© Rana Van Pellecom

Gerlinde Van Puymbroeck

Leestijd 3 — 6 minuten

Komt op/Gaat af – Nico Boon

‘Dit zijn verhalen over toeval, sterfelijkheid en fotografie’, krijgen we meteen te horen wanneer Nico Boon de scène opkomt. Met zijn solo Komt op/Gaat af wil hij ‘back to basics’. Als auteur voor grote theaterproducties ‘was ik mijn plezier kwijtgeraakt’, bekende hij kortgeleden aan De Brakke Grond. Tijdens zijn residentie bij het Amsterdamse cultuurhuis zag hij deze voorstelling, waarvoor hij concept, tekst en spel verzorgt, als een nieuw beginpunt. Hij beschrijft ze als een kans om het originele plezier van theatermaken terug te vinden.

Met Komt op/gaat af herneemt Boon een lezing/performance die hij aanvankelijk tijdens zijn studies schreef. Vandaag maakt hij er een sobere voorstelling van, een pretentieloze monoloog waarin licht en projecties een belangrijke rol spelen. Boon herwerkt het originele materiaal tot zeven verhalen waarvan hij er op de scène vijf vertelt. De beelden en het levensverhaal van fotograaf Margaret Bourke-White vormen het onderwerp van het eerste verhaal en fungeren als aanknopingspunt en rode draad voor de andere – over Ché Guevarra, over Boon’s familie en over zichzelf. Al die verweven verhalen vormen een eclectisch geheel, alsof hij het stuk schreef op basis van toevallige associaties die hij maakte door oude foto’s uit een doos op te vissen. Zo speelt hij ook: losjes, ontspannen, schijnbaar ter plekke associërend. Het speelt weliswaar in op het toeval dat Boon als thema vooropstelt. Maar doorheen de voorstelling raakt zo toch de inhoudelijke lijn zoek.

Op de scène worden Boons verhalen duidelijk van elkaar onderscheiden door elk verhaal een eigen plek te geven. Houten panelen en krukjes in verschillende vormen en formaten, enkele buislampen en een overhead-projector op een trolley blijven daarbij geen louter decoratieve objecten. Op de panelen worden foto’s geprojecteerd, op zijn laptop toont Boon oorlogsbeelden gemonteerd op – de ironie ontging niemand – Charles Trenet’s Mon coeur fait boum, de overhead-projector laat ons meelezen in zijn grootmoeder’s dagboek. Niet zozeer acterend, maar enthousiast vertellend, loopt Boon heen en weer. Nu eens een rode, dan weer een witte spot volgt hem van paneel naar projector naar paneel. Vernieuwend kan het niet genoemd worden, wat Boon op de scène doet. Maar zijn spontaan aandoende spel wekt wel de indruk dat zijn voornemen om het plezier van het theatermaken terug te vinden alvast bewaarheid werd.

Nochtans is zijn narratieve insteek niet zonder meer luchtig. Elke beeld dat hij toont, elk verhaal, is verbonden met het thema sterfelijkheid. Margaret Bourke-White was oorlogsfotograaf. Haar beelden van slachtoffers van nazistisch geweld tijdens WOII, of van de gruwelen van de Koreaanse oorlog zijn hard en confronterend. Boon linkt ze aan beelden van de lichamen van zijn zieke vader en moeder. Boon vertelt dat de littekens op de lichamen van Boon’s ouders als paden zijn in een landschap. Daarmee evoceert hij een poëtische sterfelijkheid. Hij vertelt ook over de broosheid van herinneringen die we soms enkel kunnen reconstrueren aan de hand van beelden die we toevallig tegenkomen. Sommige foto’s vertellen verhalen die we vergeten zijn, of die we zelfs nooit hebben gekend. Zo vertelt hij over zijn introverte grootmoeder wiens dagboek hij pas na haar dood vond. Intrigerend genoeg pende ze er tijdens de oorlogsjaren een fictief, zorgeloos leven in neer.

Boon verweeft kortom grote verhalen met heel persoonlijke gebeurtenissen. Tegelijk toont hij hoe fotografie verschillende rollen wordt toegedicht. Soms wordt ze objectief document genoemd, soms subjectief en poëtisch beeld. Maar ze maakt wel van bijna ieders leven deel uit. We fotograferen waardevolle momenten, en we kijken naar de momenten die anderen verbeelden. Heel verschillende beelden tonen toch altijd de wereld door de ogen van de fotograaf. Ze geven een inkijk in de blik van iemand anders op de wereld. Zo raken kleine en grote momenten, bekende en anonieme levens verweven, per toeval. Maar in Komt op/Gaat af’ gebeurt dat niet naadloos.

De verwevenheid van de verhalen doet denken aan Roland Barthes’ teksten over het vernaculaire. Die beschrijven hoe heel gewone, alledaagse beelden toch een ervaring kunnen teweegbrengen die het louter persoonlijke overstijgt. Het persoonlijke met het universele verbinden is een duidelijke intentie in Boons voorstelling. De herkenbare thema’s die het stuk onderbouwen, lenen zich daar ook uitermate goed toe. Maar Boon ondersteunt het enthousiasme van zijn spel met een al te flinke portie ironie. Het plezier dat hij terugvond domineert de laatste verhalen van de voorstelling en neemt de overhand op de inhoud. Na het verhaal over het dagboek van zijn grootmoeder, dramt Boon een lijst af van bekende en minder bekende historische figuren. De vermelding van de vaak banale manieren waarop ze aan hun einde kwamen volgt steevast op hun naam. Wanneer Boons ironische toon doet lachen, scherpt hij hem nog aan. Het wordt een soort succesformule die schijnbaar willekeurig wordt ingezet. Zo wordt de draagwijdte van het narratief over de grens van het vernaculaire naar het anekdotische geduwd. Bij het afsluiten van het laatste verhaal laat Boon ons uiteindelijk achter met een inhoudelijke leegte, een gebrek aan een betekenis die zijn autobiografische anekdotes over toeval, sterfelijkheid en fotografie overstijgt.

 

Gezien op 24 januari 2019 in ccBerchem.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Gerlinde Van Puymbroeck

recensie