Loek Zonneveld

Leestijd 8 — 11 minuten

Kasimir en Karoline

De week begon met een feestje. En eindigde in iets wat een bizar feest had moeten worden. Loek Zonneveld over de nieuwe Amsterdamse woning van Maatschappij Discordia. En over Horváths Kasimir en Karoline in de regie van Guy Cassiers.

Ik hou niet van premières, dientengevolge ga ik ook nooit naar openingen. Ik weet niet of Vlamingen de kunst van het openen van iets verstaan, Nederlanders kunnen dat in ieder geval niet. Afgezien van de meestal nerveus zwetende openingssprekers en de lauwe sapjes, voel ik me nooit welkom en al helemaal niet geopend na een opening. Alarmerend signaal dat de Nederlandse opening definitief aan haar neergang is begonnen was de mededeling van het Amsterdamse Stedelijk Museum, dat de drankjes bij tentoonstellingsopeningen door de genodigden voortaan zelf moeten worden betaald – zulks uit budgettaire overwegingen. Veel wordt in Nederland ook geopend door onze minister-president, de heer Wim Kok, die bij zulke gelegenheden meestal een gezicht trekt of hij bedorven etensresten voor zich uitschuift.

Maar het kán wel, zo bleek bij het openingsfeestje waarmee een van mijn voorbije weken verrassend startte. Het betrof de openstelling van de nieuwe ‘woning’ voor de Nederlandse toneelformatie Maatschappij Discordia. Wellicht bekend, maar ondertussen alweer bijna vergeten, is het feit dat deze wonderschone toneelrepertoirevereniging (1982) enkele jaren geleden door een Amsterdamse kunstbons met een onvervalste huisuitzetting was verblijd. De heer Steve Austen, niet onbekend in het circuit der openingen, gooide Discordia uit het monumentale pand Felix Meritis aan de Keizersgracht. Daar bespeelden de Discordia-acteurs een aantal door henzelf zorgvuldig en met grote liefde gerestaureerde zalen. Sindsdien waren zij als toneelspelers weliswaar her en der zeer welkome gasten – spelen kunnen zij overal waar zij gastvrij worden ontvangen en dat ook kunnen doen met hun publiek – maar onderwerp van grote zorg waren hun schatkamers vol scripten, voorwerpen, meubels, kostuums, doeken, tapijten. En daarvoor hebben zij nu een nieuw huis gevonden, opnieuw in het hart van Amsterdam, in een kleine straat tussen twee grachten en in de schaduw van zowel de Westertoren als het Toneelmuseum -waarvan deze panden ooit het pakhuis waren.

De vervallen en afgebladderde muren waartussen de Discordia-schatten nu in wonderschone en metershoge, zelf geconstrueerde schappen liggen opgeborgen, hebben ooit toebehoord aan herbergen en bordelen in de oude stadswallen van onze hoofdstad. De toneelspelers zijn dus zo’n beetje weer thuisgekomen. En de opening was ernaar: wijd geopende deuren, overvloedige dranken en heerlijk voedsel, een geïmproviseerde toespraak door Jan Joris Lamers en Matthias de Koning, die voorbij was voor je goed en wel in de gaten had dat-ie was begonnen, een fotoboek (van huisfotograaf Bert Nienhuis, een der groten van de Nederlandse theaterfotografie) en een imposante repertoirelijst met stukken, plannen en projecten die we de komende tijd van Maatschappij Discordia mogen verwachten. Waaronder, tot mijn grote vreugde, het project Die Physiker van Friedrich Dürrenmatt, omschreven als ‘een komedie in twee bedrijven, geschreven in 1961. Over een natuurkundige in nood, of hoe planmatiger een mens te werk gaat, des te harder treft hem het toeval, met drie lijken, drie gekken, rechercheur en directrice’. Het stuk zal vast lang ‘repertoire houden’ en ook dat, binnen het toneel reeds lang in ongerede geraakt begrip, wordt door de medewerkenden van Discordia gekoesterd en dienovereenkomstig nauwgezet omschreven: ‘Repertoire. Een lijst van stukken, die een toneelgezelschap of een kunstenaar ten beste kan geven, of in een seizoen kan geven. Repertoire. Vaste stukken die telkens weer uitgevoerd worden. Repertoire. Een geheel, een voorraad aan thema’s, motieven, etc.’ Zelf koester ik zo’n repertoire-lijst, vol met stukken die om onnaspeurbare redenen niet meer worden uitgevoerd en (zo valt te vrezen) ook niet worden gelezen. Ook Dürrenmatts Fysici staat daarop, naast onder meer Ödön von Horváths Kasimir en Karoline, door het Nederlandse professionele toneel voor het laatst gespeeld in 1981. Nu heeft het Rotterdamse ro Theater dit stuk op het repertoire genomen, in de regie van Guy Cassiers. En de week die met het Discordia-huis zo feestelijk werd geopend, zou met die voorstelling even feestelijk worden besloten. Hoopte ik.

