Peter en Juul Anthonissen / Rob Stevens

Clara Van den Broek

Leestijd 15 — 18 minuten

Juul en Peter, All for Love

Het jazzgevoel in het theater

Vier recensenten voeren een gesprek over muziek en theater, over vaders en zonen, over twee generaties critici. Een eenakter op schrift gesteld door Clara Van den Broek.

Personages

Juul Anthonissen, geïnterviewde

Peter Anthonissen, nog een geïnterviewde

Jef De Roeck, eerste interviewer

Clara Van den Broek, tweede interviewer.

In een gemeente op een berg in Vlaanderen. Heden.

Twee jongere en twee oudere recensenten zitten rond de tafel. Juul Anthonissen is een man van goed in de 60. Hij is jazzrecensent geweest bij verschillende week- en dagbladen – onder meer bij De Standaard – alsook bij de radio. Ook werkte hij als directeur van de Dienst Muziek, Film en Dans bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Hij organiseert nog steeds concerten voor de Hnita-club in Heist-op-den-Berg. Al van tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij een volbloed jazzliefhebber. Tegenover hem zit Jef De Roeck, ongeveer even oud. Hij was cultuurredacteur van De Standaard en medewerker van de toenmalige brt-3 en van verschillende tijdschriften, waaronder Etcetera – waarvan hij twee jaar hoofdredacteur was. Peter Anthonissen, Juuls zoon, werkte eerst als theaterrecensent voor Het Belang Van Limburg en stapte in 1995 over naar De Morgen. Hij is jong: achteraan in de 20. Ten slotte is er Clara Van den Broek, vooraan in de 20. Zij is er namens de redactie van Etcetera.

Jef: Juul, jij bent al met jazz bezig sinds 1941, van toen je tien jaar oud was. Dat is meer dan een halve eeuw. De jazz is in die periode geëvolueerd van amusements- naar kunstmuziek.

Juul: Ja, toen ik ermee begon, was jazz muziek om op te dansen. Maar vanaf 1950-1955 is het muziek geworden voor concertzalen en voor clubs, en niet meer voor danszalen. Vanaf 1955-1960 is jazz ook op de cultuurpagina van de kranten beginnen verschijnen. Ik heb de eer gehad als eerste in Vlaanderen én voor een weekblad, met name Humo van ’60 tot ’63, én voor een dagblad, met name De Standaard vanaf ’63, over jazz te hebben geschreven. Humo en De Standaard waren de eersten die jazz brachten. Nadien zijn andere week- en dagbladen gevolgd.

Jef: Heeft ook de jazzkritiek in die periode een evolutie doorgemaakt?

Juul: Ja. Rond 1950 had je, internationaal gesproken, twee kampen: enerzijds degenen die hielden van de jazz van vóór de oorlog, de swingmuziek, en anderzijds degenen die het hielden bij de moderne jazz. Het ene kamp ging nooit naar een concert van het andere, en omgekeerd. Sinds 1950 is de jazz veel meer gedifferentieerd geworden. Vóór de oorlog prevaleerden de swingstijl en de New Orleans-stijl. Maar daarna hebben we om de 10 jaar een revolutie gehad. Dat heeft tot gevolg gehad dat er ook meer kampen zijn ontstaan. Want dit is eigen aan jazz: de meeste collega’s zweren bij één of twee stijlen en blijven daarbij. Ze gaan naar geen enkel concert van een andere stijl. Ik vind dat heel jammer. Ik hou mij bezig met alle vormen van jazz, ik luister zowel naar jazz van 1920 als naar jazz van 1998. Maar voor de meesten is dat niet zo. Een typisch voorbeeld daarvan is onze club hier in Heist. Mijn smaak en die van Peter gaan veel verder dan wat wij hier programmeren. Maar wij hebben een publiek dat zweert bij de bebop, de muziek uit de periode 1945-1960. Wij moeten dus noodzakelijkerwijze die muziek programmeren. Het gevolg is dat wij van de collega’s momenteel niemand zien, behalve van Le Soir. Ik ging drie of vier keer per week op stap, naar alle vormen van jazz. Ik schreef overal over. Een student musicologie uit Gent heeft eens ontdekt dat ik tot 365 artikels per jaar schreef.

