De Staat van de Toneelschrijver
Uitgesproken op uitnodiging en ter gelegenheid van Shakespeare is Dead Leuven, 9 juni 2026
Annet Bremen
Een maand geleden ging Kerff in première bij Compagnie Cecilia. Sebastien Dewaele kruipt in de huid van Marcel Kerff (1866-1914), een van Vlaanderens eerste profwielrenners. Het levert een klein tragikomisch pareltje op dat de anekdotiek overstijgt. Helemaal anders ervaarde collega-recensent Evelyne Coussens de voorstelling, getuige haar recensie op pzazz. Een verschil in smaak, of is de voorstelling dan toch gegroeid sinds de première?
Het is een ongeschreven wet: als je zelf een recensie schrijft, lees je beter niet vooraf wat een andere recensent heeft geschreven. Kwestie van je mening niet te laten beïnvloeden en zo je eigen objectiviteit te verzekeren (als die al zou bestaan in het idee dat een theaterzaal een vacuüm cocon is). Foert, ik beken: ik heb de recensie van Evelyne op pzazz dus toch eerder gelezen. Ik las er liefde in voor het verhaal en empathie voor het hoofdpersonage, maar ze was tegelijk kritisch over het acteerspel en het samenspel met de muzikanten, ze zag te weinig tragiek en te veel getelefoneerd spel op het toneel. Over smaak en kleur valt niet te discussiëren maar -– eerlijk is eerlijk – recensenten onderling doen niks anders. En als lezer van een recensie ga je toch met een andere, nog wat gefocuster blik op die kritische punten letten. Wat ik dus deed.
De Marcel Kerff van Sebastien Dewaele die je ziet bij het binnenkomen, lijkt in niks op een coureur; geen spannende tenue en spiegelgladde kuiten, wel een deftige ober in pak op het terras van café Champs Elysees. De naam knipoogt misschien naar de aankomst van de Tour de France maar verwijst hier vooral naar de Elyzeese velden, het hiernamaals waar volgens de oude Grieken de gelukzaligen toefden. Gelukzalig is deze Marcel Kerff nog niet, hij heeft eerst nog een verhaal te vertellen voor de hemelpoort opengaat. In dit geval is er geen gouden poort en engelengezang te bespeuren maar wel een klapdeur om een ‘piske’ te gaan doen. Er zijn ook twee muzikanten die als cafégasten de betere ‘Franse melk’ pastis savoureren. Het moet gezegd: deze hemel voelt oneindig veel gezelliger en leunt zeker dichter aan bij de mentaliteit die Kerff moet hebben gehad.
Een nederig en eenvoudig man was hij, met niet te veel poespas. Het leven? Tiswattatis. Voor de dood geldt hetzelfde, zo blijkt wanneer hij verkeerdelijk als spion wordt aanzien en vervolgens gefolterd en opgeknoopt door den Duits aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. Op dat moment is Kerff al tien jaar butler op een kasteel en heeft hij zijn fiets al lang aan de haak gehangen.
Vandaar keert hij terug naar de start van zijn carrière, de tijd toen hij als slagerszoon een fiets bij de muur aan het huis van mijnheer den dokteur zag staan. Een fiets, niet zoals de voorlopers – met een groot wiel en kleintje – maar een met twee even grote volmaakte ronde wielen onder een carrosserie die smeekt om bereden te worden. Een coup de foudre is het, zij het dan met een fiets in plaats van met een mooie vrouw (het fietsen zou ook zijn enige echte liefde blijken, naast zijn liefde voor zijn broer).
Via het levensverhaal van Marcel Kerff krijgt je inzicht in het wielercircus vroeger (en nu). Van de krantenkoersen van toen tegenover de sponsordeals nu, van In Flanders Fields from Middelkerke to Wevelgem. Van de machtsdynamieken binnen een ploeg, tot die daarbuiten met krantenmagnaten, burgemeesters en concerns, en hoe een fietsenmaker zich opwerkt tot oprichter en baas van de FN Herstal wapenfabriek. Maar je hoort ook hoe koersen voor wielerknapen zelf een poging waren tot ontsnapping uit de armoede en vanonder de schaduw van de kerktoren.
Sebastien Dewaele krijgt op scène versterking van muzikanten Ben Brunin en Ben Van Camp, olijke tweeling-gewijs aangesproken als de West-Vlaamse Bén en Antwerpse Bin. Zij ondersteunen het verhaal muzikaal en geven ook verbaal commentaar als een soort Grieks koor, maar dan een koor op café. Als Kerff/Dewaele hen aankondigt als de gastmuzikanten, wordt dat ontvangen op gemor. Onterecht, vindt Kerff, want dienstbaarheid is een onderschat begrip. Het is misschien wel de rode draad door zijn leven. Marcel Kerff zou nooit de grootste coureur worden (hij won welgeteld één koers, de 48 uur van Antwerpen in 1900). Het echte talent zat bij zijn jongere broer, die vroeg het leven liet in een koers. Kerff heeft zich altijd goed gevoeld in de rol van het knechten: of het nu ging om vlees in Parijs of paling in Nederland halen voor de ouderlijke winkel, zijn broer uit de wind zetten in de koers of later dienen als butler op een kasteel.
