Jan Ritsema / Herman Sorgeloos

Jan Ritsema

Leestijd 12 — 15 minuten

Voor jou, voor jou en voor ons

De gistingstank van de samenleving

Etcetera publiceert de integrale State of the Union waarmee Jan Ritsema de Brusselse editie van Het Theaterfestival 1999 opende. ‘Ik wil door de bodem van mijn ziel zakken. Om iets zinnigs te zeggen. Iets dat verder zou gaan dan het politieke debat over de plaats en functie en de toekomst van het theater.’

Eerst de redelijkheid straks de kunst, opdat we het verschil ertussen blijven herkennen.

Ik doe niet mee aan het modieuze geroep dat meer toeschouwers en vooral meer jeugd en meer moslims aan en naar het theater wil krijgen. De Nederlandse staatssecretaris voor Cultuur stelt letterlijk die eisen. Jeugd kwam er al nooit, dus waarom nu wel, de oudjes van nu die veelvuldig het theater bezoeken meden het toen ze jong waren. Theater is er voor tot je 12de en na je 27ste levensjaar (uitzonderingen daargelaten). Omdat je je ouders wil pesten en waarom zou je dat niet, luister je naar de avant-garde van de popmuziek en komt het niet in je hoofd op het vertier van je ouders met hen te gaan delen. En de moslims, die mogen helemaal niet, die mogen geen evenbeelden maken, die mogen niet ijdel met mensen sollen en waarom zou ik hen kerstenen als ons geloof niet minder patriarchaal en onderdrukkend is dan het hunne, laat staan dat ik hen nog verder de vrije markt op wil loodsen door hen een handje met de assimilatie te helpen, daarenboven is hun theater, voor zover je daarvan kunt spreken, gezonder, meer deel van het leven want het speelt zich af op straat en in de huiskamer.

Er is allang een beweging gaande gestimuleerd door door de politiek beschikbaar gestelde nieuwe subsidiestromen om de verschillen tussen de culturen wat weg te poetsen. Grote internationale culturele manifestaties haasten zich kunstenaars uit niet-westerse culturen binnen te halen. Cathérine David in Kassei voor de laatste Documenta, Bernard Faivre d’Arcier voor Avignon, Edinburgh volgt. De avant-garde van deze internationalisering, de globalisering (lees evengoed egalisering) wordt merkwaardig genoeg gevormd door de Kunsten èn het militaire vredesapparaat. Dat zou te denken moeten geven. Het is een assimilatieproces dat de verschillen wenst op te heffen. Het is de kortste weg om de angst voor verschillen, die oorzaak voor conflicten kan zijn, te neutraliseren. De lange weg is die die de angst voor de verschillen omzet in het appreciëren ervan, die het andere toejuicht, het stimuleert en het in stand houdt door het onaangetast te laten. Dat betekent dan wel dat je naar in onze ogen achterlijke, lelijke en onbenullige dingen moet willen kijken en luisteren. Maar er is toch niks tegen om af en toe tegen je beperkingen aan te lopen?

Ik doe ook niet mee aan het uittekenen van de fuik waarin het theater in België, in navolging van dat in Nederland, schijnbaar welgemoed bezig is te lopen. Net als in Nederland zal het theaterlandschap, laten we ernaar kijken als naar een park, gevarieerder worden. De jeugd, zie daar is ze al, de jeugd die van de opleidingen stroomt, zoekt en vindt emplooi in door henzelf opgerichte vzw’s. Dat zal een rijk geschakeerd theater opleveren. Voor elck wat wils. Variatie is mooi, laat duizend bloemen bloeien, laat er voor iedereen straks zijn eigen theater zijn, zoals er nu al voor iedereen een boek is. Ik ben niet cynisch. Ik ben geen voorstander van grootste gemene delers, van sterren en staatsmannen, ik ben een voorstander van het zo klein mogelijke gemene veelvoud. Maar de variatie maakt de spoeling dun. Het beschikbare talent wordt over veel groepjes gespreid, hoeft intern de strijd niet meer aan te binden met andere talenten, mist sparringpartners en groeit dus niet.

De groep mensen die zich met de kunstbeoefening bezighoudt groeit wel, maar omgekeerd evenredig de kwaliteit ervan niet. Het onderscheid tussen kunst en kunst die op kunst lijkt vervaagt. Kunstbeoefenaars worden hoe langer hoe meer een normale en maatschappelijk zelfs zeer gewaardeerde beroepsgroep. (Zoals men vroeger graag een pater of non in de familie had, zo staat het nu goed wanneer een gezin zich de luxe van een actrice, violist of schilder kan permitteren.) De gewaardeerde beroepsgroep heeft inmiddels ook fatsoenlijke ontslag- en pensioenregelingen in de wacht gesleept. Kunstbeoefening gaat dus erg op andere gesubsidieerde sectoren van de samenleving lijken. Geen wonder dat de overheid ze ook als zodanig gaat behandelen.