Liefhebber

Jef: Ik herinner mij dat jij je recensies vaak begon met encyclopedische kennis van de jazz en van de artiesten in kwestie – je hebt trouwens ook voor encyclopedieën geschreven. Wanneer die artiest vervolgens gesitueerd was, begon je het actuele concert te bespreken. Mij trof altijd jouw eigen, bijna onnavolgbare stijl, jouw eigen woordenschat – het woord ‘orgiastisch’, bijvoorbeeld, heb ik van jou geleerd (lacht). Ook trof me dat jouw pen de muziek, en vooral jouw gevoelens bij die muziek, volgde. Is dat juist?

Juul: Dat klopt helemaal, Jef. Als ik mij ‘criticus’ hoor noemen, moet ik altijd lachen. Ik voel mij gewoon een liefhebber die graag over jazz schrijft. Vandaar dat mijn gevoelens ook een belangrijke rol speelden. En het situeren van de muzikant was noodzakelijk omdat er zoveel verscheidenheid is in de jazz.

Jef: Jouw artikels waren altijd enthousiast, altijd opbouwend. Er sprak een grote mildheid uit.

Juul: Ik vind niet dat een recensent het recht heeft om iemand die het beste van zichzelf staat te geven, te kraken. Eén keer heb ik een goede les gehad. Ooit noemde ik in een van mijn artikels een Duitse drummer, die echt verschrikkelijk speelde, een houthakker. Toen de leider van het orkest dat las, is die drummer onmiddellijk buitengevlogen. Sindsdien heb ik nooit meer dergelijke dingen geschreven. Als ik het niet goed vond, sprak ik er gewoon niet over. Of ik zette er smalend bij: ‘het orkest bestond verder nog uit die en die’. Dan konden ze best begrijpen dat ik het niet goed vond.

Jef: Peter, hoe pak jij een recensie aan?

Peter: Ik heb het nummer van Etcetera over theaterkritiek er nog eens op nageslagen, waarin bepaalde regisseurs verwijzen naar de eerste generatie theaterwetenschappers die is beginnen recenseren. Zij lijken te veronderstellen dat die theaterwetenschappen onmiddellijk een zekere kilheid of analytische geest meebrengen. Voor mij komt echter de kijkervaring op de eerste plaats. Latent zal er wel één of ander theaterwetenschappelijk apparaat aanwezig zijn, maar ik stap daar niet bewust die zaal mee binnen. Ik wil de voorstelling dus eerst op mij laten afkomen. En dan, in tweede instantie pas, ga ik die ervaring analyseren, die gevoelens duiden en in perspectief plaatsen.

Generaties

Jef: Zie je een verschil tussen de mensen die theaterwetenschap gevolgd hebben en de anderen, tussen jouw generatie en een vorige generatie theatercritici?

Peter: Ik vind het interessant dat niet alle recensenten van nu theaterwetenschappers zijn. Mensen met een andere opleiding, zoals Pieter T’Jonck of Steven Heene, benaderen theater heel anders. Theaterwetenschappers hebben bovendien vaak een vooropleiding die in de richting van Germaanse of Romaanse gaat. Ik ervaar bij mezelf dat ik vaak op de tekst terugval. Steven heeft een visuelere kijk. Ik ben blij dat die verschillende schakeringen er nog zijn in de kritiek van nu. Van de vorige generaties heb ik niet genoeg gelezen om er een kijk op te hebben. Maar ook in de stukken van Wim Van Gansbeke zit zowel analyse als enthousiasme. Ik zou de evolutie dus niet overschatten.

Jef: Juul, wat vind jij van de jongere generatie?

