Jonge makers, verenig u!
Waarom er niet te veel podiumkunstenaars afstuderen
Noëmi Degrauwe
© Rojda Gülizar Karakuş
Tijdens een uitwisselingsmoment over reflectie in de podiumkunsten op Theater Aan Zee, georganiseerd door Kunstenpunt, Etcetera, pzazz, rekto:verso en de Theaterkrant, werd aan co-hoofdredacteur van Etcetera Floris Baeke gevraagd een kort statement te brengen. Zijn betoog: kunstkritiek is een unieke praktijk, die alleen onafhankelijk kan blijven van de markt als de media erachter structureel gesubsidieerd worden.
Kunstkritiek moet autonoom zijn, en dat vraagt sterke, publiek gesubsidieerde media. Of anders geformuleerd: elk argument voor het subsidiëren van kunst is evengoed een argument voor het subsidiëren van kunstkritiek.
Een samenleving bestaat uit velden met elk hun eigen logica: de markt, politiek, wetenschap, recht, religie, onderwijs, kunst. Geen van die velden mag de andere domineren, want elk werkt volgens zijn eigen logica, en ontwikkelt zijn eigen waarden. Wat waar is in de wetenschap geldt (misschien soms helaas) niet altijd in het politieke bedrijf, machtige multinationals zouden geen invloed mogen hebben op magistraten, of kunstenaars laten zich hopelijk niet beteugelen door wat in de catechismus staat.
Maar de maatschappelijke sfeer die in onze laatkapitalistische wereld elke andere sfeer overwoekert, is de economie, de markt. En die bedreigt volgens mij ook de kunst en de kunstkritiek het meest.
“Verdwijnen kunstkritische oordelen (zoals kunstenaars of boze publieksleden weleens wensen na een kritische recensie), dan blijft alleen het oordeel van de markt over.”
Want kritiek rendeert niet, in economische zin. Maar verdwijnen kunstkritische oordelen (zoals kunstenaars of boze publieksleden weleens wensen na een kritische recensie), dan blijft alleen het oordeel van de markt over. Dan rest ons enkel nog de pr — de verlokkelijke affiches zoals je ze in de West End of in Broadway tegenkomt, een rijtje van 4 of 5 sterren en daarboven één woord: ‘dazzling’, ‘a triumph’ of ‘unmissable’ —, dan resten ons enkel nog Excels met publiekscijfers, of leuke Tiktok-videos waarin theatermakers op vraag van een communicatiedienst de ware artistieke intentie achter hun voorstelling moeten ontsluieren aan de hand van drie emoji’s. Het ultieme probleem van kritiek voor de markt is natuurlijk dat ze per definitie niet populair is, ze is geen product, niet ontworpen om door iedereen altijd met graagte geconsumeerd te worden. Een goede kritiek is een splijtzwam, of dat geloof ik toch. Ze moet een goede steen zijn om je aan te stoten, en dat wil zeggen: een scherpe. Een kritiek heeft dus in het beste geval ook tegenstanders.
Om terug te keren naar mijn stelling: enkel met sterke gesubsidieerde media als Etcetera, pzazz, rekto:verso of De Witte Raaf kan kunstkritiek onafhankelijk blijven.
Laat mij dit kort uitwerken met drie voorbeelden.
Ten eerste: helaas, maar onvermijdelijk, tiert de kapitalistische logica intussen ook welig in de reguliere media. De Morgen schrijft op pakweg drie teksten per jaar na niet meer over podium (wekelijkse must-see tips niet meegerekend). Ikzelf schrijf freelance voor De Standaard. Ik draag de krantenrecensie een warm hart toe, maar dat de plaats, de ruimte voor kritiek krimpt, is geen geheim (voor de liefhebbers: een standaardrecensie telt 3000 tekens, spaties inclusief). Er is, natuurlijk, het beruchte sterrensysteem, een soort Testaankoop voor kunstwerken. Maar ondanks al die mercantiele snufjes zeggen de leescijfers en algoritmes onverbiddelijk: recensies over podium worden steeds minder gelezen, dus krimpt hun ruimte verder. Ik ben te jong om dat nostalgisch te betreuren, om te verzuchten dat we in verval zijn, dat het vroeger beter was. We moeten ons vooral organiseren, en iedereen die kunst (en dus hopelijk ook kunstkritiek) belangrijk vindt, moet ervoor zorgen dat de alternatieven, de gesubsidieerde media, sterk staan.
“De criticus die in Vlaanderen of Brussel een dag van 7 uur werkt aan een tekst, kijken inclusief, verdient zéker minder dan het minimumloon van 13,56 euro per uur.”
Ten tweede: zonder robuuste, gesubsidieerde kritiekplatformen is kunstkritiek in Vlaanderen al helemaal een persoonlijke hobby, een stokpaardje voor wie het zich kan veroorloven — wat het in zekere mate altijd is (want — even tussen haakjes — kunst is altijd een geprivilegieerde ruimte van een clubje geïnteresseerde, vaak langgeschoolde, culturele burgers). Over kunst schrijf je, naast uit passie, vooral voor je symbolisch kapitaal, veel anders verdien je er niet aan (al moet je geen criticus worden als je een fanclub wil opbouwen — dan word je beter artiest). Recenseren is eigenlijk een liefhebberij, want critici zijn onderbetaald. Ik maak het concreet: Etcetera, en ik denk ook pzazz, kan een honorarium van 150 euro bieden voor een recensie, bruto, all-in, zonder onkosten. Bij De Standaard krijg je 157 euro, maar je moet als zelfstandige factureren. Dus de criticus die in Vlaanderen of Brussel een dag van 7 uur werkt aan een tekst, kijken inclusief, verdient zéker minder dan het minimumloon van 13,56 euro per uur.
Ten derde: er wordt, uiteraard meer dan terecht, veel gesproken over de nood aan veelstemmigheid, aan diversifiëring in referentiekaders als we over kunst praten, aan diversifiëring in kwaliteitscriteria, in stijl. Hopelijk blijkt uit wat ik tot nu toe al zei dat dat enkel mogelijk is in de onafhankelijke ruimte van gesubsidieerde platformen.
“Kunstkritiek, zoals onder andere Etcetera die brengt, is een unieke praktijk. In een recensie gebeurt iets wat nergens anders zo gebeurt: ze probeert via taal een esthetische ervaring te beschrijven, of beter, te omschrijven.”
Kunstkritiek, zoals onder andere Etcetera die brengt, is een unieke praktijk. In een recensie gebeurt iets wat nergens anders zo gebeurt: ze probeert via taal een esthetische ervaring te beschrijven, of beter, te omschrijven. Kunstkritiek wil de ervaring benaderen die zich niet helemaal laat benoemen, en kunstkritiek is dus persoonlijk, scheppend, oordelend en riskant. Kunstkritiek is dus ook traag, eigenzinnig, en niet-algoritmisch, dat wil zeggen: ze werkt nooit volgens vaste regels of een sjabloon, maar — met een ander Grieks woord — heuristisch, ontdekkend, altijd in zekere mate intuïtief, spontaan, creatief. Wie ooit recenseerde weet het: een recensie schrijven is altijd een beetje opnieuw beginnen.
Alleen gesubsidieerde media kunnen dat heuristische karakter van de kritiek bewaren, omdat kritiek enkel daar autonoom kan zijn in de letterlijke zin van het woord: ‘auto-nomos’, zichzelf de wet stellend, telkens opnieuw.
Dit statement werd uitgesproken tijdens Reflectie in de spiegel op 3 augustus 2026 in De Grote Post, Oostende.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.