzaak om het ‘nieuwe’ theater een geschreven forum te bieden aan het afnemen was: ‘Dat had ook te maken met de evidentie van een theaterpraktijk. De nieuwe interessante namen lagen begin jaren tachtig voor het rapen. Op een bepaald moment raakt die lijst uitgeput. Je kan niet blijven Jan Joris Lamers interviewen.’ Het opzet dat de redactie bij de start voor ogen had, lijkt gerealiseerd, de missie volbracht: de poort naar een meer algemene erkenning voor een nieuwe generatie kunstenaars is definitief opengebroken. Een nieuw podiumkunstendecreet staat in die periode op stapel en voldoet aan de vaak gestelde eisen van depolitisering en kwalitatieve beoordelingsnormen. Het nieuwe theater heeft een eigen plaats in het geheel gevonden.

Met de generatie theatermakers die na de ‘tachtigers’ de podia betreedt, blijkt het niet mogelijk om op dezelfde manier een relatie aan te knopen waarbij theorie en praktijk zich vermengen. ‘Je zou wel kunnen zeggen dat er na die eerste periode iets veranderde en dat er een nieuw paradigma optrad’, zegt Van den Dries. ‘Tg Stan is toch wel een ander soort theater dan wat daarvoor te zien was. Die generatie van Stan en de Roovers hebben veel ruimte gekregen, maar minder door middel van het dooreenlopen van stemmen van praktijk en theorie. Het was meer een reflectie op hun praktijk, op het belang van dramaturgie en de klassieken.’ De interactiedynamiek wordt stilaan een reflectiedynamiek.

Erwin Jans, die vanaf Etcetera 30 (juni 1990) de redactie vervoegt, spreekt ronduit van een moeilijke periode voor het blad. Er is nood aan vers bloed, aan een andere koers. ‘De verscheidenheid van de nieuw ingenomen posities weerspiegelde zich ook in de discussies binnen de redactie’, zegt Erwin Jans. ‘Twee gezelschappen waarover de redactieleden in die periode hevige discussies hebben gevoerd, soms op de rand van ruzie – precies omdat de inzet erg hoog was en de redactieleden zich persoonlijk engageerden -waren Maatschappij Discordia en de Blauwe Maandag Compagnie. Zij stonden voor de twee “richtingen” die voor het avant-garde theater op dat ogenblik leken open te liggen: enerzijds de consequente reflectie op het medium theater zelf, gekenmerkt door een deconstructie van personage, psychologie en plot (Maatschappij Discordia); anderzijds een theater dat zich de traditie van de “grote zaal” probeert eigen te maken en een eigentijds repertoire wil brengen dat voor het grote publiek leesbaar blijft met een duidelijke thematiek, herkenbare personages en een navolgbaar verhaal (BMCie). Die discussie is voor de redactie intellectueel zeer vruchtbaar geweest, maar heeft in de loop van 1990 ook tot een ernstige crisis geleid. Bij een aantal redactieleden leefde de opvatting dat Etcetera zich op een te eng segment van de (Vlaamse) podiumkunsten richtte en dat daardoor een vertekend beeld ontstond van de ontwikkeling. De stijl of de schriftuur van Etcetera in het algemeen is een punt van discussie geweest. Dat hing samen met de discussie over leesbaarheid en publieksbereik, en over de verhouding tussen meer journalistieke en meer essayistische bijdragen.’

Het intense redactieconflict, dat eindigt met het opstappen van een aantal redactieleden en het ontslag van hoofdredacteur Luk van den Dries, gaat gepaard met een enorme financiële malaise. Het Vlaams Theater Instituut, dat sinds 1988 Etcetera mee uitgeeft, kan niet langer investeren. Even overweegt het bestuur om het blad op te heffen, maar Erwin Jans, die namens de gehalveerde redactie de bestuursvergaderingen bijwoont, zegt dat hij met het blad verder wil, ‘al moeten we het stencilen’. Het bestuur vraagt Jans om als hoofdredacteur het blad te gaan leiden. Jans: ‘Ik besefte dat het op dat ogenblik een soort van crisismanagement was, op een zeer wankele financiële basis en met een verzwakte redactie.’

Om de financiële crisis te overbruggen, reorganiseert Johan Wambacq de productie en werkt hij een goedkope Etcetera uit. Hij vraagt Gert Dooreman om een aangepaste lay-out en het piepjonge bedrijfje Griffo voor de prepress. In april 1992 verschijnt Etcetera 37, het eerste nummer in de nieuwe formule. Kostte nummer 36 nog 250 frank, nummer 37 is verkrijgbaar tegen 99 frank. Er wordt een bescheiden promotiecampagne opgezet. Een en ander heeft resultaat: het aantal abonnementen verdubbelt op enkele maanden tijd.

