Pieter T’Jonck

Leestijd 9 — 12 minuten

Klapstuk ’99: over intuïtie en concept

Pieter T’Jonck beantwoordt de brief van Guy Cools.

Beste Guy,

Bedankt voor je reactie op mijn korte stukje in De Standaard (zie ook pag. 54 van deze Etcetera). Ik kan enkel proberen een aantal bedenkingen die ik mij bij het schrijven ervan maakte – nogal recht-voor-de-raap, ik geef het grif toe -wat preciezer toe te lichten.

Ik was, dit moet mij vooraf van het hart, enigszins verrast door je constructie van een vrouwelijke vs. een mannelijke wijze van programmeren en/of kijken. Je omschrijft het vrouwelijke als ‘minder conceptueel, meer intuïtief’. Ik denk dat je, ongeacht de verschillen die er uiteraard zijn tussen mannen en vrouwen, een denkfout maakt als je stelt dat een grotere mate van intuïtie een lagere dosis conceptuele kracht impliceert. Het is integendeel mijn ervaring dat sterke concepten heel vaak, zo niet altijd, het resultaat zijn van een scherpe intuïtie, dat er m.a.w. een bijna direct verband tussen de aanwezigheid van beiden bestaat. Laat ons er even van uitgaan dat de werkelijkheid, zoals die zich aandient, meer weg heeft van een onoverzichtelijke troep dan van een bevattelijk, laat staan rationeel geordend geheel. Als je op die werkelijkheid een ingreep wil plegen, bijvoorbeeld een artistieke of een essayistische, dan is het niet zo evident waar en hoe je daarmee zou beginnen. Het vraagt een soort intuïtie om de zaken zo te schikken, om net die facetten uit te lichten die maken dat er een bepaalde figuur verschijnt, dat een bepaalde mogelijkheid zich toont. Die intuïtie, die bijna per definitie ‘onbewijsbaar’ is – en voor het gemiddelde denken ook ‘vergezocht’ kan lijken -, moet je vervolgens hard maken. De mate waarin je daarin slaagt zou je met de term ‘conceptuele kracht’ kunnen omschrijven. De hele geschiedenis van het theater is een voortdurende demonstratie geweest van zo’n intuïtieve grepen die vervolgens hard en duidelijk gemaakt werden. Als Wagner de eerste keer de lichten in de zaal doofde, vond men dat allicht een buitenissige frats, maar plots opende zich daardoor de mogelijkheid van een ‘andere’ wereld op de scène, die uiteindelijk de weg zou bereiden voor ‘cinema’. Als Steve Paxton zowat de omgekeerde weg bewandelde en zijn lichaam gebruikte als kapstok of wandelende mensen op het podium zette, dan reveleerde hij, in zijn dooie eentje, een bepaalde manier van kijken naar het menselijk lichaam die tevoren ondenkbaar was. Het zijn maar twee voorbeelden van artistieke praktijken – van mannen in dit geval – waar intuïtie en conceptueel denken een twee-eenheid vormden. En telkens raakten zij een blootliggende zenuw van de wereld waarin zij opereerden. Iedereen had die blootliggende zenuw kunnen zien, maar iedereen keek erover heen. Vrouwelijk of mannelijk lijkt mij in dit geval een secundaire, zoniet onbelangrijke kwestie. Hoogstens kunnen we een boompje opzetten over de vraag of de intuïtie en de conceptuele verwerking van mannen en vrouwen zich op andere dingen en methodes richt. Allicht wel, maar als zodanig ook moeilijk te veralgemenen.

