Frauenballett (Susanne Linke) – Foto Georg Schreiber

Rina Barbier

Leestijd 7 — 10 minuten

KLAPSTUK 83

Het expressionisme in de danskunst      

Folkwang Tanzstudio 1928/1983 Het Klapstuk ’83 is voorbij. Een gigantische organisatie in Leuven, waardoor een groot aantal internationale gekende groepen naar België zijn gehaald. Een uitstekend initiatief, omdat vele van de getoonde voorstellingen ons land anders waarschijnlijk nooit bereikt zouden hebben. Vanzelfsprekend kon niet alles op een zelfde niveau zijn, maar over het algemeen kan men spreken van hoge kwaliteit. Naast o.a. Merce Cunningham, Anne Teresa De Keersmaeker, Carlotta Ikeda, Dana Reitz, trad ook Suzanne Linke en haar groep de Folkwang Tanzstudio op. Daar zij een leerling is geweest van Mary Wigman en ook de Folkwang Tanzstudio een zeer bepaalde achtergrond heeft, ligt het voor de hand deze voorstellingen te plaatsen in een historisch kader.

De zin voor ritme

Aan het begin van de 20ste eeuw lag het balletterrein in Duitsland volledig braak. De afwezigheid van klassieke gezelschappen en het ontbreken van een traditie maakten dat de belangstelling uitermate geprikkeld werd door de moderne dansbeweging, die in de personen van Isadora Duncan en Ruth St. Denis, Europa overspoelde. Het hoogtepunt werd bereikt tussen de twee wereldoorlogen, gedurende de Weimar-Republiek. Als gevolg daarvan ontwikkelde zich in de jaren ’20 in Duitsland de expressionistische dans. Uitgangspunt waren de theorieën van Emile Jacques Dalcroze en Rudolf von Laban. Volgens Dalcroze lagen gymnastiek, ritmiek en notenleer aan de basis van het fysiek en moreel evenwicht van het individu. Zijn methode was erop gericht de zin voor ritme te ontwikkelen door klanken om te zetten in lichaamsbewegingen. Dalcroze werkte zijn systeem uit voor de balletkunst, maar al vlug bleek dat het maken van choreografieën hiermee niet mogelijk was. Rudolf von Laban werkte het systeem weer verder uit en paste het aan de toneeldans aan. Hij ontwierp een danssysteem gebaseerd op zijn ruimte- en uitdrukkingsleer. De nadruk ligt bij hem op het gevoel dat door het gebaar moet opgeroepen worden. Artiesten als Mary Wigman, Kurt Jooss, Yvonne Georgi, Gret Palucca, Harald Kreutzberg en vele anderen, traden toen overal in het land op voor een enthousiast publiek. De Duitse Ausdrucktanz (expressieve dans), die zo duidelijk een deel was van de grote expressionistische beweging, bewees één van de belangrijkste vitale gistingen van de nationale artistieke scène van de jaren twintig te zijn. Eén van hun sterkste punten waren de solorecitals.

Wigman, die eveneens als solodanseres debuteerde, werd snel daarna Duitslands meest fameuze danseres. Zij opende in 1920 een school in Dresden, de focus van de Duitse moderne dans. Met haar groep maakte zij wereldwijde tournees en afdelingen van de school werden tot in de VSA opgericht. Wigman was voorstander van de absolute choreografie en weerde daarom elke vorm van begeleiding uit haar werken.

De Groene Tafel

In 1927 werd in Essen in het Ruhrgebied een school voor toegepaste kunsten gesticht. Hieruit kwam in 1928 de Folkwang Tanzstudio voort, die geleid werd door o.a. Sigued Leeder, Fritz Cohen en Kurt Jooss. In 1929 werd deze Studio alweer opgeheven en werd een deel van de Opera van Essen, onder de nieuwe benaming ‘Folkwang Tanzbühne’. In de periode ’29-’33 werden heel wat balletten gecreëerd, alle in choreografie van Jooss. Het belangrijkste daarvan was ongetwijfeld De Groene Tafel, voor het eerst vertoond in Parijs op 3 juli 1932. Geïnspireerd door de eerste wereldoorlog en zijn nasleep, beschrijft dit ballet de verschillende aspecten van de oorlog; te beginnen met de conferentie rond de tafel met het traditionele groene kleed, gaat het over de mobilisatie, de strijd, de oorlogswoeker, de vluchtelingen… om weer te eindigen met de conferentie waarmee het werk begon. Kurt Jooss beeldt in dit ballet de mens uit als speelbal van politici zonder scrupules, van oorlog, wreedheid, uitbuiting, misleiding en dood. Jooss tekent dit alles met de rake eenvoud van de ware kunstenaar. Men kan dit één van de beste anti-oorlogswerken noemen die ooit in de dans werden gemaakt.