Dewaele heeft een zwak voor die kleine histories, voor volkse figuren die in de plooien van de Vlaamse geschiedenis zijn verdwenen. Na Marinus (2018) waar hij een Oostendse kapersgeschiedenis uit de vergetelheid haalde, doet hij dat nu in Kerff met een van de eerste flandriens. Zijn interesse ligt niet in de godenverhalen of heldensaga’s, maar bij de anti-helden, die pogende mensen en al die blutsen en builen die daarbij komen kijken.
“Dit is genereus theater, waarbij de anekdotiek zich oprekt naar iets groters in het kleine.”
Dewaele maakt die tragiek invoelbaar: niet door groots dramatisch spel, maar door de humor daarin te zoeken en zich net als Kerff dienstbaar op te stellen als speler in de manier waarop hij oplettend oog heeft voor het publiek en zijn muzikanten. Dit is genereus theater waarbij de anekdotiek – met dank aan regisseur en medeschrijver Daan Borloo – zich oprekt naar iets groters in dat kleine: een verhaal over mededogen en relativering, over gelukkig zijn met weinig en dat wie goed doet, goed ontmoet. Noem het een kritisch perspectief op over-ambitie of noem het een naïef geloof dat een goed mens zijn misschien ook al goed genoeg is.
Heel af en toe gaat Sebastien Dewaele – die een lange staat van dienst heeft als komiek bij de muzikale humorgroep Preuteleute en vroeger als ‘Jezus’ in wit gewaad bij CirQ – er los over door te veel aan het grappen te slaan, maar ik onthoud vooral de poëzie die doorheen alle tragiek en humor gloort, het fietsen als een liefdesverklaring en een ode aan de vrijheid. Zelfs zo’n klein leuk detail, zoals het uitschuifbaar zonnescherm op het caféterras dat – als bij wonder – reageert op geklap… Is dit flauw? Misschien, maar die lichte toetsen van de spelende mens zijn de comic relief voor de momenten waarop Dewaele met lage bromstem ontroert met een treurige standard over herfstbladeren en met het vallen van het blad, ook het leven.
Achteraf stuur ik een berichtje naar Evelyne over haar recensie in pzazz. ‘Ze hebben kennelijk je kritiek ter harte genomen (smiley)’, tekst ik. Ik zie geen getelefoneerd spel maar wel uitgebalanceerde tragiek. Ofwel hebben we andere maatstaven? Ongetwijfeld. Ofwel hebben de makers bewust of onbewust de kritiek ter harte genomen? Misschien. Ofwel is de voorstelling de afgelopen maand enorm gegroeid of was het gewoon een betere avond? Vrijwel zeker.
Dus trek ik de stoute schoenen aan en bel regisseur Daan Borloo. Hij betwijfelt of de recensie in pzazz veel heeft veranderd. ‘Negentig procent van de voorstelling ligt vast. Maar de manier waarop Sebastien speelt is sowieso vrij los en sterk verweven met het publiek die avond,’ aldus Borloo.
Zagen Evelyne en ik een totaal andere voorstelling? We zullen het wellicht nooit weten, tenzij dezelfde recensent maanden na de première nog eens naar een dernière gaat kijken. Benieuwd hoe anders de voorstelling en hoe anders de mening zou zijn. Of misschien is het idee van een première als start voor recensie aan revisie toe? In comedy wordt vaak een half jaar (of langer) getry-out voor een voorstelling in première gaat. Dat is natuurlijk een luxe die het theater – met veel kortere speelreeksen en geen commercieel verdienmodel – zich niet kan permitteren. Het is nochtans iets wat Compagnie Cecilia als een van de weinige theatergezelschappen in Vlaanderen doet: de pers sowieso pas een week later na de première uitnodigen om te recenseren. Maar zoals (wel of niet) blijkt, ook dat is geen garantie. Hoe lang moet je wachten voor het ‘goed’ wordt of ligt een voorstelling dan toch volledig in ‘the eye of the beholder‘?
De speellijst vind je hier.
Zin om na deze recensie meer te lezen? Dan tippen we graag Floris Baeke over de experimentele volkskunst van Cirq of Evelyne Coussens over de nood aan toegankelijk spelerstoneel (met onder meer een interview met Compagnie Cecilia).
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.