Je zal tegenwerpen dat ik het hier heb over kunstenaars en niet over de constructie van een vertoog rond en over kunst en kunstenaars. Ik krijg dan wat het onaangename gevoel dat hier latent een oppositie geconstrueerd wordt tussen het vrouwelijke, intuïtieve van de kunstenaar en de kille, hardvochtig-rationele kant van de kritiek en de curator. Jouw opmerking dat dit festival een feest voor de zintuigen was – iets wat ik overigens niet ontken, zelfs of zeker niet in het geval van Oraculos – en dat we dat als geschenk moeten aanvaarden zonder te beknibbelen op de inhoud van het cadeau, lijkt mij in die richting te wijzen. Ik denk dat het ook hier om een misvatting gaat. Als ik stukjes schrijf over theater en dans, dan heeft dat veel zoniet alles te maken met een hartstochtelijk plezier in het kijken naar theater. Cru gesteld, over stukken die ik niet goed vind, schrijf ik eigenlijk liever niets. Praktische omstandigheden laten dat niet toe, maar het is tijdverlies. Schrijven over theater en dans is altijd een poging om te bevatten wat je geraakt of geïntrigeerd heeft in een stuk, om je bewondering voor wat iemand doet om te zetten in een soort ‘begrijpen’ of helder maken voor jezelf. Ik geloof, hoe gek dat misschien ook kan klinken, dat kritiekloze bewondering voor een kunstenaar zowat de grofste belediging is die je hem/ haar kan aandoen. Nu is theater, en dan in het bijzonder theaterdans, een bij uitstek zintuiglijke ervaring. Maar met die zintuigen is op zijn minst iets vreemds aan de hand. We weten allemaal dat bepaalde zintuiglijke waarnemingen ons ‘iets doen’, iets in ons beroeren en in beweging kunnen zetten. Muziek kan ons tot tranen toe ontroeren, terwijl er strikt gesproken niets meer aan de hand is dan een gecompliceerde golfvormige luchtverplaatsing voortgebracht door trillende lichamen. Sommige beelden kunnen nog veel sterkere affecten veroorzaken: als je kijkt naar Salo van Pasolini moet je al bijzonder hard zijn om niet af en toe je maag te voelen keren. In werkelijkheid zien we echter niets meer dan kleurvlekken op een plat vlak. Niets echts, en dat weten we verdomd goed. En dat alles is zeer typisch menselijk: mijn kat reageert bijvoorbeeld niet op Bach of Pasolini. En wat is typisch menselijk? Taal, in de zeer brede zin van het woord. Het is een platitude, maar ze blijft waar: het is maar als een gebeurtenis opgenomen raakt in een taal dat ze begint te werken, aanslaat. Het is maar op het ogenblik dat je een gebeurtenis kan kaderen dat er ook sprake is van een gebeurtenis. Met andere woorden: er is de conceptuele arbeid van de kunstenaar, maar die bestaat maar bij gratie van de conceptuele arbeid van de kijker.

Ik wil nog even dieper ingaan op het al aangehaalde beeld van de blootliggende zenuw. Met taal krijg je ook allerhande onderscheidingen en ordeningen mee die de wereld bevattelijk maken. Die onderscheidingen zijn maar al te vaak niet de onze, ze zijn ons doorgegeven als resultaat van een lang historisch proces waarvan we in het algemeen nauwelijks de achtergronden bevroeden, laat staan dat we er de contradicties en verzwegen verboden van inzien. We zijn er ons meestal zelfs gewoon niet van bewust dat we zelf weinig denken, maar vooral gedacht worden. Kunst, in zijn beste momenten, heeft nu precies een vermogen om iets van al die hidden text te laten zien, om de rauwe zenuw van een onhoudbaar verhaal te raken. Dat kan op allerlei manieren gebeuren. Er is een populair geloof dat kunst je half bewusteloos moet slaan, je naar de keel moet grijpen, etc. etc. Veel vertrouwen heb ik niet in dat soort artistieke terreur. Iets anders is het als kunst je even op het verkeerde been zet, door je schuins naar de dingen te laten kijken plots een ander facet van de werkelijkheid laat zien. In het geval van theater en dans heeft dat vaak te maken met een beeld van lichamelijkheid dat anders is dan wat pakweg in de media als ‘normaal’ geconstrueerd wordt. Om het – en passant – even te hebben over zowel Vargas als Montalvo: in beide gevallen ontbreekt nu net die marge, die verdubbeling van de werkelijkheid in een vervormende spiegel (sorry voor het platvloerse beeld, er schiet mij niets beters te binnen) die je gepantserde kijk op de werkelijkheid kan doorbreken. Bij Montalvo hoeft dat, denk ik, geen betoog. Ik heb mijn bezwaren al uiteengezet. Bij Vargas is het subtieler. In de tocht die je onderneemt worden je zintuigen, zelfs je hele lichaam zeer subtiel gemanipuleerd, op een wijze die mij enigszins deed denken aan therapeutische scenario’s die via ‘lichaamswerk’ naar ‘geestelijke bevrijding’ toewerken, met alle Tarot-hocus-pocus vandien. Hoe prettig dat ook kan zijn – een goede massage is nooit weg -, het gaat om een uiterst illusoire en narcistische vorm van bevrijding. Of je er veel wijzer van wordt is de vraag. Eerder wordt hier een mythe van het einde van de twintigste eeuw bespeeld, dat de laatste waarheid die we hebben ons lichaam en ons ware zelf is. Niet genuanceerd, op zijn kop gezet, voetje gelicht…