Een briljante creativiteit die helaas al vlug gesmoord werd. De arbeid van Jooss, evenals de leer van Laban, werden politiek gewurgd. De creatie van De Groene Tafel stuitte onmiddellijk op verzet van het Hitler regime dat in opkomst was. In 1933 vervolgde het gezelschap zijn werkzaamheden in Dartington Hall in Devon (Engeland) als ‘Balletts Jooss’.

Wie gehoopt had dat na de tweede wereldoorlog de moderne Duitse dansbeweging onmiddellijk zou herleven, kwam bedrogen uit. Hoewel de meeste voormannen uit de Weimar Republiek actief waren, was de heropleving van de moderne dans, vooral gecentraliseerd in de Wigmanschool te West-Berlijn en de Folkwangschool te Essen, vrij onbelangrijk. Tijdens de wedergeboorte van het Duitse theater na de oorlog, verkoos het Duitse publiek duidelijk het traditionele ballet. Bij de terugkeer van Jooss in Essen in 1949 werd getracht om het Folkwang Tanztheater weer nieuw leven in te blazen, maar na enkele tournees kwam het initiatief in 1953 tot een definitief einde. Sindsdien wordt de benaming Folkwang Tanztheater of Tanzstudio nog wel gebruikt voor individuele voorstellingen van ex-studenten en -leraren van de Folkwangschool.

Persoonsgebonden

Dikwijls wordt de vraag gesteld waarom de Duitse uitdrukkingsdans zo weinig heeft nagelaten. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet men rekening houden met de manier van werken van de exponenten van deze Duitse dans. Laban, Wigman, Kreutzberg, Palucca en talloze dansers en danspedagogen hebben ieder met onderscheidenen richtingen bijgedragen tot het expressionisme in de danskunst. Er werden individualistische hoogtepunten bereikt, maar deze kunstuitingen waren te persoonsgebonden om te overleven. Samen met de scheppers verdween het werk. De ruimteleer van Laban werd weliswaar door vele aanhangers erkend, maar het was enkel Kurt Jooss die de leer overnam en toepaste. Maar dat was omdat hij niet afkerig was van een vermenging met de klassieke techniek. Met twee generaties was de pure leer van wat genoemd wordt de Centraal Europese School dan ook verdwenen.

Een tweede reden voor de teloorgang moet zeker ook gezocht worden in het feit dat het vooral leken waren die zich aansloten bij deze Duitse expressionistische dans. Vaak wordt dan ook de term ‘lekendans’ gebezigd. Ze verwierpen elke vorm van ver doorgedreven techniek, uiteraard omdat ze die in hun beperkt aantal uren van bedrijvigheid op dansgebied niet machtig konden worden.

Ondanks het feit dat de Duitse expressionistische dans een grote invloed heeft gehad op de hedendaagse danskunst, heeft ze geen nieuwe richting aangegeven, geen ‘school’ of welbepaalde methode nagelaten. Dit staat in schril contrast met de evolutie van de Amerikaanse moderne dans, met aan het hoofd Martha Graham. Zij werkte een volledig bewegingssysteem uit, even vaststaand als de klassieke techniek. Dit gaf echter wel de mogelijkheid de techniek methodisch over te leveren en te bewaren.

De eerste grote opflakkering van de Folkwangschool kwam ongetwijfeld met Pina Bausch. Zij leidt nu het Danstheater van Wuppertal en brengt een heel eigenzinnig soort van sociaal-kritische dansprodukties. Haar hoofdbekommernis is de weergave van heftige emoties en die worden door een zeer theatrale vormgeving benadrukt. De dansers zijn performers geworden. De navolgers van Bausch zijn talrijk. Veel van die jonge, experimenterende choreografen missen echter de geweldige impact van Bausch. Ze borduren een beetje rond haar thema’s en scenische verwerking. Een van de hoofdregels is de agressiviteit. Tien jaar geleden was de uitwerking van zulke scènes op het publiek enorm. Nu is men er stilaan op uitgekeken en komt het facet verveling vlug om de hoek kijken.

‘De groene tafel’ (Kon.Ballet van Vlaanderen)

Chinoiserie

Suzanne Linke is een van de leerlingen en dansers van Bausch. Na 1975 nam zij de artistieke leiding van de Folkwang Tanzstudio op zich. Ik zag twee voorstellingen van haar. Een solo-avond en een voorstelling van haar groep. In een van de programmablaadjes schrijft Linke: “Ik zie niet in welke richting het danstheater zich gaat ontwikkelen en evolueren. Zelf heb ik geen afgelijnde concepten en ik maak geen plannen. Ik heb schrik dat het de moderne dans ontbreekt aan creatief genie.” Wat aan beide voorstellingen ook wel te zien was.

