Hugo De Greef en Erwin Jans

Leestijd 7 — 10 minuten

Jukebox

Reacties, standpunten en kritieken

Een gemiste historische kans

Hugo De Greef, artistiek directeur Kaaitheater

Begin oktober kwamen de plannen van het Nederlands Toneel Gent (NTG) en de Blauwe Maandag Compagnie (BMCie) om te fusioneren in de openbaarheid. Een zeer spannend voorstel, dat gedurende enige dagen nogal veelbelovend boven het theater in Vlaanderen zweefde. Het is dan ook uiterst jammer dat deze fusie niet doorgaat. Onafgezien van mijn dikwijls afwijkende artistieke mening met betrekking tot het werk van de BMcie meen ik dat het lukken van een dergelijke demarche een nuttig, zelfs uniek elan had kunnen geven aan het theater.

Vlaanderen heeft geen grote theaterstructuren. Alhoewel er zogenaamd drie grote schouwburgen zijn – KNS, KVS, NTG – blijven dit elk op zich kleine theaters die bij vergelijking met hun als tegenpool geachte buitenlandse collega’s amper nog meetellen.

De overheid heeft dit probleem gedeeltelijk onderkend en van antwoord gediend in de nieuwe subsidiebeslissing voor de periode 1997-2000. Binnen de aan de drie stadstheaters toegewezen subsidie dient een deel, tien miljoen elk, aangewend te worden voor gezamenlijke projecten of samenwerkingen. Dat dit gebeurt op een nogal ongelukkige wijze, want te dwingend en niet gebaseerd op een natuurlijk gegroeide artistieke relatie, is uiteraard problematisch. De uitgedokterde externe stimulans laat vrezen dat ze wel ellenlange onderlinge discussies zal teweegbrengen maar of dat ook boeiend artistiek werk oplevert, blijft zeer de vraag. Het probleem van ‘te kleine’ grote gezelschappen is hiermee wel extra onderstreept maar of hiermee een juiste richting aan de oplossingen gegeven wordt, mag betwijfeld worden. Neem van mij aan dat de drie plus de minister op dit ogenblik aardig met hun handen in het haar zitten om deze zwak hanteerbare beslissing werkbaar te maken. Samenwerkingen kunnen gewenst en gestimuleerd worden door een overheid maar niet opgelegd. Bij een verplichte samenwerking kan ik mij geen spannende theatervoorstellingen – een toevalligheid daargelaten – inbeelden.

Die mogelijkheid is er wel wanneer er samengewerkt wordt vanuit artistieke motieven en door gebruik te maken van zich aandienende opportuniteiten. Dit bleek aanwezig bij het ntg en de BMCie. Dus alle verwachtingen naar een spannende vier jaar met dit nieuwe gezelschap waren gerechtvaardigd. En dit zou niet alleen een uitdagende periode geweest zijn voor het gezelschap en zijn publiek maar voor het gehele theaterlandschap. Het ldopt dat Vlaanderen dringend nood heeft aan een alert en hedendaags echt groot gezelschap. Het zou een ankerpunt kunnen worden voor het gehele theater. Andere initiatieven zouden kunnen ‘meegenomen’ worden, kleinere projecten zouden een toegang krijgen tot het maken van hun werk zonder de niet-artistieke kopzorgen, talenten zouden verzameld kunnen worden om hun werk meer rendement te geven, grote voorstellingen zouden weer mogelijk worden en een groot publiek zou theater vanuit verschillende artistieke oogpunten binnen één stevige context kunnen bijwonen. De zo terecht gehekelde versnippering zou voor een stuk opgevangen worden. Maar daar bovenop: er zou een gegeven ontstaan waartegen andere kunstenaars zich kunnen afzetten, anderen in het veld kunnen gedynamiseerd worden om grondig te gaan denken of om zichzelf te herdenken, om zich artistiek scherper te positioneren.

We zitten in Vlaanderen op dit ogenblik met een gemoedelijk, argeloos voortdeinend theaterlandschap. Het door de subsidiebeslissing voor de periode 1997-2000 afgelijnd terrein vertoont geen enkele spanning. Er kan perfect uit afgelezen worden welk theater we de komende vier jaar gaan krijgen. Verrassingen staan niet op de agenda. Mede ook door de erg drastische ingrepen die de overheid heeft menen te moeten doen in de adviezen.