Jool: Daar kent Peter mijn opinie over. Ik zou niet spreken van een generatieconflict, maar toch. Er bestaat geen opleiding jazzkritiek of jazzwetenschap. Er wordt wel jazzgeschiedenis gegeven, maar door wie! Ik heb vroeger les gegeven in de conservatoria van Brussel en Gent. Dat was nog echte jazzgeschiedenis. Omdat ik al het materiaal had. Maar die jongens van nu hebben dat materiaal niet meer. Vermits er dus geen opleiding is, stel ik de ervaring terzake voorop. Het is misschien nogal strikt, maar ik ben van oordeel dat je minstens 10 tot 15 jaar met jazz moet bezig zijn eer je iets op papier kan zetten. Ik heb 18 jaar gewacht eer ik in 1959 met radiowerk begon en in 1960 mijn eerste artikel voor Humo schreef. Op zo’n abstract terrein als jazz vind ik dat je zoveel ervaring nodig hebt, om het goede van het slechte te kunnen onderscheiden. Ik verwijt mijn jongere collega’s een gebrek aan ervaring: ze zijn twee of drie jaar met jazz bezig en ze proberen al een krant te versieren. Dat brengt ook mee dat ze gebrek hebben aan een brede kijk. Ze zien alleen hun bepaald stijltje, waarin ze schrijven, en daarbuiten gaan ze niet.

Jef: Verschillen de jongere en de oudere generatie in sensibiliteit?

Juul: Ik denk het wel. De oudere generatie hield nog van de melodiciteit bij de improvisaties. Jonge muzikanten hechten echter veel meer belang aan de vorm dan aan de inhoud, aan de techniek meer dan aan de verhaaltrant. Een goede improvisatie is voor mij een verhaal dat verteld wordt, en dat gebaseerd is op het akkoordenschema van een bepaald thema. Dat eigen verhaal, dat is de individualiteit van de jazzmuzikant. En als hij geen verhaal te vertellen heeft, als hij gewoon notenreeksen na elkaar ligt te blazen, of een gamma dat hij vooraf ingeoefend heeft, dan haak ik al voor een stuk af. Men gebruikt ook steeds vaker elektronische instrumenten. Ik heb daar niets tegen als dat doelmatig gebeurt. Maar sommigen maken daar misbruik van. Ook wat de geluidssterkte betreft, begint de jazz de weg op te gaan van de rock: het staat allemaal veel te luid. In feite moet jazz niet versterkt worden. In onze club is de akoestiek zeer goed, en sommige muzikanten zijn heel blij dat ze hier zonder micro kunnen spelen. Maar onze club is bijna de enige in de wereld waar dat kan.

Peter: Voor mij is er nog een nuance wat die melodiciteit betreft. Zeker, ik erken het fenomeen van de overheersing van de techniek bij een aantal mensen. Maar ik vind ook dat de afbraak van melodiciteit een doel op zich kan zijn, zoals bij een John Zorn bijvoorbeeld. Het is niet altijd alleen een uitwas.

Juul: Dat klopt.

Peter: Je kan dat fenomeen doortrekken naar theater en theaterkritiek. Ik denk dat de mensen die een opleiding theaterwetenschap achter de rug hebben, met ‘deconstructie’ hebben leren omgaan. Dat geeft meteen een verschil in sensibiliteit. Maar ik vraag mij dan wel af – en dat geldt zowel voor muziek als voor theater – hoe groot de publieksgroep is die je aanspreekt. Dat is niet altijd evident, denk ik.

Jef: Zou je ook iets kunnen zeggen over de sensibiliteit van de oudere generatie?

Peter: In de jazzkritiek speelde, denk ik, de missionarisgedachte toen veel meer dan nu.

Juul: Natuurlijk.

Clara: Juul, beschouwt u zichzelf als een voorvechter, een missionaris van de jazz?

Juul: Ik heb natuurlijk geen enkele vernieuwing in de jazz teweeggebracht. Maar ik lig aan de basis van alles wat er in België op jazzgebied gebeurt. Ik heb de meeste clubs helpen stichten, en ik ben de eerste geweest die eraan dacht lessen te organiseren. Nu zijn er al vier of vijf conservatoria die een jazzafdeling hebben, maar toen bestond dat niet. Ik was de eerste om stageweken te organiseren. De idee dat je jazz uit jezelf moet hebben, dat je dat niet kan leren, vind ik larie. De creativiteit moet je hebben. Maar de techniek kan je leren, en dat laat zich gevoelen. Ik beschouw mezelf dus deels wel als een voorvechter.

Peter: Het was ook vechten, veronderstel ik, want jazz kreeg toen bijvoorbeeld bijna geen plaats op de radio.