Voor een Frauenballett neem je vier vrouwen en een stoere knaap in onderjurk. Voeg daaraan enkele tientallen meters stof en enkele stoelen toe. Roer dit alles door mekaar gedurende ten minste 45 minuten. Werk af met twee ‘chinoiserie’-heren. Dien het Frauenballett op aan het in spanning wachtende publiek. Een recept uit het post-moderne danskookboek dat niet te genieten bleek. Met voor het oog onzichtbare techniek, schuifelden de dansers over en weer, zonder zichtbaar resultaat, behalve dan dat het toneel een extra schoonmaakbeurt kreeg. Nadat ze een tijdje de lappen per strekkende meter hadden afgemeten werd het ingestudeerde “Ich kann nicht mehr” en “j’en ai mare” uitgeroepen. Het is verbazingwekkend dat uit de zaal niet “ik ook” als antwoord komt. Het enige moment dat er iets gebeurt is de ontzettende inspanning die een danseres levert als ze over de scène kruipt en een dikke vlecht weeft met heftige schokbewegingen. Na een hysterische lachbui werd zonder theatraal gebruik van mensen en doeken de boel aan het eind weer opgeruimd. Het was niet nodig om het programma te lezen om te begrijpen dat het over de traditionele man-vrouwrelatie ging, dat de vrouwen de dagelijkse huishoudelijke karweien opknapten en dat ze daar op de lange duur van uit hun bol gaan. Op zich een goed gegeven, maar uitgewerkt met een eentonigheid en een langdradigheid dat je als toeschouwer echt denkt “ja, ja ik weet het nu al wel”.

Bij het begin van het tweede werk laaide de hoop op dat er dans zou volgen. Als het over dans gaat, zie ik ook zo graag bewegen, maar vlug bleek dat dat wel een te subjectieve gedachte is. De lappen stof waren nu vervangen door donskussens, de onder- door baljurken, maar de oosterse meneer kwam ook weer koortsachtig er doorheen lopen. Eventjes was er suggestief voetenwerk van de heren en hoofdenwerk van de dames, maar de rest was een agressief gedoe van danseressen die zich hardhandig in de kussens lieten smijten of over de scène lieten rondzeulen. De stuk getrokken jurken, de plukken haar, het leeg geschudde kussen, die algemene en gewilde onverzorgdheid, gekoppeld aan een groot gebrek aan bewegingskunde, plus het enge gedoe van wat het meest op een harddrugverslaafde leek, brachten ook dit werk naar een onbarmhartig faillissement. Wie gehoopt had (mede door de titel: Wir können nicht alle nur Schwäne sein) een parodie of een relativering van Het Zwanenmeer of van het klassieke ballet in zijn geheel te krijgen, kwam bedrogen uit.

Gevecht met object

De solo-avond was beduidend beter, maar toch kan je met moeite van een interessant of boeiend spektakel spreken. De eerste solo vooral was zeer zwak. Linke, gekleed in een witte jurk, met daarover een pandjesjas en een soort bruidsluier, stelde zich tevreden met het al stappend en huppelend verkennen van de oppervlakte van de scène. Het is best mogelijk dat ze daarbij uiting wil geven aan haar eigen eenzaamheid, neerslachtigheid, leegheid, zinloosheid, onzekerheid, angst en wachten (er staan zo nog een hele rij gevoelens in het aankondigingsblad), maar je merkt alleen dat ze inderdaad met zichzelf bezig is. Iets interessanter wordt het als ze in haar tweede dans met een bad aan de gang gaat. “Gevecht met object” heet dat. De danseres toont zichzelf en het bad aan alle kanten en de poetswoede, ditmaal met een badhanddoek, komt weer boven. Wel positief is het feit dat de danseres hier een zekere techniek laat zien. Er wordt een lichamelijke inspanning geleverd en het stoort niet dat je dat merkt: je wordt dan toch iets gewaar.

Wandlung, na de pauze, was veruit het beste. Het is een vroeg werk van Linke (1975) en het heeft duidelijk de invloed ondergaan van de Grahamtechniek. Er was een prima verbondenheid met de muziek en het mooie effect van een felle spot op een lichtgroen jurkje: het lichaam wordt lichtgevend. Met het lange losse blonde haar wel een beetje een voorplaat van Vogue-magazine, maar het mocht er wezen. Ook het meest gedanste fragment van de avond.

Met de laatste solo sloot Linke terug aan bij haar Frauenballett: het bewegen met een doek was het uitgangspunt. Beter gedanst dan het groepswerk en zeer mooie effecten met de stof, maar jammer genoeg niet van die kwaliteit of intensiteit om de avond naar een hoogtepunt te brengen.

Ik heb hardnekkig geprobeerd om in beide voorstellingen iets terug te vinden van de Centraal Europese School van voor de oorlog. Maar geen spoortje van de zeggingskracht of van de integriteit, noch de betrokkenheid met de maatschappij of met het individu, noch de wil tot een relatie met de toeschouwers zoals in De Groene Tafel zijn terug te vinden. Dan denk je alleen maar: “Jooss, waar ben je gebleven?”

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#5

15.01.1984

14.04.1984

Rina Barbier