Laat ik het maar ronduit zeggen: kunst moet voor mij een beetje intelligent, een beetje ad rem en pertinent en een beetje tegendraads zijn, maar niet uitleggerig, en zeker niet manipulatief. Aan kunst die volledig samenvalt met haar verklaring heb ik een broertje dood, maar aan kunst die een vraag naar verklaring ruilt voor schaamteloze verleiding al evenzeer. Kunst ‘rammelt’ aan onze voorstellingen, maar zegt daarom niet hoe we daarna wel zouden moeten kijken of denken. Het is het werk van de kijker om bedenkingen te maken. Nu is taal een bijzonder kreupel instrument om die taak aan te vatten en bovendien het bolwerk zelf van onze meest verroeste gedachten over de werkelijkheid en hoe die behoort te zijn. Dat is bij uitstek waar voor dansvoorstellingen. Soms voel je gewoon aan je klompen aan dat er ‘iets’ aan de hand is bij een voorstelling, maar je krijgt het gewoon niet gezegd of op papier gezet. En zo verdwijnen de dingen. Sterker zelfs, ze zijn al verdwenen voor je ze gezien hebt. Naar William Blake: als een zintuig zich sluit, verdwijnt ook zijn object. Maar zintuigen moeten we vooral niet te nauw opvatten! Ook denken, meer of minder intuïtief, is een zintuig en wel een dat zich bij uitstek leent tot training. Enkel wie uiterst dom of verstandig is laat die oefening aan zich voorbijgaan. Een oefening die je niet alleen kan maken, maar noodzakelijkerwijze in een kritische dialoog ontstaat. En daar ligt bij uitstek de taak van een festivalbouwer.

Vandaar mijn bezwaren tegen het ‘discours’ van dit festival. Om te beginnen doet het programmaboekje het voorkomen alsof er geen discours opgebouwd wordt, maar er in alle onbevangenheid gekeken en gekozen is. Dit is metadiscours, zelfs ideologie van het zuiverste water. Een willekeurige zin: ‘Wij zijn – ondanks onze weerstand tegen nep-NewAge gedachtegoed – meteen verkocht. Als dansvoorstellingen hun effect op de toeschouwer hebben via het principe dat metakinesis heet, (…) dan is het niet eens zo gek om bij de eigen zintuiglijke ervaringen aan te vangen en bij de herinneringen die ze oproepen.’ Wat treft is de persoonlijke toon die hier aangeslagen wordt. ‘Meteen verkocht.’ Is dat een criterium voor kunst, voor dans, dat je meteen verkocht bent? Of is het een reclameslogan die net zo goed op koekjes en chocolade van toepassing kan zijn? Is het een soort aanmoediging van: we gaan hier vooral niet moeilijk doen, wat je zelf denkt is goed gedacht? En verder: het is niet eens zo gek om bij de eigen zintuiglijke ervaring te beginnen. Word je daar zoveel wijzer van? Heeft dit nu enig kritisch gehalte of is het pure kick? Pure kick, suggereert de inleiding. Maar er is toch meer dan kick genoeg rondom ons, we worden toch meer dan genoeg met onszelf gefeliciteerd dat dat hier niet nog eens moet overgedaan worden?