Juul: En de reactie van mijn omgeving! Mijn familie heeft zich als het ware van mij afgekeerd omdat ik mij met onzedige’, Vulgaire’ muziek bezig hield. Gelukkig hadden mijn vader en moeder er niks tegen dat ik met jazz bezig was.

Clara: Van waar komt die passie voor jazz?

Juul: Die vraag intrigeert mij ook. Waarom begint iemand van Schriek – dat is dan nog maar een deelgemeente van Heist-op-den-Berg – op een bepaald moment op de radio naar muziek te luisteren waar niemand naar luisterde? Dat was in 1941, het orkest van Stan Brenders, ik zal het nooit vergeten: elke dag van 12 tot 1 uur. Ik liep als kleine jongen zo vlug ik kon van school naar huis om naar die uitzending te luisteren. Ik wist niet wat dat was, ik had het woord jazz nooit gehoord. Ik vond die muziek gewoon goed. Ik reageerde daarmee ook tegen de enige muziek die we in die tijd te horen kregen, namelijk Duitse operettes, Duitse marsen en Duitse populaire muziek, naast Vlaamse smartlappen. Ik vond die muziek die ik ‘s middags hoorde zo fris, zo nieuw. Vanaf ’44 is er veel van die muziek gespeeld. Ik ben toen zeer veel naar de radio gaan luisteren. Ik heb onlangs mijn notitieboek teruggevonden uit die tijd. Hoewel mijn commentaren van toen veel verschillen van die van nu, is mijn smaak, in de grond, niet veranderd. Na de radio kwam er de plaat. Toen ik op het college in Mechelen zat, mochten wij niet in de Bruul komen: daar liepen te veel meisjes rond. Je kreeg twee uur retenue als je betrapt werd. Ik was dus nooit in de Bruul geweest. Maar na de proclamatie trokken wij daar natuurlijk ‘en bloc’ naartoe. En daar zag ik, in een uitstalraam, vier jazzplaten liggen. Dat was voor mij… de nieuwe wereld, de wereld die openging. Ik wist niet dat je die platen kon vinden in België. Ik heb die vier platen onmiddellijk gekocht, hoewel ik niet eens een pick-up had.

Clara: Platen in plaats van meisjes.

Juul: Ja (lacht), en dat is voor een flink stuk gebleven. Zo was ik op 17-18 jaar beginnen roken. Maar toen ik uitgerekend had dat ik per week een tweedehands plaatje oprookte, ben ik direct gestopt, voor altijd. Mijn geld heb ik alleen in die platen gestoken. Bij mij was de eenheidsmunt niet de frank maar de plaat: ‘dat kost zoveel platen’ en niet ‘dat kost zoveel frank’. Die liefde voor de jazz is helemaal uit zichzelf gekomen. Het woord ‘jazz’ kende ik pas vanaf 1950, toen ik er platen over begon te kopen. In het begin stond ik totaal alleen, want ik wist niet dat er nog andere mensen met die muziek bezig waren. Het is pas vanaf halfweg de jaren ’50, toen er in België een jazz-federatie werd gesticht, dat ik voor de eerste keer heb gehoord dat er nog mensen mee bezig waren, en dat er ook nog een paar andere clubs waren. In ’54 heb ik dan in Heist mijn eigen club gesticht omdat ik zelf wilde programmeren. Sindsdien heb ik hier al 600, meestal Amerikaanse, concerten georganiseerd.

Medeplichtigheid

Jef: Heeft het feit dat je zelf concerten organiseert, invloed gehad op je kritiek?

Juul: Ja, enorm. Jazz is een zeer individuele kunst. De solist is koning, ook al wordt jazz altijd in collectief verband gebracht. Omdat het individu zo belangrijk is, wilde ik de mens achter de muzikant kennen. Ik ben een speurtocht begonnen naar het karakter van al die mensen. Op een bepaald moment kende ik zeker 3000 bio’s van muzikanten vanbuiten. Toen mijn vrouw nog leefde, maakte zij eten klaar voor de muzikanten die in de club kwamen spelen, en dan zaten ze hier soms een paar uur te babbelen. Dan vernam ik heel veel ‘inside information’ over jazz. Die vriendschappen hebben me ook toegestaan om mijn gedachten te toetsen aan de meningen van de grootste jazzmuzikanten.

