‘Ajax’ – Ola Mafaalani, FACT / Sanne Peper

Loek Zonneveld

Leestijd 5 — 8 minuten

‘Kom naar me toe – Dood’

Ola Mafaalani regisseerde Ajax van Sophocles voor FACT Rotterdam en Theater aan het Spui Den Haag. Een verlaat ooggetuigenverslag door Loek Zonneveld.

De oorlog is voorbij en de meest gevreesde vechtersbaas, generaal Ajax, eist de wapens op van de meest gevreesde Trojaanse koningszoon, de gedode Achilles. Een raadpleging onder de Griekse generaals ‘onterft’ Ajax echter van waar hij recht op meende te hebben: Achilles’ wapens worden aan Odysseus toegewezen. In een dronken roes begint Ajax zijn collega-generaals nog meer te haten dan de gewezen tegenstanders uit de Trojaanse oorlog. Hij zoekt hun nachtelijke dood. Maar de godin Athena slaat hem met blindheid. In plaats van de gehate Atridenzonendoodt Ajax een kudde buitgemaakte schapen en hun herders. Ontwaakt uit zijn blindheid staat hij voor gek. Waar hij dacht Atreus’ zonen, Agamemnon en Menelaos, langzaam dood te martelen, treft hij een paar bloedende schapen in zijn tent aan. Ajax’ woede keert zich nu tegen zichzelf: om aan de spotlust van zijn omgeving en de hoon van zijn legendarische vader, de bejaarde Telamoon, te ontsnappen, stort hij zich in zijn eigen zwaard. Na zijn zelfmoord is Ajax’ tragedie nog niet voorbij: de Griekse veldheren weigeren hem te begraven, de haatdragende Menelaos voorop. Op voorspraak van nota bene Odysseus, zijn grootste rivaal, krijgt Ajax alsnog een eervolle begrafenis. Sophocles maakt van Ajax een onafhankelijk mens, geen denker, eerder een doener pur sang. Hij wil niet alleen sterk zijn in zichzelf, maar ook van zichzelf, hij is niemands bezit, zeker niet dat van de goden. Daar zit de kiem van de afkeer die de godin Athena van Ajax heeft: die eist nederigheid van de stervelingen, een nederigheid die Ajax niet kan en ook niet wil opbrengen. De blindheid waarmee zij hem slaat is haar wraak. Na die gedane arbeid verdwijnt zij ook weer, in het tweede deel van Ajax, de rechtszaak omtrent Ajax’ begrafenis, komt Athena niet meer voor. De hufters beneden zoeken het zelf maar uit.

Het meest hartverscheurend in Ajax zijn de scènes met Ajax’ vrouw Tekmessa en hun jonge zoon, Eurysakes, een zwijgende rol die in de meeste uitvoeringen (ook in die van Ivo van Hove uit 1991) wordt weggelaten. Hun optreden neemt iets van Ajax’ woede weg, hun aanblik maakt hem zacht, zacht genoeg om afscheid van hen te nemen: ‘Er is één ding dat ik je nu benijd / jij weet nog niet wat lijden is. Het leven / is een feest zolang je niets beseft -totdat / je het verschil leert tussen vreugde en / verdriet. Wanneer het zover is moet je / de vijand tonen dat je de gelijke / van je vader bent. Intussen moet je / spelen in de wind – en groeien want dat maakt / je moeder blij. Ik weet dat niemand – niemand / van de Grieken je vernedert – ook al / ben ik weg.’ Alleen (‘bij de zee’ schrijft Sophocles voor) neemt Ajax afscheid van het leven en van Tekmessa: ‘Arme vrouw – als zij het nieuws verneemt – dan huilt / ze dat de hele stad het hoort. Voor mij heeft huilen / nu geen zin meer. Ik moet handelen -en snel. / Kom naar me toe – Dood. Kijk me aan. Met jou kan / ik nog praten als we samen ginder zijn.’ Ola Mafaalani, die vier jaar met Ajax rondliep voor ze het stuk ging ensceneren (als coproductie van het ‘regisseurshuis’ fact in Rotterdam en Theater aan het Spui in Den Haag), haalde de hartverscheurendheid van deze scènes niet uit verstilling, maar uit grof en effectief theatergeweld.

Ko van den Bosch (Ajax), die de woede van de titelheld verbeeldde door de papieren toneelvloer eerst wild met verf te besmeuren en de lappen vervolgens aan touwen op te hijsen, als gevilde dierenlijken in een slachthuis, drukte daarna zijn vrouw Tekmessa (Malou Gorter) en zijn zoon Eurysakes (Jamei Hanacki) weinig zachtzinnig (en ondertussen veel verfvlekken afgevend) tegen zich aan, gooide ze met dezelfde kracht weer van zich af. De verwoestende power van deze scène maakte de teksten goeddeels onverstaanbaar (wat ik jammer vond), maar werkte toe naar een even simpel als prachtig beeld: Ajaxdrukte zijn vrouw bijna plat, Eurysakes bungelde er aan de rug van zijn enorme vader als een hulpeloos wezentje bij, met in zijn ogen de wilde blik van angst (jonge puber die zijn vader voor de eerste keer stomdronken meemaakt, zoiets) en van verlangen om er in godesnaam bij te horen, bij dit onmenselijk verdriet te komen. De fors aangezette stijlmiddelen irriteerden mij aanvankelijk, maar zodra je als toeschouwer begon te merken waar Ola Mafaalani en haar spelers je wilden hebben (niks alles snappen, niks alles horen – je zult godverdomme meemaken wat hier gebeurt!), grepen ze je wel krachtig bij de strot. Dat pesterige spel van een hoge irritatiegraad naar keelsnoerend mooie hoogtepunten, werkte hier in ieder geval wel. Dit in tegenstelling tot de manier waarop Mafaalani het koor (in deze tragedie: matrozen uit Salamis) ‘oploste’. Het kan zijn dat je als regisseur die tragediekoren onneembare barrières vindt (wat ik me kan voorstellen) of voor de dramatische handeling overbodige rommel (wat pertinent onjuist is), maar laat dan in ieder geval zien dat je over het ‘probleem’ van de koorzangen langer dan zes seconden hebt nagedacht, of schrap ze. Déze oplossing, van twee toffe alles-kits-achter-de-rits gozers, die wat in een microfoon mompelden en zingzegden, en verder een leuk moppie voor zich heen stonden te saxofonen of te synthesizeren, was helemaal niks, een gewild en gemakzuchtig Fremdkörper, met althans bij deze kijker voornamelijk irritatie als resultaat.

