Jan Lauwers © Miel Verhasselt

Leestijd 4 — 7 minuten

Kebang! – Jan Lauwers

In Kebang! bundelt Jan Lauwers zijn (theater)teksten, en nog wel in het Nederlands. Een rare gewaarwording. Niet alleen omdat titels als Beelden van genegenheid of Het lied van de slang ineens klinken als cryptogrammen uit de weekendkrant, ook omdat het eigenlijke statuut van deze publicatie allerlei vragen opwerpt.

Waarom geeft Jan Lauwers zijn stukken uit? Natuurlijk is zijn eerste werk als artiest altijd het schrijven, en daar gaat hij prat op. ‘Een theatermaker die zijn eigen teksten schrijft, blijft een theatermaker die zijn eigen teksten schrijft, en wordt bijna nooit aanzien als een schrijver’, zo betreurde hij eind 2009 – in zijn lezing bij de uitreiking van de Taalunie Toneelschrijfprijs – de perceptie van zijn eigen werk. Dat hij in 2006 zelf de Vlaamse Cultuurprijs voor Toneelliteratuur won, zal hij misschien wel koesteren als zijn meest terechte onderscheiding in jaren. Meer dan eens heeft Lauwers het concept ‘auteurstheater’ verdedigd als de ware kunst, terwijl hij andermans stukken ensceneren veeleer vindt thuishoren onder ‘toegepaste kunst’. Een stokpaardje is hier een te minieme term.

Net door die totaalvisie voelt Kebang! aan als een reductie van Needcom-pany’s oeuvre. Alsof je van films het naakte script te boek zou stellen, of van cartoons alleen de tekstballonnetjes. Behoort Lauwers niet net tot die generatie die komaf maakte met het overwicht van de tekst op scène? Van wie de meerwaarde er juist in bestond dat ze het theater benaderde vanuit een beeldende achtergrond? Niemand die zich een productie van Needcompany herinnert om de dialogen of de schriftuur (bij Sierens of De Volder ligt dat anders), wel om de visuele scènes. Maar ook voor het postdramatische theater blijft de loutere tekst blijkbaar veel symbolisch kapitaal behouden, zelfs in tijden waarin de dvd zich veel beter leent om je naam en je werk te verankeren in de nagedachtenis, tegen de vluchtigheid van het medium in.

Moet Kebang! dan dienen als een geheugensteuntje of een memorandum voor die beeldende herinneringen? Meer lijkt het Lauwers te gaan om een nieuwe, oorspronkelijke blik op dat geheugen, door zijn keuze voor het Nederlands. Zoals hij in diezelfde lezing suggereerde, kan hij zich niet enkel tevreden stellen met eerdere anderstalige edities van zijn stukken bij Actes Sud Papiers en Fischer Verlag. ‘Ik schrijf in het Nederlands en ik heb mijn teksten nog nooit in deze taal gehoord. Mijn heilige teksten worden verminkt en in meerdere talen tegelijk opgevoerd. Mocht ik een dode theaterauteur zijn, ik zou me omkeren in mijn graf. Maar kijk, ik ben niet dood. Integendeel, ik voel mezelf laatgeboren en daardoor eeuwig jong.’ Finaal primeert dan ook het heden: Kebang! als uitnodiging om Lauwers’ stukken te lezen los van hun aangekleefde beelden, als autonome literatuur. Misschien is deze bundeling, hoe moeilijk dat ook in te beelden valt, zelfs een vingerwijzing naar de toekomst, waarin ook andere professionele theatermakers met deze zo specifieke teksten aan de slag kunnen gaan?

Kebang! lezen als een codex van teksten op zich is een reis door meerdere sensaties. Zo is er het weeë glimlachen om vele light-sitcomachtige dialogen, zoals in Ochtendlied (1998) of in het scènetje in Beelden van genegenheid (2002) waarin over een wortel gevarieerd wordt als betrof het levensnoodzakelijke stof. De ondragelijke banaliteit van het bestaan: Lauwers heeft er een zwak voor, maar zelden is het duidelijk wat met de schriftelijke evocatie ervan precies beoogd wordt. Gaat het om een louter ironisch droppen van anekdotes, om sfeerwerking à la Tsjechov of om een juist erg serieuze spiegel van ’s levens vanitas? Bovenal lijkt dit soort scènes een notenbalk die pas zin krijgt als hij gespeeld wordt. Dat is de grote paradox: hoewel Kebang! Lauwers’ stukken in de markt zet als eigenwaardige literatuur, verdient een tekst als Ochtendlied zijn relevantie vooral door het feit dat hij ooit concreet gerealiseerd is.

Tegelijk openbaart zich toch een schriftuur die het waard is als geheel gepresenteerd te worden. Een geestverruimende sensatie krijg je bijvoorbeeld van Lauwers’ wereldwijsheid. Net doordat zijn pen zo arbitrair lijkt uit te vlinderen langs de meest diverse mondiale weetjes, ontworstelt hij zich aan de meeste beperkingen van het theater. Niet enkel de plekken worden inwisselbaar (wie ooit een onderzoek voert naar de invloed van internationale tournees op schriftuur, heeft aan Lauwers een boeiende casus), ook de tijden zijn dat, zoals in de drie delen van Het lied van de slang (1996) of de sterke monoloog Ulrike (2002), waarin een zelfmoordterroriste zichzelf opblaast. Een dwingende logica ontbreekt in die mozaïek-esthetiek totaal, het lijkt soms bijna twitteren avant-la-lettre.

Alleen is de specificiteit van Lauwers’ schriftuur niet zozeer dat ze elke narrativiteit breekt, maar precies dat ze die ondanks alle inwisselbaarheid toch betracht. Vrijwel alle teksten in Kebang! nemen op een of andere manier de vorm aan van een reconstructie, waarin personages weliswaar hoge of lagere gedachten tegen elkaar uitspelen als basisdramatiek, maar toch vooral proberen om samen een epische geschiedenis te hervertellen. Zo kan je de eeuwige kwestie van de sprekende doden bij Lauwers thematisch verklaren, maar meer nog gaat het om een technische vertellersgreep. Ze dienen een meervoudige terugblik, een symfonie van perspectieven op wat is geweest.

Hetzelfde kan je zeggen over Kebang! als publicatie op zich. Opvallend is hoe de opgenomen stukken globaal een chronologisch achterwaartse lijn volgen. Van De kamer van Isabella, DeLobstershop en Het hertenhuis (2003-2007) gaat het naar Het lied van de slang (1996). Alsof Lauwers wil terugspeuren naar hoe hij gekomen is tot de teksten die vandaag zijn schriftuur bepalen. Vanuit de voorstellingsanalyse van Needcompany wordt steeds een breuk gezien rond het ineens veel warmere Isabella’s room, maar Kebang! leert dat die omslag zich op tekstniveau veel minder voordoet. Hoogstens is er een meer humane, epische aanwas. Erotiek en dood, het absurde sterven, de filmische precisie, het spel tussen vertellen en dialogeren, de levenswijze opperingen over wat er tussen mensen kan bestaan: allemaal tekenen ze één doorgaande ontwikkeling. Goed dus dat Lauwers zijn stukken eens gebundeld heeft.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#121

01.04.2010

31.08.2010

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!