Jef: Bestaat niet het gevaar dat zo’n vriendschap ook je oordeel beïnvloedt? Is er niet een betrokkenheid die zich willens nillens ontwikkelt?

Juul: Ja. Ik probeer het te vermijden, maar onbewust zal die betrokkenheid wel een rol gespeeld hebben. Ik wou echter geen contact met andere recensenten. Ik lees meestal niet wat de anderen schrijven. Ten eerste omdat ik niet wil beïnvloed worden. En ten tweede, omdat ik mij dikwijls kwaad maak in hetgeen ze schrijven. Ik denk trouwens dat je ook mijn betrokkenheid met de artiesten niet moet overdrijven. Ik heb altijd geschreven zoals het was, zelfs als het over concerten van bij ons ging.

Clara: Hoe sta jij tegenover betrokkenheid, Peter?

Peter: Ik houd daar een ander idee op na. Ik ga die betrokkenheid zoveel mogelijk uit de weg. Nu wordt dat deontologie genoemd, maar vroeger waarschijnlijk niet. Persoonlijk contact mag tot op zekere hoogte. Het valt mij op dat theaterrecensenten in Nederland vaak vlak na de voorstelling buitenhollen om noch met collega’s, noch met andere theatermensen in aanraking te komen. Dat vind ik een beetje overdreven, omdat dialoog belangrijk is. Maar ik hoed me wel voor belangenvermenging. In die zin zou ik een zetel in de Raad van Advies, mocht die mij aangeboden worden, weigeren. Je kan niet tegelijkertijd rechter en criticus zijn.

Jef: Ontstaat er toch niet een soort van medeplichtigheid? Er kunnen vriendschappen groeien tussen een recensent en bepaalde acteurs. Hoe ga je daarmee om? Is er op dat gebied een verschil tussen generaties? Het zou bijvoorbeeld kunnen dat er onder generatiegenoten gemakkelijker contacten ontstaan, terwijl je als jonge man allicht je hoed afneemt voor een Senne Rouffaer of een Dora Van der Groen.

Peter: Die eerbied ken ik inderdaad. Ik heb Senne al een aantal keren geïnterviewd en ik heb nog altijd moeite om Senne tegen hem te zeggen. En met de jongere generatie sluipt er allicht een zekere medeplichtigheid binnen. Maar ik denk dat die kwestie zich tegenwoordig anders stelt dan voor tien jaar. Mijn generatie theatermakers – mijn leeftijd situeert zich tussen die van De Roovers en Stan in – heeft veel minder dan de generatie van de jaren ’80 de behoefte om zich af te zetten tegen de vorige generaties. Er is niet meer zoiets als één bepaalde vijand om tegen te ageren. De heilige huisjes zijn gesloopt. Daarom denk ik dat je nu minder snel een homogeniteit krijgt tussen een generatie theatermakers en een generatie theatercritici. Er zijn zoveel verschillende gezichten, zoveel verschillende mogelijkheden en huizen, dat ik het als recensent al onmogelijk vind om die onder één noemer te plaatsen, laat staan dat wij elkaar zouden vinden onder één bepaalde noemer. Toch moet ik toegeven dat je sympathie nooit helemaal uit de weg kan gaan. Als ik er ook maar een heel klein steentje toe kan bijdragen, bijvoorbeeld vorig jaar als jurylid van Het Theaterfestival, dat groepen als Dood Paard en Het Barre Land wat meer erkenning krijgen, dan ben ik daar inderdaad blij om.

Jef: Peter, je bent opgegroeid bij een vader die 35.000 lp’s heeft, 2000 cd’s, duizenden boeken, een archief met 10.000 eigen artikels en 20.000 à 30.000 artikels van anderen, 20.000 tijdschriften, enzovoort. Jazz is al wat de klok slaat. En jij bent over theater gaan schrijven! Waarom niet over jazz?

Juul: Ze hebben hem verschillende keren gevraagd als jazzrecensent bij De Standaard, hoor. Maar hij heeft het nooit willen doen.