Enkele Etcetera’s onder het hoofdredacteurschap van Jans bieden een gevarieerde verzameling teksten en essays; andere nummers hebben een duidelijke focus: ‘Verantwoordelijkheid’ bijvoorbeeld (Etcetera 37/1992) met als sluitstuk het essay van Hana Bobkova De criticus en zijn verantwoordelijkheden*, ‘Politiek’ (Etcetera 40/1993) of de reeks over ‘Theater in Wallonië’ (Benoît Vreux, in Etcetera 38/1992 en 41/1993).

Erwin Jans: ‘Ik stelde mezelf vier vragen: Waar staat Etcetera voor? In hoeverre kan, wil, moet Etcetera de ontwikkelingen in het Vlaamse theater representeren? Is Etcetera een weerspiegeling van een bestaande toestand of verdedigt het een bepaalde visie op theater, kritiek en beleid? In een poging om uit de crisis te geraken ben ik vertrokken van een brede waaier van onderwerpen: theater, dans, opera, kinder- en jeugdtheater, beleid. Om discussies over gebonden/ongebonden zoveel mogelijk te vermijden, heb ik mensen van buiten het theater gevraagd om mee te werken.’ Zie bijvoorbeeld Paul Goossens’ Het belang van het belangeloze. Kunst als vaccin tegen onverdraagzaamheid (Etcetera 40/1993) of Een opening in een gesloten wereld. Receptie van Afrikaanse kunst in het Westen, een bijdrage van kunstenares Everlyn Nicodemus in hetzelfde nummer.

Erwin Jans noemt zijn hoofdredacteurschap ‘een crisismanagement’. Zijn inspanningen om Etcetera een onafhankelijk blad te laten zijn met een brede kijk op de podiumkunsten hebben, samen met de nieuwe formule, het blad gered.

Toch blijft de behoefte aan professionele omkadering bestaan. Wanneer Jans in 1993 ingaat op het voorstel van Franz Marijnen om dramaturg te worden bij de KVS, is er geen kandidaat-opvolger die de klus wil klaren zonder vergoeding. Ook zonder hoofdredacteur blijft Etcetera verschijnen, maar dan wel op onregelmatige basis. In september 1994 beslist de raad van bestuur dat het zo niet langer kan. Johan Wambacq kondigt de aanwerving van een deeltijdse hoofdredacteur aan en roept minister Weckx op om Etcetera op gepaste wijze te subsidiëren (Etcetera 46/7994).

Een nieuw elan

Marleen Baeten, sinds 1993 losse medewerker van het blad, treedt in het najaar van 1994 aan als hoofdredacteur in deeltijdse dienst. Marleen Baeten: ‘Dat eerste jaar heb ik voornamelijk orde op zaken gesteld en er heel hard aan getrokken opdat het blad opnieuw regelmatig zou verschijnen. Eigenlijk heb ik vooral het werk van een redactiesecretaris voor mijn rekening genomen.’

Nochtans neemt Baeten in haar eerste redactioneel een aantal duidelijke standpunten in: ‘Er is de intentie om voortaan wat meer aandacht te besteden aan dans, nieuwe vormen van muziektheater en allerlei soorten grensoverschrijdende projecten. (…) Het blijft eveneens de bedoeling om nieuwe artistieke en beleidsmatige tendensen te signaleren en te bevragen. Hiermee richten we ons uitdrukkelijk tot iedere theaterliefhebber die wil volgen wat er in het veld beweegt. Duiding en bevraging zijn immers geen overbodige luxe in een journalistiek landschap dat hoe langer hoe meer beheerst wordt door de jacht op “nieuws”. Het veld waarover

Etcetera schrijft, bestaat op de eerste plaats uit concrete producties, maar is niet los te denken van de ruimere culturele, maatschappelijke en historische context.’ (Etcetera 48/1995).

Marleen Baeten: ‘In het begin heb ik vooral gezocht naar wat ontbrak: diversiteit in disciplines, een focus die ruimer was dan alleen op theater. Daarnaast wilde ik vooral een discussie op gang trekken. Dat stond misschien niet in het redactioneel, maar ik vond het toch heel belangrijk. De redactie kreeg ook terug aandacht voor historische artikelen. Het internationale is zeker altijd een ambitie geweest, maar werd slechts in beperkte mate gerealiseerd. Het is gewoon niet haalbaar met de middelen die we hebben.’

