Blauwe Maandag Cie, ‘Dozen’ / Corneel Maria Ryckeboer

Bruno Koninckx

Leestijd 6 — 9 minuten

Kartonnen, holle en andere dozen

Over Dozen van Blauwe Maandag Cie

Hoe een voorstelling aangekondigd wordt en hoe een voorstelling er uitziet, zijn twee verschillende dingen, aldus Bruno Koninckx. De aankondiging van Dozen is pretentieus, de voorstelling zelf gelukkig niet.

Teksten waarin theaterprodukties worden aangekondigd zijn tot op zekere hoogte te vergelijken met flapteksten van boeken. In de eerste plaats zijn het wervende teksten: de klant moet ertoe aangezet worden het produkt te kopen. Zoals bekend dekt de vlag de lading dikwijls niet. Een produktie ziet er vaak, of meestal, niet uit zoals ze bijvoorbeeld in de periodiek van het gezelschap aangekondigd wordt. Een haast nog grotere discrepantie zie je dikwijls tussen de teksten in een programma- of tekstboekje, en een voorstelling. Dramaturgen of regisseurs proberen vaak in dergelijke, meestal intelligente en doorwrochte, teksten gewicht te geven aan een voorstelling die, zeker in vergelijking met die teksten, slechts uit lucht of opgeklopt schuim bestaat. Het erge is dat je je als ‘gewone’ toeschouwer dan dikwijls nog dom voelt ook omdat je al die lagen en andere dramaturgische spitsvondigheden bijlange na niet hebt weten te ontdekken in de opvoering. Rekening houdend met het principe van What you get is what you see, is die frustratie als toeschouwer meestal op niets gebaseerd. Natuurlijk is het verschil tussen een aankondigende tekst en een voorstelling enigszins te begrijpen — die teksten moeten dikwijls al geschreven worden op een moment dat nog helemaal niet geweten is hoe de produktie er uiteindelijk gaat uitzien —, maar het gaat niet alleen om puur inhoudelijke verschillen, zoals verder nog zal blijken.

Aan de hand van al het drukwerk dat een gezelschap of huis de wereld instuurt, wordt bewust of onbewust een imago opgebouwd. Ook de vormgeving van het drukwerk speelt daarbij een belangrijke rol, meer en meer zelfs; er lijkt wel een opbod te bestaan tussen de verschillende gezelschappen en huizen. Aan al dat fraais hangt natuurlijk een fors prijskaartje: het bedrag dat de operahuizen in België aan drukwerk besteden, zou voor een beginnend gezelschap al een welkome werksubsidie zijn. Ook sommige theatergezelschappen overdrijven in de zorg die en het geld dat ze besteden aan het opbouwen van een imago door middel van drukwerk. In die mate zelfs dat er verwachtingen worden gecreëerd waaraan dan vaak toch niet beantwoord kan worden. Zo verspreidde De Tijd het afgelopen seizoen heel stijlvol, sjiek en duur drukwerk (omslagen uit dik papier met per produktie een fiche) om hun Strauss-cyclus aan te kondigen. Een kwaliteit die niet werd waargemaakt in de uiteindelijke produkties.

Open deuren

Een ander gezelschap dat sterk, en succesvol, bezig is met externe communicatie en het opbouwen van een imago, is de Blauwe Maandag Compagnie. Een grote verdienste van deze groep is ongetwijfeld dat zij bepaalde verworvenheden van het avantgarde of kleinschalige theater overneemt, zodat ook een breder, ander of meer klassiek gericht publiek ermee in contact komt. Wat me wel stoort is dat de BMCie vaak open deuren intrapt. Zo werd in een interview naar aanleiding van Voader tijdens De Zevende Dag de indruk gewekt of het de BMCie was die ‘eindelijk’ de vierde wand in het theater had neergehaald (cf. Willy Thomas in Etcetera 36). Het erge is dat sommige recensenten in die primeur-sfeer lijken mee te gaan. In het begeleidend briefje dat samen met de periodiek over Vittoria Corombona werd rondgestuurd, gaf Luk Perceval de reden op voor het afgelasten van de betreffende produktie: ‘Omdat wij van mening zijn dat het publiek respect verdient, en het niet van respect getuigt slechte voorstellingen uit te brengen, hebben we gekozen voor de meest radicale oplossing.’ In Knackwerd de BMCie achteraf geprezen voor deze uiterst moedige daad: blijkbaar werd voor het eerst in de geschiedenis van het Vlaamse theater een produktie afgelast. Het is niet omdat het wel meer zou mogen gebeuren dat ondermaatse produkties uitgesteld of afgelast worden, dat het nog nooit gebeurd is.