Peter: Er hebben verschillende factoren gespeeld. Ik heb lang geaarzeld voor ik een bepaalde weg ben ingeslagen. Ik heb Germaanse gedaan. Op dat moment was het voor mij nog volstrekt onduidelijk welke weg ik uit moest. Ik zag die opleiding als een basis, om dan iets anders te gaan doen. Ik heb een tijdlang met de idee gespeeld om professioneel met muziek bezig te zijn. Niet noodzakelijk als recensent, maar als organisator, of als producer. Maar ik denk dat ik zo aan die jazz gebonden ben, dat ik mij moeilijk met andere muziekgenres bezig zie. En met jazz kom je professioneel niet ver in Vlaanderen. De mensen die hier van jazz kunnen leven, zijn uiterst dun gezaaid. Bovendien ben ik de vergelijking met mijn vader bewust uit de weg gegaan. Het lag misschien een beetje te veel voor de hand: na de vader ook de zoon. Ik moet toegeven dat ik daar schrik van had.

Theater is eigenlijk vrij abrupt te voorschijn gekomen, want ook toen ik Germaanse studeerde, ging ik maar heel af en toe naar het theater. Dat is pas gekomen toen ik Culturele Studies ben gaan volgen in Leuven. Achteraf bekeken kwam het theater bijna als een geschenk uit de hemel gevallen, omdat ik daar plotseling echt mijn ding in vond. Maar de muziek is nog altijd aanwezig, hoor.

Afgezien van het schrijven over muziek, lag echter ook het schrijven zelf niet voor de hand. En dan heb je nog het recenseren… Ik ben mij nog altijd bewust van de implicaties daarvan, want ik vind het absoluut geen eenvoudig bestaan. Sociaal zowel als financieel ligt het niet voor de hand. En ik heb dat als kind allemaal gekend. Ook papa combineerde verschillende jobs. We zagen elkaar toen ik klein was eerder ‘s nachts dan overdag of ‘s avonds. Dat zijn allemaal dingen die in mijn hoofd gespeeld hebben, en die daar nog altijd zijn. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, waarschijnlijk.

Jazzgevoel

Jef: Je zegt dat de muziek nog altijd aanwezig is. Hoe is die aanwezig in je theaterkritiek?

Peter: Ik denk dat ik naar het theater toe een bepaalde sensibiliteit heb die met muziek te maken heeft. Wat mij in het theater in elk geval zo aanspreekt, is het live-gebeuren, het unieke van één avond. Dat heb ik heel duidelijk meegekregen vanuit de jazz. Ondanks al die platen en cd’s die je op eender welk moment van de dag of de nacht kan beluisteren, blijft jazz in de eerste plaats een podiumgebeuren. Binnen het theater dragen dan ook die voorstellingen mijn voorkeur weg, die niet reproduceerbaar zijn de dag nadien, en waarin je de persoonlijkheid voelt van de mensen die op de scène staan, de aanwezigheid van het publiek, en hoe die met elkaar in dialoog kunnen treden. Ik betrap mijzelf er wel eens op dat een voorstelling mij een echt ‘jazzgevoel’ kan geven, en dat is dan meteen positief.

Jef: Wat is dat, een ‘jazzgevoel’?

Peter: Tja. Ik heb daar de laatste maanden een aantal oplossingen voor aangereikt gezien vanuit het theater. Om te beginnen is er een concept als dat van De Vere: men beslist pas een uur voor de voorstelling welke tekstfragmenten men gaat brengen, en men ziet wel in de loop van de avond hoe die verschillende fragmenten inhoudelijk met elkaar in relatie treden. Dat is een uitgangspunt dat veel met jazz te maken heeft, en dat erg bevrijdend werkt, zowel voor de acteurs als voor het publiek. Toch ben ik niet altijd even blij geweest met De Vere. Een theatertekst springt immers op een andere manier met betekenis om dan een muzikaal thema of een muzikale improvisatie. Door een aantal dingen die ik de voorbije maanden gezien heb – bijvoorbeeld Josse De Pauw met zijn monoloog Weg, of de Amerikaanse acteur Roger Guenveur Smith met A Huey P. Newton Story – ben ik gaan denken dat dat jazzgevoel voor mij meer zit in de manier waarop je als acteur omspringt met jezelf in relatie tot de tekst. Het is misschien daarom dat ik dat gevoel sneller terugvind in een monoloog dan in groepswerk. Ik denk dat de evolutie van acteurs nog niet ver genoeg is om dat ook in groep te kunnen bereiken. In jazz is het al zo moeilijk, met materiaal – muziek – dat zich daar gemakkelijker toe leent.

