“Schatteneiland” – Long John Silver (Marc Schillemans) en kornuiten – Foto KJT

Leo Geerts

Leestijd 6 — 9 minuten

Koninklijk Jeugdtheater moet blijven

Waarborg voor continuïteit en traditie

Het KJT in Antwerpen is het meest gesubsidieerde kindertheater in Vlaanderen. Rijk is het daarom nog niet. Het is ook niet oubollig, al wordt dat wel eens gezegd. Het mag rekenen op een massale opkomst van het publiek. Als repertoiregezelschap biedt het een garantie voor continuïteit en traditie. Het moet die functie blijven vervullen.

Het Koninklijk Jeugdtheater in Antwerpen is het enige A-gezelschap (repertoiretoneel) voor kinderen in dit land en daarmee één van de weinige benijdenswaardige tradities die Vlaanderen heeft. In deze tijd van krenterigheid op cultureel gebied steekt de ”rijkdom” van het KJT de ogen uit van bepaalde kleinere groepen en/of projecten. Zo dreigt de krenterigheid van de overheid steun te vinden “van onder uit”. Dank zij een onverstandig advies van de Raad van Advies voor de Toneelkunst (RAT) verloor het KJT voor het seizoen 1986-’87 5,88 miljoen staatssubsidie. Voorlopig kwam deze besnoeiing slechts neer op een doorschuiven van de financiering naar lagere overheden: stad en provincie Antwerpen pasten samen 5 793 000 fr. meer bij dan het jaar tevoren. Ook dat is een kortzichtige methode die op termijn trouwens niet haalbaar is. Het KJT speelt vooral in Antwerpen, maar is daarom niet minder een heel-Vlaamse instelling. Er is slechts één uitgebouwde theaterinstelling voor kinderen en jongeren die een minimale garantie biedt voor continuïteit en traditie. Zonder deze instelling zijn die niet langer gewaarborgd. We moeten er dus over waken, dat het KJT deze centrale rol kan blijven vervullen.

Reeds Herman Teirlinck zei het en de nestor van onze toch al lamentabele theaterkritiek, Frans Verreyt, zei het hem in Etcetera na: zelfs wanneer de grote gezelschappen een lamentabele periode doormaken, we moeten ze in stand houden, want ze zijn de enige garanten voor continuïteit en traditie, voor het overleven van een eigen (jeugd-)theater kortom. Een vergelijking: toen de regering-Thatcher probeerde nog maar één onderdeel – het experimentele zaaltje Cottesloe – van het National Theatre te sluiten, kwamen alle hens aan dek – ook die van minder verzorgde kleine groepen – om dit stukje erfgoed te redden, het is er dus nog.

Niet rijk

Aangezien de leden van de RAT hun negatieve opinie baseerden op tweedehandse informatie, stellen de meest actieve medewerkers van het KJT zich een beetje defensief op. Ik bleek de eerste te zijn die met hen kwam praten. Zijn zij niet bereid een stukje van hun rijkdom “in te leveren” om andere, kleinere groepen te helpen?

“Ten eerste zijn wij niet rijk. Eva Bal stelt in haar rapport Kindertheater: een specialisatie terecht dat voor het jongerentheater in zijn geheel slechts 11 % van de koek beschikbaar is, terwijl de resterende 89% naar het volwassenentheater gaat. Wat zij niet vermeldt, maar wat essentieel is: wij moeten met ons budget (37 miljoen) 13 produkties maken plus de rondleidingen; de KNS met 41,8; het NTG met 47,7 en de KVS met 44,4 miljoen staatssubsidie brengen er slechts acht.” Aan het woord is Jan Verbist, regisseur van Schatteneiland; het blijkt dat de minister van Cultuur, Patrick Dewael, zelf de voorstelling is komen bekijken. En dat enkele leden van de RAT dat nu eindelijk ook zelf doen.

Toch lijkt de subsidiëring van één KJT tegenover 14 andere groepen niet in verhouding te zijn: van de povere 11 % van het totaal krijgt het KJT 78 % en de overige 14 samen 22%. Jan Verbist: “Dat cijfer komt uit het rapport van Eva Bal. Maar je moet daarbij ten eerste onze 13 produkties zien, terwijl de andere groepen er 1 of 2, soms zelf 3 brengen op één seizoen. En ten tweede is er onze veel zwaardere theater machine. Daardoor is ze ook log, wat nadelen heeft. Maar feit is dat alleen het KJT een musical als Schatteneiland kan opzetten.”

Marc Schillemans, minder zakelijk, meer bevlogen dan Jan Verbist, zegt: “Ik begrijp die naijver niet goed. Wij zijn niet concurrentieel voor de anderen. Wij brengen bij voorkeur produkties die elders gewoon niet kunnen. Wij vragen Eva Bal voor een produktie in het volgende seizoen, al heeft ze nog niet toegezegd. Wij willen dat onze inderdaad logge machine gebruikt wordt voor hedendaags jeugd- en kindertheater.”