Ook in de periodiek naar aanleiding van Dozen wordt de indruk gewekt alsof de BMCie met vernieuwende en speciale dingen bezig is: ‘Na REPETITIE/I uit het vorig seizoen, waarin repeteren tot een voorstelling leidde die iedere avond opnieuw ontstond, wordt nu het onderzoek naar wat acteren is voortgezet met gebruikmaking van de paradox. De paradox waarin de regisseur geen regisseur is, die bovendien geen tekst regisseert. De paradox ook van de schrijver die geen kant en klaar stuk als Boste levert om de vertelling te laten plaatsvinden. ‘ In het persbericht luidde het als volgt: ‘Voorstellingen blijven repetities’. Toegegeven, ik ben misschien van slechte wil, maar ik lees hier op en tussen de lijnen toch wel enkele open deuren en een flink stuk pretentie bij elkaar (de ondertitel van Dozen luidt trouwens ‘een étude’). Zo dacht ik toch dat het juist één van de typische kenmerken van het theater was dat een produktie iedere avond opnieuw in de vorm van een voorstelling of opvoering ontstaat. Repetitie/I was een heel knappe en boeiende theaterervaring, maar als toeschouwer zag je enkel een produkt, geen proces. Door naar verschillende voorstellingen te gaan, kon je misschien wel voor een deel een zicht krijgen op een proces, of kon je wel veranderingen constateren, maar dat geldt voor elke theaterproduktie. Als de voorstellingen echt repetities waren, dan zou ik haperingen, onderbrekingen, hernemingen of ingrepen door een regisseur willen zien. Maar dan nog zouden het, omdat er een ‘echt’ publiek bij is, geënsceneerde repetities blijven — dit laatste is niet zomaar een paradox, maar een contradictie. Het verhaaltje over de paradox vind ik trouwens maar zand strooien in de ogen van de lezer/toeschouwer. Een regisseur die geen regisseur is: als hiermee bedoeld wordt dat het niet de regisseur is die alles voor het zeggen heeft, maar dat hij als een soort begeleider samen met de acteurs een produktie opbouwt, dan wordt hier weer een open deur ingetrapt. Om over een tekst die tijdens het repetitieproces ge- of herschreven wordt, nog maar te zwijgen.

Dialect

Zeker voor een produktie als Dozen klinken al die dure woorden en formuleringen overdreven, hol en vooral: niet van toepassing. Dozen is in eerste en laatste instantie een heel leuke, amusante maar ‘pretentieloze’ produktie. Het decor is heel eenvoudig gehouden: de acteurs zitten op een sofa, die recht tegenover de publiekstribune is opgesteld, links hangen vijf opgeblazen kinderfoto’s en rechts staat een grote tafel boordevol portretten. Alle aandacht kan zo gaan naar de teksten, het acteren en vooral het vertellen. Op een bepaalde manier is er een mooi evenwicht gevonden tussen de dolle kolder van een Wilde Lea en de (‘Vlaamse’) grimmigheid van een Voader. Het evenwicht zit ook in de tekstkeuze. Doorheen de ongeveer zestien fragmenten, monologen, dialogen of langere verhalen, is er een weldoende, goed uitgebalanceerde afwisseling tussen door hun absurditeit dolkomische of door hun trieste inhoud eerder schrijnende teksten. Inhoudelijk hebben de teksten niet echt veel gemeen, al zijn er natuurlijk parallellen te trekken of terugkerende thema’s te ontdekken. Zo tonen de meeste teksten klein of groot leed, gaan er een aantal over de (herinnering aan) de kindertijd, en heeft het merendeel ‘de gewone man of vrouw’ als personage. De twee acteurs (Stany Crets en Peter Van den Begin) en de drie actrices (Gilda De Bal, Els Dottermans en Ilse Uitterlinden) hebben bij bijna elke tekst een relevante manier gevonden om hem te brengen. Bij de meeste teksten blijft dit bij ‘gewoon’ vertellen, maar dan wel op een bijzonder boeiende en aanstekelijke manier. Soms, vooral in de stukken met dialoog, zijn er aanzetten tot acteren of theatraliteit, maar deze elementen blijven tot een minimum beperkt. Waar acteurs als Stany Crets en Peter Van den Begin in andere produkties af en toe ‘over the top’ gaan bij het uitbeelden van een komisch personage, blijven ze nu nog net op de grens van het genietbare. De acteer- en vertelprestaties zijn trouwens ook bij de actrices accuraat, op de juiste toon en met een goede timing.

Afgaande op een interview in De Morgen (van 3/6/93), werden in eerste instantie twee teksten aangedragen door regisseur Johan Dehollander en BMCie’s huisschrijver Arne Sierens. Daarop zijn de acteurs in hun eigen boekenkast of persoonlijke dozen op zoek gegaan naar andere teksten. De hieruit geselecteerde teksten heeft Sierens dan herschreven. In de taal die gehanteerd wordt, is die van Sierens meteen te herkennen, al zit er ook hier een variatie in: de teksten zijn min of meer in het dialect. Je kan zeggen dat dat dialect goed aansluit bij de sociale status van de meeste personages. Langs de andere kant blijft het gebruik van dialect echter ook een (al te) gemakkelijke manier om iemand (sociaal) te karakteriseren en is het een wel erg dankbare manier om een komisch effect te sorteren bij de toeschouwer.

Dozen is in zekere zin wel een ‘onderzoek naar wat acteren is’, tenminste voor de BMCie zelf. Voor zover ik weet is dit, na Repetitie/I, de eerste produktie van de BMCie, zeker sinds ze ‘groot’ geworden is, die zo kleinschalig en sober is dat bijna alle aandacht naar het acteren en het vertellen uitgaat. Ook aan verteltheater heeft de BMCie zich bij mijn weten nog niet gewaagd. Met Dozen wordt duidelijk dat de vaste acteurs van de BMCie ook dit register aankunnen. Dozen zou belangwekkend genoemd kunnen worden omdat hier boeiend verteltheater gebracht werd door een, voor dit soort produkties, relatief groot aantal akteurs.

Wanneer je al de vorige produkties van de BMCie samen neemt, dan vormen de gehanteerde acteerregisters al een indrukwekkend scala. Vraag is alleen of en hoelang dit nog kan doorgaan. En of het absoluut telkens met iets ‘totaal anders’ willen komen op de duur geen verstikkende obsessie wordt.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#43

15.11.1993

14.02.1994

Bruno Koninckx

recensie