Simon Baetens

Leestijd 4 — 7 minuten

Knaus – Alexia Leysen

Een bewogen evenwichtsoefening

Met Knaus wil theatermaakster Alexia Leysen het werk van de Noorse auteur Karl Ove Knausgård naar de scène vertalen. Ze schreef een tekst aan de hand van fragmenten uit zijn meer dan 3.500 pagina’s tellende, hyper-persoonlijke autobiografische reeks Min Kamp (Mijn Strijd).  

In Leysens versie vertolkt acteur Valentijn Dhaenens een man die veel weg heeft van Knausgård, maar er is meer aan de hand: Dhaenens’ identiteit als acteur lijkt ook op het spel te staan. De tekst bevat namelijk ook elementen van zijn persoonlijk leven. Hoe werkt dit relaas van oversharing op theater, wanneer de auteur en het personage niet langer samenvallen? Een controversieel levenswerk vertalen naar een voorstelling, blijkt alleszins een complexe evenwichtsoefening.

Min Kamp is het verslag van een man die het alledaagse van zijn familiaal leven tot een monumentaal kunstwerk wil verheffen. Knausgård ging hierin zo ver dat zijn familiebanden na publicatie nooit meer hetzelfde waren. Leysen kiest ervoor om naast zijn persoonlijke geschiedenis ook meerdere reflexieve lagen te implementeren in haar versie van Knausgårds oeuvre. Zo wil ze het autobiografische in vraag stellen door de auteur en de vertolker te dissociëren. Dhaenens spreekt bijvoorbeeld over zijn werk als acteur: dit doet hij soms aan de hand van passages die zowel over Knausgård als auteur kunnen gaan, als over hem als doorgever van andermans verhalen. Hij heeft het over hoe het zijn taak is beelden te scheppen en zo zijn blik op de wereld door te geven. Ook zitten er enkele heel expliciete verwijzingen naar collega-acteurs en zelfs naar Leysens eerdere voorstelling My Life With The Tree (2016) in de tekst. Deze keuzes leiden tot een universum waarin vooral Dhaenens’ persoon centraal staat en bijgevolg krijg je als toeschouwer zijn blik op de wereld voorgeschoteld.

De scène is vrijwel leeg, afgezien van een grote platte schijf die achter Dhaenens hangt. Is het een  hemellichaam? Of een soort Oosterse gong? Het lichtplan brengt naarmate de voorstelling vordert mondjesmaat duidelijkheid: eerst is de cirkel slechts schaars verlicht, doorheen de voorstelling wordt er een spel met ellipsen en eclipsen gespeeld, als een constellatie van maan en zon die om elkaar heen cirkelen. Deze beelden suggereren de tijd die voorbijgaat en versterkt de eenzaamheid van Dhaenens op scène die ook in de vertelling doorschemert. Op enkele momenten lijkt Dhaenens zich als lichaam tot dit object te verhouden, door er even tegen te leunen of te kijken of hij eronder past wanneer hij zijn rug kromt. Verder functioneert de scenografie vooral als sfeerscheppende achtergrond. Het lichtspel van cirkels op de vloer is secuur en ontroerend.

De inhoud van een voorstelling valt niet noodzakelijkerwijs samen met de identiteit van de vertolker, maar in KNAUS is (auto)biografie een centraal thema. Bijgevolg is het voor het publiek niet langer duidelijk is wie er aan het woord is. Deze dramaturgische ingreep, die voor spannende verwarringen zou kunnen zorgen, werkt de voorstelling echter niet volledig in de hand.

Meerdere malen spreekt Dhaenens iemand uit het publiek rechtstreeks aan: “Mevrouw, als ik u morgen bel om te vragen of we samen een koffie gaan drinken, wat zou u dan zeggen? Zou dat mogen van uw man?” vraagt hij bijvoorbeeld. Dit soort ingrepen laten de grenzen tussen de ficties van het literaire en het theatrale vervagen. Centraal staat de vertelling waaruit een cynische levensvisie spreekt: een laag zelfbeeld, struggles met mannelijkheid, de angst om oud te worden en ja, zelfs de vraag “waarom we leven” passeren stuk voor stuk de revue. Maar als het niet duidelijk is wie over deze kwesties spreekt, krijgen deze vragen in het beste geval een universele kwaliteit en in het slechtste geval een generisch, inwisselbaar karakter. De tekst en vertolking van Knaus schipperen voortdurend tussen beide uitersten.