Maar het wezenlijke van de invulling ligt hem niet bij de overheid, wel bij de sector. Als de raden van advies en de overheid vanuit de sector geen dossiers toegeschoven krijgen die verregaande wijzigingen voorstellen: wat kunnen ze dan doen? Vandaar dat de grootste verantwoordelijkheid voor het gebrek aan artistieke alertheid bij de sector ligt. En daarom ook de grote verdienste van de BMCie om dit fusievoorstel met ntg te formuleren. Het ntg-bestuur moet goed begrijpen dat het een enorme verantwoordelijkheid heeft genomen door niet op het voorstel in te gaan. Een verantwoordelijkheid die verder reikt dan het menen braaf binnen de uitgetekende overheidslijnen te moeten lopen. Met de voor de hand liggende dooddoener: de angst voor het ‘sociaal kerkhof’. Zijn verantwoordelijkheid ligt hem niet meer of minder bij het niet grijpen van een historische kans om het theater in Vlaanderen een draai te geven naar een veel dynamischere situatie dan deze waar we nu in dreigen terecht te komen. Het grote gevaar is nu dat potentieel gewaagde maar artistiek efficiënte voorstellen uit het veld zullen aarzelen om naar boven te komen. En dat de overheid blijft zitten met de opdracht om krampachtig de kunstmatig opgezette samenwerkingsplicht tussen de drie grote gezelschappen voort te zetten en dit met in het achterhoofd de frustratie om een prachtige maar helaas mislukte fusiepoging. Dat zal, geloof mij, als enig resultaat hebben: onderlinge naijver, verkeerd begrepen afspraken, gemiereneuk over details en dies meer. Er zal zeker geen — een toevalligheid daar gelaten – consistent artistiek parcours uit voortvloeien.

Het NTG heeft inmiddels een nieuwe artistieke directeur. Zou één van zijn opdrachten niet kunnen zijn om het gesprek met de BMCie verder te zetten en positief af te ronden? Indien dat zou gebeuren, zou hij geschiedenis schrijven.

Groeten uit Brussel

Lezersbrief van Erwin Jans, dramaturg van de KVS

De brochure Groeten uit Brussel (1993-1997) die de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in mei van dit jaar publiceerde, wordt in Etcetera 56-57 twee maal aangehaald: een eerste maal in een artikel van Pieter T’Jonck over het theater en de stad, een tweede maal in een artiekel van Marleen Baeten/Kurt Vanhoutteover de recente subsidieregeling. Tweemaal wordt er aan de geciteerde tekst m.i. onrecht gedaan.

In zijn overigens interessante analyse van de problematische verhouding tussen stad en theater vertrekt T’Jonck van de eerste paragraaf uit de KVS-publicatie. Die stelt algemeen dat het theater uit de stad geboren is en nog steeds op een kritische en reflexieve manier met die collectiviteit verbonden is. Het vreemde is dat Pieter T’Jonck niet verder dan die eerste paragraaf heeft gelezen (althans dat maak ik op uit zijn artikel). Hij maakt die eerste paragraaf volledig los van de rest van het betoog en laat uitschijnen alsof die paar regels een essentialistische en idealistische (lees ook nostalgische) visie op de verhouding tussen stad en theater verwoorden. In zijn artikel deconstrueert hij woorden als cultuur, collectiviteit, reflectie, … Allemaal heel mooi en terecht, alleen is de tekst Groeten uit Brussel zelf al een problematisering van die begrippen. Er worden helemaal geen ‘tijdloze waarheden’ verkondigd over stad en theater. Integendeel: woorden als ‘gemeenschap’ ‘publiek’, ‘identiteit’, ‘repertoire’, ‘representatie’ worden van hun evidenties ontdaan. Zo staat er op p.31:'(…) theater heeft geen publiek meer, maar moet zijn publiek zoeken. Het vertrekt van zichzelf, niet van wat eraan voorafgaat. Het vertrekt niet van de zekerheid van een inbedding in een gemeenschap met wie het dezelfde waarden deelt. Het vertrekt daarentegen vanuit een gevoel van ontworteling en van onbehagen.’

Verder heeft T’Jonck het over de samenwerking tussen de kvs en het Centre Arabe, een samenwerking die resulteerde in het uitnodigen van een hele reeks Arabische kunstenaars (van Marokko tot Irak) in de KVS.