Kasimir en Karoline van de Duits (Oostenrijkse) schrijver Ödön von Horváth (1901-1938) is een op het oog merkwaardige tekst die bestaat uit 117 ultrakorte tot middellange scènes. De locatie voor dit ‘volksstuk’ is de Münchense kermis, beter bekend als de ‘Oktoberfeste’, in het begin van de jaren dertig. De ondertitel van de tekst luidt: ‘En de liefde houdt nooit op’, bedrieglijk zinnetje, want de liefde tussen het meisje Karoline en de werkloze vrachtwagenchauffeur Kasimir houdt vrijwel meteen in scène één op, althans bekoelt dusdanig ernstig (naar aanleiding van een korte, felle, stekelige ruzie over de romantische kanten van een overvliegende zeppelin) dat vanaf dat moment Kasimir en Karoline op de kermis ieder hun eigen weg gaan, met nog slechts af en toe een bekvechtende ontmoeting. De taal die ze spreken lijkt op schrijftaal, zei de Duitse schrijver Peter Handke (medeverantwoordelijk voor een ware Horváth-revival in de jaren zestig). Hij vervolgt: ‘Hoe meer ze praten, des te meer ze zich van elkaar verwijderen alsof ze elkaar werkelijk van heel ver weg brieven schrijven.’

Kasimir en Karoline zijn geaarde types die worstelen met concrete vragen. Maar vaak, als ze elkaar klem zetten met problemen uit de dagelijkse waanzin, proberen ze te ontsnappen met geleende taal, met woorden die ze misschien ergens gelezen hebben, of uit hun hoofd geleerd. Die woordencarrousel leidt tot taal van een bedrieglijke eenvoud. Nemen we als voorbeeld het begin van scène 17:

‘Kasimir: Ik heb je daarstraks gevraagd wat je ermee bedoelde dat wij tweeën eventueel niet meer bij elkaar passen. En je zei: eventueel. Dat zei je.

Karoline: En jij zei dat ik jou laat barsten, omdat je op straat gezet bent. Dat is een heel zware belediging. Een vrouw die iets voorstelt voelt zich hooguit nog méér met die man verbonden als het die man tegenzit.

Kasimir: Ben jij een vrouw die iets voorstelt? Karoline: Dat moet je zelf uitmaken. Kasimir: En voel je je nu nog méér met mij verbonden? Je moet me nu een antwoord geven.

Karoline: Ik kan je er geen antwoord op geven. Dat moet je voelen.’

Voelen doet Kasimir niet, want hij is bezig met overleven. Karoline (over haar dagelijkse bezigheden en besognes komen we eigenlijk niks te weten) zet haar hakken voornamelijk in het kermiszand om millimeter voor millimeter wat aardigheid en warmte bij elkaar te sprokkelen.