In elk geval is mij helemaal niet duidelijk hoe zo’n voorstelling de fond kan leggen voor een festival waarin vervolgens expliciet de schijnwerpers gericht worden op een aantal ‘neoklassieke’ dansers. ‘Neoklassiek’ is natuurlijk een vreselijk woord, een vlag die al te veel ladingen dekt. In werkelijkheid merk je hoe een heel groot deel van het publiek afhaakt bij het werk van iemand als Dana Caspersen. En dat is ook niet zo verwonderlijk, want wat zij doet is erg moeilijk te bevatten, alleen al door de wijze waarop ze haar werk construeert. Een grote massa gegevens en verhalen worden omgezet in bewegingen, maar vervolgens wordt de hele achtergrond van dat werk weggewist en blijft alleen een kale klankband met data en plaatsnamen over. Wat je in hoofdzaak ziet is een complex weefsel van bewegingen, dat zich niet makkelijk laat ordenen en dus bevatten, en ook niet echt spectaculair is. Wel erg nauwgezet, op een gedetailleerde manier verrassend. Het doet in zekere zin denken aan werk van Cunningham, niet in zijn esthetische principes, maar wel in de hardheid en compromisloosheid van de keuze voor een zoektocht naar een esthetica van lichamen die geen enkele gebruikelijke canon, ook niet die van het klassieke ballet, op een herkenbare manier gebruikt. Ik kreeg voor mezelf ternauwernood uitgelegd wat hier gebeurde, maar tegelijk was er een kwaliteit en standaard van werken die me ertoe dwong te erkennen dat dit geen triviaal ‘gedoe’ kon zijn. Marianne Buyck geeft een voorzet met het beeld van een soort gebed. Maar ik had wel graag wat meer van die voorzetten gehoord en miste node een gelegenheid waarin iemand die beter met het werk vertrouwd is, al dan niet in een gesprek, peilde naar de sleutels die op dit werk passen, die toelaten er ‘iets mee te doen’.

Hetzelfde is waar voor het werk van McManus. Wat nu gebeurt is dat ‘neoklassiek’ zeer en vogue is, maar niet noodzakelijk geïntegreerd wordt in het denken over dans of het dansen zelf. Mutatis mutandis zou je iets gelijkaardigs kunnen beweren over het werk van Brice Leroux. Of die nu van P.A.R.T.S. of Rosas komt zal mij worst wezen, de koppige consequentie van zijn werk vond ik daarentegen zeer intrigerend, al was het maar omdat de duisternis waarin de dans getoond werd een zeer rijk associatieveld opende. Het lichaam als een donker continent met zijn eigen toon. Er vallen ongetwijfeld verbanden te vinden met het werk van andere jonge choreografen als Charmatz, maar ook die contextualisering ontbrak hier.

Twee dingen nog kort

Een. Ik vind dat je als festivalorganisator wel degelijk kan ingrijpen als iets niet werkt. Anderzijds, als jonge kunstenaars echt niet willen luisteren, dan zit er wellicht niets anders op dan ze voor de leeuwen te gooien. Ze zijn inderdaad oud genoeg, en wie niet horen wil moet maar voelen.

Twee. Ik keek verbaasd op dat vroegere Klapstuk-directeurs mijn mening delen dat ‘het’ in de dans niet meer gebeurt. In alle geval: er is over deze uitlating niet de minste gedachtewisseling geweest. Ik denk niet dat je argument dat de dans een ‘boom’ beleeft, of dat de postmoderne Amerikanen in Frankrijk gefêteerd worden echt een aanwijzing is dat dans nog in het brandpunt van het artistieke debat staat. Het gaat er mij eerder om dat de dans zich op dit ogenblik niet meer vernieuwt op dezelfde manier als pakweg tien jaar geleden, en dat tegelijk de fascinatie voor de vele betekenissen van het lichaam zijn hoogtepunt wat gehad heeft. Anderzijds, een voorstelling als William Forsythes Endless House toont aan dat dans nog steeds zeer baanbrekend kan zijn, met veel verstrekkender betekenis dan het herijken van de betekenis van het lichaam.

In alle geval wil ik je bij deze hartelijk danken voor je reactie, hoewel ik het heel vaak oneens blijf met je stellingnames. Het ontbreekt ons te veel aan een werkelijke gesprekscultuur – dit festival was er een voorbeeld van – en je welgemikte trappen tegen dat grote stilzwijgen zijn wat mij betreft dus meer dan welkom.

Met vriendelijke groet,

Pieter T’Jonck

 

open brief
Leestijd 9 — 12 minuten

#70

15.12.1999

14.03.2000

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

open brief