T’Jonck vraagt zich af of’dit soort voorstellingen verankerd zit in de Brusselse realiteit’: ‘Is dit geen pure, onversneden (!) import?’ Hoezo import? En zou dat niet het geval zijn met bijvoorbeeld Amerikaanse kunstenaars? En waarom plots een economische metafoor om die uitwisseling tussen Europa en de Arabische wereld te beschrijven? Misschien is dat niet zo toevallig, want waar staat de Arabische wereld in de Europese verbeelding anders voor dan voor economische import (olie of goedkope werkkrachten)? Wat zou er anders voor goeds kunnen komen uit die regionen? Zo lijkt het wel. De meeste Arabischekunstenaars die de afgelopen jaren in de KVS te gast waren, leven niet meer in hun geboorteland, maar in Europa. Geen immigranten, maar ballingen omwille van politieke redenen. Ook dat exil maakt deel uit van onze realiteit. Ondanks racisme, verrechtsing en crisis wordt Europa nog steeds door vele (Arabische) kunstenaars en intellectuelen als een toevluchtsoord beschouwd. Hun aanwezigheid kan het culturele en intellectuele leven nieuwe impulsen geven. Hun aanwezigheid kan een dialoog mogelijk maken met dat deel van de culturele erfenis dat Europa steeds verdrongen heeft. Het is de opkomst en de uitbreiding van de islam die de brug slaat tussen de val van het Romeinse Rijk (en de daaropvolgende periode die we als de Middeleeuwen omschrijven) en de Renaissance. De intellectuele, artistieke en culturele bijdrage van de Arabischewereld tot de hernieuwing van de Westerse cultuur is enorm, maar weinig bekend en vooral verzwegen. Ook de bijzonder moeizame dialoog tussen de huidige Arabische wereld (in al zijn complexiteit en paradoxen) en het Westen, kan de inzet zijn van dergelijke ontmoetingen. Ik zie daarenboven niet in waarom de KVS moet uitgespeeld worden tegen de Beursschouwburg. Waarom is van de twee initiatieven het ene ‘juister’ (!) dan het andere. Is de KVS politiek niet correct? Waarom niet nog veel meer initiatieven stimuleren op een zo goed als braakliggend terrein? De graffiti en de kalligrafie, de rap en de luit: telkens gaat het om de expressie van een bepaalde ervaring. Waarom is de ene ervaring belangrijker dan de andere? En waarom zou de ene meer deel uitmaken van de stad dan de andere? Wanneer het gaat om vreemde culturen trekt T’Jonck de band tussen scène en straat, tussen theater en stad plots heel nauw aan, terwijl de rest van zijn artikel erop gericht is duidelijk te maken dat het theater het ook wel zonder de stad kan.

BoosdoenersOok Marleen Baeten en Kurt Vanhoutte bezondigen zich aan een m.i. oppervlakkige lectuur. Hun artikel is voor het grootste deel een kritiek op het subsidiebeleid van Cultuurminister Martens. De toon wordt echter zeer grimmig op het einde van het artikel wanneer de grote huizen ter sprake komen. Dan verschuift de aandacht van de subsidieregeling naaide artistieke werking van KVS, KNS en NTG. De drie grote huizen worden systematisch gelijkgeschakeld, alsof ze eikaars kopieën zijn: een van de meest hardnekkige kenmerken van het anti-grote-huizen-discours in Vlaanderen. Plaats voor nuancering en differentiëring is er plots niet meer: alles over één kam. Alle woorden staan er weer op een rijtje: monotoon, uitblijvende vernieuwing, het naar believen op-vulbare woord ‘repertoire’, recuperatie, traditioneel, gebrek aan consequente artistieke visie, conformisme, en zelfs ‘artistieke ijstijd’. Het is nu precies over dit alles dat de KVS-brochure iets wilde zeggen, maar ook dat wordt niet geapprecieerd en bijna moedwillig verkeerd begrepen. In een poging om te omschrijven waarin de grote scène fundamenteel verschilt van de kleine scène, komt de KVS-brochure tot de volgende slotsom: ‘de grote zaal vraagt een andere manier van denken over theater, niet principieel, maar materieel.’ (p. 49) Met andere woorden: een grote scène dwingt door haar materialiteit, haar omvang, haar weerbarstigheid om intiem te zijn, de regisseur en de acteur tot andere keuzes, tot andere stellingnames. Baeten en Vanhoutte lezen dit zo: ‘De materiële aanwezigheid moet hun werking (= de werking van de grote huizen, EJ) verantwoorden’ en keren daarmee het hele argument op zijn kop. De grote middelen zijn geen verantwoording voor meer geld, maar een mogelijkheid tot andere artistieke keuzes. Dat is wat er staat. Dat dat geen eenvoudig proces is, heeft evenveel te maken met wat er buiten als met wat er binnen de schouwburgen gebeurt. Maar Vanhoutte en Baeten lijken het zo te willen formuleren dat de grote schouwburgen de grote boosdoeners zijn, diegenen die al het geld opslokken en zo iedere beweging in het theater in Vlaanderen blokkeren. Ze zijn als het ware de medestanders van het bekritiseerde subsidiebeleid. Het ziet er slecht uit als een dergelijk zwartwitdenken het discours over het repertoiretheater in Vlaanderen blijft overheersen. De communicatiestoornissen blijven zich opstapelen. De brochure formuleert dat zo: ‘Het is nog steeds wachten op een geschiedschrijving vanuit het perspectief van de grote schouwburgen zelf.'(p.25) Marleen Baeten en Kurt Vanhoutte vrezen voor de intrede van een ‘artistieke ijstijd’. Maar ook de kritiek heeft zo haar strenge winters. En als ik merk hoe reducerend er gelezen wordt, dan voelt het nu al erg koud.

 

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

Hugo De Greef en Erwin Jans

Hugo De Greef, medeoprichter van Etcetera, is een Vlaams cultuurmanager en gewezen theaterdirecteur.

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

artikel