Het raffinement van Horvaths stuk zit onder meer in de figuren die hij tegenover deze twee jonge mensen plaatst. Karoline komt in eerste instantie de jonge Schürzinger tegen, werkzaam op de afdeling kinderconfectie van een warenhuis. Hij spreekt in een soort aangeleerde ambtenarenteksten, hij weegt zijn woorden in het permanente besef van ‘de consequenties’ – iets waar Karoline nu juist helemaal niet mee bezig is. Net als de ‘coupeur’ Schürzingereen beetje begint te vervelen, ontmoet Karoline twee oudere heren, de directeur Rauch en de arrondissementsrechter Speer. Rauch ontpopt zich al snel als de baas van het bedrijf waar Schürzinger werkt, Rauch is niet van deze streek en komt op de kermis om zich te vermaken. Beide heren zijn zuipgrage, geile oude bokken die in Karoline een geinig nummertje zien. Kasimir loopt al vrij snel in de armen van de hem niet onbekende jonge en ruwe crimineel Merkl Franz en zijn vriendin Erna, die door de dagelijkse mishandelingen van Merkl Franz weinig illusies meer overheeft maar toch nog romantische idealen koestert en in die zin een beetje op Karoline lijkt.

Via snel geschetste ontmoetingen (Horvath beschouwde het toneel letterlijk als de kortste manier waarop hij zich kon uitdrukken) wandelen we met dit gezelschap naar de diverse uithoeken van de kermis, waarbij de alcoholische versnaperingen geleidelijk aan bij ongeveer iedereen hun tol beginnen op te eisen. Kasimir is kort in zijn slotconclusie: dromen zijn bedrog. Karolines samenvatting van deze avond van uit elkaar spattende luchtballonnen en overdrijvende zeppelins (die naar Oberammergau drijven) is iets treffender: ‘Vaak is er zo’n smachtend verlangen in je… maar dan kom je terug met geknakte vleugels en het leven gaat verder alsof je er nooit bij bent geweest…’

Ik vrees dat Guy Cassiers dit diamantje van toneelminimalisme in zijn kern niet heeft verstaan, of het heeft aangezien voor de gedroomde partituur van iets anders dan wat Horvath heeft opgeschreven. En als ik als kijker nu zou weten wat dat andere is dat Cassiers in Horvaths Kasimir en Karoline heeft gezien, misschien zou ik dan (met wat slikken, hangen en uiteindelijk wurgen van mijn eigen liefdesverhouding met dit stuk) nog wel vrede met deze voorstelling kunnen hebben. De voorstelling bood me echter geen begin van een idee wat de regisseur bezield kan hebben. Dat probleem begon meteen met Esther Scheidwacht die Karoline speelt. Soms kan een foute toonzetting het acteren van een personage meteen in de eerste zinnen fataal nekken. En dat was precies wat hier gebeurde. Karoline is nu eenmaal geen lijzige neuzelzeur en ook geen jankerige kermisdeerne op zoek naar de volgende verovering, en die foute inzet speelt Scheldwacht. Dat is Karoline niet. Ze heeft in haar afgeperkte leven een vrij concreet doel -een paar vierkante millimeter genegenheid -en daar bijt ze zich zo fervent in vast dat het haar vast en zeker niet gaat lukken, in ieder geval niet met die op zichzelf wel aardige jongen Kasimir, die een bonkige dromer is, maar achter het stuur van zijn vrachtwagen zoveel tijd heeft gekregen om na te denken dat hij er een paar primitieve gedachten over individu en samenleving aan over heeft gehouden. De tragiek van de voorstelling is dat Tjebbo Gerritsma, die Kasimir verklankt, dat onder de gegeven omstandigheden (waarover later meer) vrij aardig doet en zodoende Karoline goed partij biedt. Maar deze Karoline is geen partij omdat ze de rol niet speelt maar de erbij bedachte suikerlaag erbovenop, die jengeltoon van het dreinerige kind dat haar zin niet krijgt. Toneel blijft wat dat betreft een genadeloos medium: als in een gevecht een van de twee partijen niet vecht is er geen gevecht. Alleen al daarom zakt de vertelling snel door haar hoeven en wordt weggezogen in het drassige kermiszand.