Dhaenens zegt, in de door Leysen geselecteerde en bewerkte woorden van Knausgård, dat hij het liefst van al geen interviews zou willen geven en het werk voor zich zou willen laten spreken. Maar wat spreekt er nog uit dat werk als dit soort meta-bedenkingen een plaats krijgen in de tekst? De gesuggereerde spontaniteit van dergelijke passages staan haaks op de schriftuur van de rest van de tekst. Niet langer twijfelen we of Knausgård of Dhaenens aan het woord is, en de ambiguïteit hieromtrent lijkt ook niet meer belangrijk te zijn. Het resultaat is een eerder idiosyncratisch universum. Knausgård/Leysen/Dhaenens zeggen naar zingeving te zoeken maar de tekst onderstreept vooral het onvermogen hiertoe. Ook het feit dat we als publiek samenkomen om naar de tekst te luisteren, lijkt (het personage van) Dhaenens weinig te doen. Maar waarom zou je, zoals Knausgård deed, zo’n persoonlijk werk publiceren als je niet ergens gelooft dat het anderen aangaat?

Op een gegeven moment valt de zin “Ik stel als mens niets voor”. Dit is uiteraard geen onzinnig inzicht, waar we allemaal vroeg of laat mee geconfronteerd worden. Maar als theatermaker kan je er wel voor kiezen een voorstel te doen: waarover wil Leysen ons laten nadenken? Onderschrijft ze Knausgårds kijk op het leven of wil ze deze net tegenkleuren? Wil ze dat we Knausgård gaan lezen of wil ze ook zelf als auteur een punt maken?

Uitzichtloosheid is een kernthema in Min Kamp. Door de ver doorgedreven eerlijkheid van Knausgård slaan zijn worstelingen echter toch aan bij een groot publiek en lijkt er een mogelijke uitweg te zitten in het omarmen van alle kleine kantjes van het bestaan. In Knaus is het zoeken naar of we de ideeën van Leysen, Dhaenens of Knausgård te horen krijgen en vooral naar waar deze bedenkingen toe willen leiden. De voorstelling lijkt universaliteit te claimen (in tijden van intersectioneel denken al een omstreden premisse) maar slaagt hier niet geheel in door niet zo consequent ondragelijk in-your-face te durven zijn als de schriftuur van Knausgård. De radicaliteit die Min Kamp kenmerkt door o.a. het exhibitionistische karakter, de minutieuze eerlijkheid, het aantal pagina’s en de vele jaren werk laat zich moeilijk naar 75 minuten teksttheater vertalen. Het resultaat is een meer dan degelijke monoloog die rake vragen stelt maar persoonlijkheid mist en daardoor onschadelijk blijft. Naar wiens strijd hebben we eigenlijk gekeken?

Het einde, waarin de cirkel een seconde lang verblindend oplicht, geeft de voorstelling een welgekomen abstractie die de vertelling overstijgt en tot een hoger niveau tilt door even te durven vertrouwen op wat naar theater kijken onderscheidt van een boek lezen: woordeloze beelden laten spreken waarin ieder van ons zich kan herkennen. KNAUS wordt bijgevolg nogmaals gekenmerkt door de paradox tussen individuele en gedeelde verhalen. Eerder dan dat dit een complexe dramaturgie oplevert, zorgt het voor een zekere vrijblijvendheid. De voorstelling is absoluut onderhoudend, de tekst is bij momenten bewogen en breekbaar mooi, Dhaenens is zonder twijfel een goede speler. Maar KNAUS kruipt niet onder de huid. Na afloop sla je het boek dat Dhaenens vertolkt toe en zet je het in de kast. Je hebt een goed verhaal gelezen, maar het boek heeft je niet radicaal veranderd. Vraag is of elk boek, elk kunstwerk, dat moet doen.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#156

15.03.2019

14.05.2019

Simon Baetens

Simon Baetens is masterstudent Drama op KASK School Of Arts en is lid van de Grote Redactie van Etcetera.

recensie