Clara: Bedoel je met die relatie van de acteur tot zichzelf en tot de tekst een soort expressie, een waarachtigheid?

Peter: Neen. Ik bedoel een manier om in een tekst en in een personage te stappen en er dan opnieuw uit. Ook in My dinner with André van Damiaan De Schrijver en Peter van den Eede ging dat zo. Dat voortdurend heen-en-weer schakelen tussen het spreken vanuit een personage en het spreken vanuit zichzelf. Dat doet mij heel sterk aan jazzimprovisatie denken. Het is me nog niet helemaal duidelijk, hoor. Maar de laatste maanden ben ik toch gaan denken dat het misschien meer met een houding van een acteur ten opzichte van zichzelf als instrument te maken heeft dan met het tekstrepertoire ‘an sich’.

Ook voor mij gaat het vooral over de mensen zelf die met theater of muziek bezig zijn. Het is via de mens achter de artiest dat ik in de eerste plaats toegang heb gehad tot muziek. Ik kende de muzikanten die hier aan huis kwamen vóór ik hun muziek hoorde. Dat heeft ontheiligend gewerkt. Ik sta soms paf van wat ik bepaalde acteurs zie doen, maar ik zit niet met open mond te staren naar dé acteur, zoals ik vroeger ook dé jazzmuzikant nooit met een hoofdletter heb gezien.

Jef: Juul, wat betekent het voor jou dat Peter nu de theaterrichting uitgaat?

Juul: Ik heb er spijt van. Ik heb altijd gehoopt dat hij mijn werk ging voortzetten. Hij schrijft heel goed over jazz. Maar het is zijn goed recht een andere richting uit te gaan. We gaan wel vaak samen naar jazzconcerten.

Jef: Als je vanavond naar het theater kon, waar zou je dan naartoe willen?

Juul: Ik zou het echt niet weten, Jef. Ik hou nochtans veel van toneel. Ik heb jaren op het ministerie de ‘kamers, kelders, zolders’ gedaan, de subsidiëring van de kleine theatertjes. Ik ben vroeger heel veel naar het MMT en het EWT geweest. En ik zou ook nu soms graag nog gaan. Ik heb al dikwijls tegen Peter gezegd: ‘Jij bent al die jaren met mij mee naar de jazz geweest, ik zou nu graag met jou meegaan naar het toneel’. Maar hij heeft dat niet graag. Hij heeft schrik dat ik hem zou beïnvloeden in zijn objectiviteit.

Peter: Het heeft niet alleen met beïnvloeding te maken, hoor pa. Het heeft te maken met deontologie en met een persoonlijke worsteling. Ik heb een serieuze dosis concentratie nodig als ik de theaterzaal binnenga, vooral bij premières. Concentratie op een voorstelling, professionele concentratie dus, is voor mij iets heel anders dan een persoonlijke concentratie voor wie er met mij meegaat naar het theater. Dat zijn bijna twee verschillende werelden, en ik heb moeite om die te combineren. Terwijl ik als kleine jongen wel meeging naar concerten! Ik begrijp nu absoluut niet hoe mijn pa erin slaagde om mijn gezeur naast zich te hebben, en dan toch nog een recensie te schrijven. Ik zou dat niet kunnen.

Juul: Jij was voor mij de stem van de derde man, de buitenstaander.

Jef: Betrouw je Peter als criticus?

Juul: Ja, ik betrouw hem. Stiekem, als hij er niet is en de krant ligt daar, lees ik veel dingen die hij schrijft.

gesprek
Leestijd 15 — 18 minuten

Clara Van den Broek

Clara Van den Broek is romanist. Ze studeerde Culturele Studies aan de KU Leuven en volgde een acteursopleiding aan het Conservatorium in Antwerpen.

gesprek