Dat kermiszand – anders gezegd: de sfeer van de locatie, geschilderd met de theatrale middelen die op een speelvlak van acht breed, zes diep en vier hoog te vangen zijn – is fleurig opgetuigd en voorzien van veel hoempapa en fanfare. De muziek is natuurlijk weer van de formatie Paleis van Boem en dat gaat veel van ‘boem’ en meer is daarover eigenlijk niet te zeggen. De fleurige optuiging van het beeld komt natuurlijk weer uit een videobeam, voor de zoveelste keer weer uit die eeuwige videobeam. Ik wou dat ik het niet zou hoeven zeggen, maar ik kan het na deze voorstelling niet meer laten: wanneer houdt dat nu toch eens op, altijd weer die eeuwige videoapparatuur uit de techniekkast trekken wanneer men de povere middelen van het arme kermistoneel (dié is van Tadeusz Kantor) niet meer durft aan te wenden? Het verleent deze kermis het aanzien van een rozige, fondantkleurige suikerspin, zonder de illusie daarvan effectief door te prikken. Overdaad schaadt. En wordt een valkuil waar de theatermakers achterwaarts inlazeren: al die videobeams bieden een hoop gedoe en het levert allemaal niks op. Het is nog laf ook. Want wanneer de pijnlijkste kant van het soort kermissen waar de Münchense Oktoberfeste toe behoren moet worden getoond – de freakshow – dan geeft de regisseur opeens niet meer thuis. De gênante parade van abnormaliteiten (de man met de buldog-kop, het gorillameisje, de reus, de kameelmens, de Siamese tweeling) wordt juist niet getoond. Op het moment dat Horváth ons laat zien hoe in het lege lunapark de kleinburgerij zich vergaapt aan de mismaaktheden van anderen, draait bij Guy Cassiers het toneel 180 graden en kijken wij tegen de achterkant van de freakshow aan. Flauw, flauw, flauw! En waarschijnlijk nog met een diepe bedoeling ook. Want zijn het immers niet de optredende geile bokken Rauch en Speer die de ware freakshow van Kasimir en Karoline ten tonele voeren? Lijkt de regisseur ons te vragen. Bij Cassiers betreden Stefan de Walle en Guus Dam het toneel als vet geschminkte levende lijken die een ranzig potje schmieretoneel ten beste geven, altijd goed voor lachsalvo’s in de stalles en op het schellinkje. De inhoud van de veertig pullen verschaald bier die als Voetlicht’ dienen werd ruw op het verder kale speelvlak geflikkerd en zo begon de voorstelling te stinken naar, jawel, verschaald bier. Ik werd er diep treurig van. En het was niet de treurnis waarover Horváth zo gepassioneerd schrijft. Het was de droefenis over dat hier weer zo’n prachtig kleinood uit het toneelrepertoire voor enkele decennia tot moes werd vertrappeld.

Blijft over: een mooie taak voor de repertoirevereniging die Maatschappij Discordia heet.

De tooneelcatalogus van het nieuwste repertoire van Maatschappij Discordia kan men bestellen op discordi@xs4all.nl of op www.xs4all.nl/~discordi/ of door te schrijven naar Maatschappij Discordia, Driekoningenstraat 5, 1016 Al Amsterdam.

 

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#72

15.06.2000

14.09.2000

Loek Zonneveld

Loek Zonneveld (1948) is toneelrecensent en leraar toneelgeschiedenis. In 2013 ontving hij de ACT Award voor zijn "liefdevolle toneelrecensies" en "het delen van zijn immense kennis op het gebied van de theatergeschiedenis met acteurs".

recensie