Staan de beginjaren van Etcetera vooral in het teken van een discursieve ondersteuning van het nieuwe theater, dan wordt Etcetera nu stilaan een ongebonden tijdschrift. Marleen Baeten: ‘Toen ik bij Etcetera kwam, werkten bijna alle redactieleden bij een theater of aan de afdeling theaterwetenschappen van een universiteit. Voor mij was dat geen must. Ik vond het belangrijker dat Etcetera een tijdschrift met een eigenheid bleef. Daar hebben we naar gezocht door middel van enkele vaste rubrieken en redactionele aandachtspunten.’

Bij het aantreden van Baeten krijgt Etcetera vrijwel onmiddellijk een redactionele herstructurering. Een kernredactie -met enkele leden uit de bestaande redactie en enkele nieuwe redacteurs – moet de publicaties actief trekken. De uitgebreide redactie zou ‘op afstand’ volgen. Vanaf Etcetera 58 (december 1996) reduceert de redactie zich tot vier personen. Van de ‘oude’ redactieleden blijft alleen Marianne van Kerkhoven actief.

Vanaf nummer 50 (juni 1995) verschijnt het blad in een nieuwe vormgeving, eveneens van Gert Dooreman, met een aantal nieuwe rubrieken. Manifest wordt de Tubriek voor ‘klassieke teksten, of teksten die dat kunnen worden’ en benadrukt de aandacht voor een historische lijn. Met de nieuwe rubriek wil de redactie ‘klassieke teksten uit de vergeetputten van het geheugen diepen en ze in relatie tot de hedendaagse kunsten herzien’. Onder meer Etienne Decroux, de grondlegger van de mime (Etcetera 50/1995), fragmenten uit T68 van Carlos Tindemans, Hugo Claus en Alex van Royen (Etcetera 52/1995) en een fragment uit een interview met Heiner Müller (Etcetera 54/1996) komen aan bod. Een andere rubriek, Jukebox, voert de Kroniek van de eerste jaren terug in, zij het dat de bijdragen nu vaak langer en diepgaander zijn. De hernieuwde aandacht voor middellange en lange recensies is volgens Marleen Baeten geen overbodige luxe binnen de mediacontext: hoewel kranten en tijdschriften steeds meer aandacht besteden aan alle strekkingen en generaties van theater, dans, opera en musical, beknibbelen ze tegelijk meer dan ooit op de ruimte voor kritieken, ten voordele van aankondigende interviews.

Dat Etcetera zich terug onafhankelijker opstelt ten opzichte van het landschap spreekt ook uit het invoeren van themanummers. Nummer 50 luidt die traditie in met een dossier over theaterkritiek. Nummer 51 is naar aanleiding van Het Theaterfestival een samenwerking met het kort daarna door de Nederlandse overheid opgedoekte Toneel Theatraal. Een greep uit de erop volgende thema’s: Hoe klassiek is hedendaagse dans? (Etcetera 52/1995), Stedelijkheid als vaste bodem voor het theater? (Etcetera 57/1996), Schijnbeweging?, kritische vragen bij de gang van zaken in het theater (Etcetera 58/1996), Beeldverhalen, over beeldende kunst en theater (Etcetera 61/1997), Parcours, over het artistieke parcours van een aantal kunstenaars (Etcetera 65/1998), Kunst/Wetenschap (Etcetera 64/1998), Generaties? (Etcetera 67/1999), Het groot bedrijf, over een aantal zakelijke en administratieve aspecten van het theaterbedrijf (Etcetera 68/1999), Project/Traject (Etcetera 72/2000). Ter gelegenheid van Etcetera 75 (maart 2001) meet het blad zich een nieuwe vorm aan, die het bestelt bij ontwerper van het eerste uur, Stefan Loeckx. De redactie heeft zich intussen uitgebreid tot zeven personen, (zie De redactie door de jaren, p. 192)

Twintig jaar

Steeds terugkerende discussiepunten in de levensloop van Etcetera kristalliseren zich rond betrokkenheid/onafhankelijkheid ten opzichte van de theaterpraktijk, wat weerspiegeld wordt in de schriftuur (essay ten opzichte van kritiek) of in het openen of vernauwen van de focus (theater, opera, dans, andere kunstvormen of levensdomeinen, beleid, maatschappelijk draagvlak van het theater).

Door zijn onafhankelijkheid kan het tijdschrift zelf zijn koers bepalen in een steeds veranderende omgeving. Inhoudelijk is dat een kracht. In de loop der jaren heeft de subsidiërende overheid steeds meer haar vertrouwen in Etcetera uitgesproken, maar het blijft werken op het scherp van de snee. Dat Etcetera na twintig jaar nog bestaat mag een klein wonder heten.

De teksten aangeduid met een * werden opgenomen in deze bundel.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 14 — 17 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Katrien Darras

Katrien Darras, redacteur van Etcetera, is licenciate in de Kunstwetenschappen en behaalde het aanvullend diploma Culturele Studies aan de K.U.Leuven.