Niet oubollig

Velen denken dat het KJT een beetje oubollig is. “Kijk,” Jan Verbist zegt het rustig. “Er is een periode geweest dat het mode was, te improviseren en zelf theater te maken, eigen tekst, in samenwerking met een auteur. Dat is gevaarlijk voor ons, omdat elke produktie doorgang moet vinden. Het experiment mag niet mislukkken, want dan ligt de machine zes weken stil. Toch hebben we dat risico een paar keer genomen. Met de psycholoog Ferdinand Cuvelier, auteur van De Stad van Aken, heeft Marc Schillemans gewerkt aan zo’n project: De aard van het beest.” Schillemans knikt: “En met Paul Koeck voor de produktie Het hangt in de lucht. En dat zijn geen alleenstaande voorbeelden voor deze gelegenheid. De stukken van het GRIPStheater hebben wij gebracht, toen hier nog niemand wist wat GRIPS was. Konrad aus der Dose (Jan uit blik) was dit seizoen dè grote ontdekking van het RO-theater, maar wij hebben dat gespeeld in 1979-’80. Het Unga Klaratheater uit Stockholm… Wij hebben hun Lazarillo gespeeld in 1982-’83 en hun Kleine prins van Denemarken in 1984-’85. Het KJT dus oubollig?” Schillemans heeft nog iets van de grimmigheid in zijn rol van Long John Silver in Schatteneiland een half uur geleden. “Ik haat mythes. De laatste tien jaar zijn er in Vlaanderen veel mythes gecreëerd. Veel van wat ik gezien heb, was rommel. Met mythes maak je geen theatertraditie.

“Zelf heb ik twee mooie anekdotes over Oproer in Bekhoudergem (een emancipatiestuk, KJT, ’85-’86). Een mooie zomerdag. Een gratis voorstelling in het stadspark. Een bazig oud heertje trekt zijn dametje mee, blijft glunderend staan. Theater in het park! Tot hij merkt dat het over hem gaat en ‘het bek-houden’ van zijn vrouw… Scheldend op de jeugd van heden sleurt hij vrouwlief mee. Een even mooie zomerdag in de tuin van het museum. Marokkaanse en Turkse kindertjes dringen tot op het podium om actrice Mieke de Groote te beschermen tegen de ‘grote bek’. Oubollig?”

Schillemans heeft nog een anec-dote. “Brigitte Rasquin is hier eens een keer geweest met een paar kinderen. Die kenden tot dan toe alleen de gastvoorstellingen in de Beurs. Zowel Brigitte als de kinderen zegden dat het de eerste keer was dat ze ‘echt’ theater zagen, met decor, kostuums, belichting, de hele machinerie, precies zoals theater voor volwassenen. Geen wegwerpaankleding. Dat willen wij ook: kwaliteit van het niveau van het professionele volwassenentheater. En onze groep medewerkers is trots op zijn werk en daardoor zeer gemotiveerd. En onze bezoekers zijn trouw en enthousiast: wij spelen voor zalen van gemiddeld 420 man. Dat is enorm! En toch nemen we risico’s met bepaalde stukken.”

Massale opkomst

Vanwaar dan jullie deficit, denk ik luidop. Jan Verbist: “Ik vind dat je kinderen niet mag uitmelken. Onze prijzen zijn super-democratisch.” (Gemiddeld: 80 fr.) “Dat moet ook. De gemeenschap moet haar kinderen dit gunnen.” Piraat Schillemans is nu goed wakker. “Ik ben laatst naar die voorstelling van Béjart geweest, Le Martyre de Saint-Sébastien. Kostte me 1250fr. voor een ticketje. Dat is 15 keer meer dan een kaartje bij ons. Reken maar eens uit wat zo’n toegangsprijs zou betekenen”. Ik doe mijn huiswerk en kom tot de conclusie dat het KJT in dit geval een recette zou hebben van 7 250 000 (nu, reëel) x 15 = 108 750 000. Maar dat kunnen kinderen en jongeren inderdaad niet opbrengen. Zelfs voor de hele gemeenschap is dat 63 miljoen te veel.

Nu zit er in die massale opkomst – vanuit de visie van meer gerichte groepen en projecten – een dubieus element. Dient het KJT zijn produkties niet gerichter te diversifiëren? Jan Verbist: “Wij hebben tot nog toe inderdaad alleen maar ‘kinder’- en ‘jongeren’-voorstellingen. En het gebeurt dat iemand een te klein kind meebrengt, bijvoorbeeld naar Schatteneiland. Wij pleiten vanuit het gezelschap al jaren voor een betere publieksvoorlichting wat de aard van de stukken betreft. Daar moet aan gewerkt worden. Dit heeft ook te maken met de afwezigheid van pedagogische begeleiding: daar zijn geen mensen voor; wij zijn alleen maar een hardwerkend theatergezelschap dat al zijn tijd, middelen en inspiratie nodig heeft voor die 13 produkties per jaar. Willen we een professionele begeleiding van het publiek, dan betekent dit nog hogere kosten.”

Zelf vind ik niet echt dat dit hoeft. Bepaalde Disney films zijn m.i. veel destructiever voor te kleine kinderen, maar iedereen stuurt ze er zonder nadenken heen. Geen excuus, natuurlijk, maar een onderdeel van de levenservaring in deze normenloze eeuw. Ik hou ook niet van de betweters die precies weten waarom sprookjes niet mogen (het KJT speelt ze; bewerkt, niet-al-te-braaf, te braaf, kies maar) of waarom ”probleemstukken” moeten voor pubers, kortom betweters die precies weten wat een kind nodig heeft. Mij boeit de variëteit van het KJT juist in die zin dat een niet-al-te-specifieke programmatie minder betweterig is. Rijker. Levendiger.

Valt hier een conclusie te trekken? Ten eerste: het KJT is niet rijk, maar arm. Ten tweede: het KJT afbouwen is de poten wegzagen onder alle kinder- en jeugdtheater van enig niveau. Maar kinderen hebben recht op theater. Ik bedoel dit in de zin die de Pools-joodse psychiater Janus Korczak daaraan gaf: hij vond dat een kind zelfs recht had op zijn eigen dood, geen lichtvaardige uitspraak van een man die vrijwillig met zijn weeskinderen naar de gaskamer meeging. Zonder het KJT, of met een afbladderend KJT, wordt het recht op jeugdtheater ondermijnd. Het is belangrijker dan alle lesjes over theater op alle scholen samen.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Leo Geerts

artikel