Pieter T’Jonck

Leestijd 4 — 7 minuten

Klapstuk ’99; veel verleiding, weinig kritische zin

Ter informatie publiceren we hier de Klapstukkritiek van Pieter T’Jonck die op 4 november 1999 verscheen in De Standaard en die de aanleiding vormde tot voorgaande briefwisseling.

Klapstuk ’99 laat een ongemakkelijk gevoel na. Van tweeën een: ofwel gebeurt’ er niets meer in de dans en is deze kunstvorm daarom aangewezen op peptalk en merchandising om te overleven tot weer betere tijden aanbreken. Ofwel is er met Klapstuk zelf, met de wijze waarop de formule ingevuld wordt, iets aan de hand. Worst case-scenario: beide problemen doen zich tegelijk voor. Hoewel er aanwijzingen zijn dat dans lang niet meer de kunst is waar ‘het’ gebeurt, zoals in de jaren ‘8o, houd ik het er voorlopig op dat het vooral Klapstuk zelf, als festival, in de editie ’99 mangelde aan een goed onderbouwd opzet.

Meer dan één voorstelling op Klapstuk ’99 – en dan in het bijzonder ‘neoklassieke’ voorstellingen zoals die van Thomas McManus en Dana Caspersen – toonde hoe kwetsbaar dans wel kan zijn als ze ontdaan is van alle parafernalia die haar ‘herkenbaar’ maken. Ondertussen hebben we – door een jarenlange omgang en groeiende vertrouwdheid – leren zien wat de inzet(ten) is (zijn) van de vreemde grimassen en kronkelingen van postmoderne dansers als Steve Paxton. Het blijkt echter heel wat minder evident om om te gaan met ijle bewegingsgedichten die geformuleerd worden in een al te herkenbare taal – het klassieke ballet – als ze ons vervolgens elke makkelijke zingeving en betekenis onthouden. Als een festival twee zo’n voorstellingen programmeert, die een critica als Dominiek Van Besien vervolgens doodleuk afdoet als kouwe drukdoenerij, dan is dat festival het aan zichzelf en de uitgenodigde kunstenaars verplicht om een context te creëren waarbinnen de woorden en de gedachten kunnen ontwikkeld worden om over dit werk te spreken. Vorige edities van Klapstuk blonken precies op dat punt steeds uit, zelfs al was de programmering niet altijd vlekkeloos. Die erfenis van Michel Uytterhoeven, Bruno Verbergt en Johan Reyniers/Koen Kwanten werd, mijns inziens, in ’99 verkwanseld. Argeloos plande ik aanvankelijk een bezoek aan de gesprekken met kunstenaars van danser-choreograaf Randi De Vlieghe. Toen talloze ontzette bezoekers mij duidelijk maakten dat het hier om een mislukte en inhoudelijk onzinnige persiflage op tv-shows ging, zag ik bijtijds van dat voornemen af. Maar helaas, iets anders dan die ‘inhoudelijke discussie’ was in geen velden of wegen te bekennen, gesprekken met andere festivalgangers even niet meegerekend.

Dat was vroeger wel even anders. Waar is de tijd dat een eminent denker en choreograaf als Steve Paxton in een reeks boeiende gesprekken in dialoog ging met andere theatermakers. Meer dan eens vielen uit deze gesprekken, mede door het scherpe oog en de grote ervaring van Paxton, verbazingwekkende inzichten te distilleren over het functioneren van een voorstelling. Gedenkwaardig is ook hoe Paxton zelfs kunstenaars, wiens voorstellingen hij binnenskamers als ‘incredible bullshit’ omschreef, publiek met het grootste respect benaderde en zich de grootst mogelijke inspanningen getroostte om de kwaliteiten van hun werk nader te omschrijven. Als in dit festival een choreografe als Anne Teresa De Keersmaeker van stal gehaald wordt, blijkt die intentie en dat respect echter allerminst aanwezig. Zij is er als mediatiek evenement. Foute boel, zo heet dat boven de Moerdijk.

Een ander, en naar ik vrees zeer verwant, discursief probleem van dit festival was het taalgebruik van brochure en flyers, en de attitude die ze verraden. ‘Rare kwieten, straffe madammen…’, op het eerste gezicht zijn het sympathieke, wat onbevangen uitdrukkingen van respect voor wat kunstenaars doen. Persoonlijk deel ik zo’n niet-gereflecteerde bewondering voor kunstenaars in het geheel niet. Anderzijds heb ik ook niet de zoölogische fascinatie waarvan dit festival af en toe blijk gaf. Hoe langer het duurde, hoe meer ik het gevoel had dat dit festival een oefening aapjes-kijken-in-de-dierentuin was, met uiteraard meer en minder flinke aapjes, maar een kniesoor die daar op let. Het is mijn rol om een kniesoor te zijn, en ik heb daar dan ook op gelet. Als je een festival hedendaagse dans maakt, dan doe je dat mijns inziens om twee redenen. Enerzijds wil je een aantal brandende kwesties of belangrijke tendensen zichtbaar en bespreekbaar maken. Zoals gezegd, dit festival mislukte op dat punt ‘con brio’. Anderzijds wil je ook (jonge) kunstenaars een context bieden waarin ze zich op een waardige manier kunnen meten met anderen. Dat betekent onder andere dat je als festivalorganisator ook tijdig moet ingrijpen wanneer het fout gaat. Ook als de kunstenaars in kwestie vreselijke stijfkoppen zijn, die van geen goede raad willen weten. In minstens twee gevallen, en het doet er hier verder weinig toe welke dat zijn, liet de organisatie verstek gaan op dit punt. Dat is niet ernstig.

Evenmin ernstig is het om, met een niet geringe dosis ‘mauvaise conscience’, de actualiteit alsnog aanwezig te stellen middels voorstellingen die weliswaar actuele kwesties lijken aan te snijden, maar in hoofdzaak verleiding met kritiek verwarren. In het geval van Montalvo & Hervieu was dat evident: de multiculturele samenleving voorstellen als een vrolijke optelsom van etnische tics is, wat mij betreft, intellectueel onzindelijk, zij het dat het resultaat in dit bijzondere geval zeer vermakelijk was. Oraculos van Enrique Vargas is een heel wat intelligenter werkstuk, maar net daarom ook verraderlijker. Wat Vargas doet komt neer op een subtiele en zeer geslaagde manipulatie van je zintuiglijke ervaring. Door er een hocus-pocus over een ‘persoonlijke’ vraag tijdens een ‘persoonlijke’ reis aan toe te voegen, doet hij het echter voorkomen alsof we hier aan de metafysica raken. Niets van, natuurlijk. Je wordt gewoon door een uitgekiende actie op je zintuigen tijdelijk geherprogrammeerd om in een bepaalde stemming te komen. Maar dat je daardoor meer te weten zou komen dan tevoren van hemel en hel, of wie weet spiritualiteit, moet als grove overdrijving bestempeld worden. Oraculos is geen metafysica, maar mechanica (van de verleiding).

Ook Klapstuk ’99 stond in het teken van de verleiding. Op zich okay, als verleiding niet het enige is wat bijblijft. In het jargon van dit festival: hopelijk blijft een ‘Space Odyssey’ als deze ons in 2001 bespaard.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

artikel