Kalme glimlach

Vanaf het moment dat Ajax zich, losjes vanuit de pols, naar de andere wereld heeft geschoten, veranderde de toon van de voorstelling direct en ingrijpend. De waterverf werd publiekelijk weggedoucht, de kleding ververst, de theateromgeving verzakelijkt. Op de canapé van Athena, hoog boven het speelvlak, nam plaats: Noraly Beyer, nieuwslezeres van het Nederlandse tv-journaal, hier in functie van rechter-van-dienst. De te behandelen kwestie werd door haar nuchter gepresenteerd: aan de orde is de vraag of het lichaam van Ajax wordt begraven, wat betekent dat hij deel blijft van onze geschiedenis, dan wel dat het wegrot uit ons collectieve geheugen. Scherper gesteld: is vergiffenis mogelijk? Als jury werd door haar een vijfentwintigtal mensen uit het publiek geïnstalleerd, zij die (vrijwillig) hadden gekozen voor de ‘adventure seats’ aan weerszijden van het speelvlak. De pleiters vóór en tégen drentelden voor de twee jurytribunes heen en weer, en namen niet zelden ook ons in vertrouwen. Rechter Noraly Beyer corrigeerde op grof taalgebruik, onevenwichtige beïnvloeding van de jury, en slechts een enkele keer schoot ze uit haar slof (‘U irriteert mij’).

Dit tweede deel van de voorstelling Ajax- aan Sophocles’ origineel schatplichtig en uiteindelijk door Ko van den Bosch uitgeschreven – leek aanvankelijk een sinecure, maar de gewisselde argumenten tilden het probleem (begraven of niet begraven) vrij snel uit boven de anekdotiek. Dat was vooral te danken aan het venijnige redenaarstalent van Frank Lammers (in deel een van de voorstelling nog een verveeld-wulpse Athena, nu in de rol van de haatdragende Menelaos), en de milde ironie van Sam Bogaerts (Odysseus). Toen de jury was weggeleid voor intern beraad, moesten vooral die twee ons wachten op de uitspraak de moeite waard maken. Ze waren daarin op hun mooist als ze het gestuntel, wat wachten in een theaterzaal altijd zal blijven, niet met flauwekul opfristen, maar écht wachten lieten zijn, inclusief het nonchalant of onhandig uitwisselen van een paar onverwachte subteksten en commentaren bij hun eigen publieke pleidooien van daarvoor. Dat de jury-uitspraak in verreweg de meeste van de voorstellingen niet echt zal hebben verrast, doet minder ter zake dan het feit dat de wijze waarop dit tweede deel was geënsceneerd, een daadwerkelijke spanning opriep: er leek echt iets wezenlijks op het spel te staan, en die ogenschijnlijk eenvoudige vraag waartoe Noraly Beyer de kwestie terugbracht – is er vergiffenis mogelijk, spreekt er nog geweten uit onze wetten? – leek zo gek nog niet.

En Ajax zelf? Uit Homeros’ Odyssee weten we dat het Odysseus toegestaan was om de gestorven titelheld zelfs tot in de Hades op te zoeken. Alle doden van de Trojaanse oorlog visten tijdens dat bezoek bij hem naar nieuwtjes uit het rijk der stervelingen. Alleen Ajax niet. Hij zweeg. Odysseus was zelfs bereid om de schim van Ajax alsnog de begeerde wapens van Achilles te schenken. Ajax weigerde, hij berustte. Zo liep Ko van den Bosch’ titelheld tijdens de rechtszitting ook rond, nonchalant sigaretten rokend, met af en toe die kalme glimlach op het gezicht, die al sprak uit de laatste woorden waarmee hij van het Licht van de Dag, zijn leven, afscheid nam: ‘Je kreeg het laatste / dat Ajax voor je had. Het volgende is / voor de schimmen in de kamers van de dood.’

Ajax is een indrukwekkende productie geworden, die meer voorstellingen verdiende dan het schamele dozijn dat het op sterven na dode, want al bijna van de subsidiekaart weggeveegde ‘regisseurshuis’ fact kon programmeren. De moeite van een reprise meer dan waard, dunkt me.

 

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Loek Zonneveld

Loek Zonneveld (1948) is toneelrecensent en leraar toneelgeschiedenis. In 2013 ontving hij de ACT Award voor zijn “liefdevolle toneelrecensies” en “het delen van zijn immense kennis op het gebied van de theatergeschiedenis met acteurs”.

recensie