Een andere beweging is: meer groepen, maar de geldpot groeit niet in hetzelfde tempo, men wordt van collega’s eikaars concurrenten. De gegroeide en elkaar beconcurrerende theatercoterie krijgt het druk met zichzelf. Inmiddels heeft ook met het stijgen van het aantal instituten een legertje niet-makers, de administrateurs, aan kunnen haken. Zij moeten voor de jonge en oude artiesten de hete kolen uit het maatschappelijke vuur halen, dat wil zeggen zij moeten de subsidie-, concurrentie-en publiciteitsproblemen oplossen. De makers raken daardoor hoe langer hoe meer buiten beeld. De overheid, de beleidsmakers, verwart de artiesten met hun vertegenwoordigers, krijgt versterkt de indruk dat ze met een normaal bedrijf te maken heeft en dan gebeurt wat er nu in Nederland aan de hand is, maar hier eerst begint na 2005, want u moet nog door die fase van de variatie heen, dat de overheid macht ruikt en rendement op haar geïnvesteerde vermogen wil zien. Dan wordt er, zoals nu in Nederland, op straffe van subsidiekorting groei en variatie van de publieksbelangstelling geëist. De zorg van de kunstenaars verschuift van denken over wat ze nodig en node moeten maken naar voor wie ze dat moeten doen en hoe ze die de tent binnen krijgen. En daarmee legt de kunst het af tegen de handel, de lompe en slinkse Mercurius heeft de potige Athena ingepalmd. Kunst is handel geworden, zoiets als Mondriaan of Van Eyck op cd-rom. Hoe legitiem het op het eerste gezicht ook lijkt, de overheid is net een stap te ver gegaan door eisen aan de afname te stellen. Hoe logisch dat ook in andere gesubsidieerde sectoren van de samenleving lijkt, in de Kunsten dringt de overheid daarmee binnen in het laboratorium van de makers door eisen aan de kwantiteit en de soort van de afname te stellen. Dat is een doodsklap. Het laboratorium hoort een vrijplaats te zijn, als tenminste verrassende uitkomsten tot de mogelijkheden moeten blijven behoren.

Langzame geschiedenis

Ik las eens over iemand die twee geschiedenissen onderscheidt: een geschiedenis dichtbij, die snel op ons afkomt, dat is de televisie, dat is de Humo en die cd-rom van Mondriaan of Van Eyck, en een geschiedenis die ons vergezelt in langzame pas, dat is Jan Decorte, Jan-Joris Lamers, Alex van Warmerdam, om alleen die te noemen die het meest theaterkunstenaar zijn in onze regionen en niet vooral theatermaker.

Het is de bedoeling en het lijkt een niet te stuiten ontwikkeling dat de kunst deel moet gaan uitmaken van die snelle geschiedenis. Dat is een zeer somber perspectief. Beleidsmakers, jullie mogen van alles regelen, meer schouwburgen of minder, grotere of vooral meer kleinere, meer toneelgroepen of minder, meer geld naar beeldende kunst, minder naar theater, doe met de infrastructuur wat je goed dunkt, maar blijf met je handen van het maken af. Wegen mag je bouwen of je mag het laten maar blijf met je handen af door wie er wat over vervoerd wordt. De kunst is met de pers en de wetenschap deel van de gistingstank van de samenleving. Laat het gisten maar aan ons over en laat de uitkomst ervan vrij zijn. En als u met de kwaliteit van het gisten moeite hebt, hetzij vanwege het te hoge of te lage gehalte, hou dan het geld voor de kunst in uw zak en bouw er een park of een stadion voor, maar reken ons niet af op het kwantitatieve rendement, de mate van publieksbelangstelling. Het kunstbedrijf lijkt gelukkig soms wel op een pretpark maar het is het niet.

Als het ons makers blijkbaar niet lukt met de volle inzet van ons verstand en ons hart meer mensen naar het theater te lokken, dan kunnen die alleen met het verstand op nul zettende, makkelijk verteerbare ingrediënten zoals nog meer sentimentaliteit en nog meer spektakel de zalen ingeluisd worden. De spoeling moet blijkbaar net zo dun worden als die van de populaire media.

De tijd van de wereld is de tijd van de wanhoop, want hij wordt hoe langer hoe bekrompener, eenzijdiger en hoe langer hoe allener: de stoel is alleen, de appelaar in je hof is alleen, jij bent alleen. De liedjeszanger kan er mooie liedjes over zingen. De wanhoop moet blijkbaar draaglijk gemaakt worden, maar daar is de kunst niet voor, niet om het draaglijk te maken. De kunst is er om de pijn te onthullen. De mens heeft in zijn arme hart plekken die nog niet bestaan en waar de pijn binnengaat uiteindelijk, opdat ze er zijn, die plekken. Dat is alles. Dus laat de theaterkunst niet nog verder vallen in de guillotine van het gevoel en in de guillotine van het spectaculaire.

Met zachte stem

Maar over dit gekrakeel wilde ik het niet hebben. En ik had me al helemaal niet voorgenomen er in alle redelijkheid over te spreken. Ik wilde verder door de bodem van mijn ziel zakken. Om iets zinnigs te zeggen. Hier. Iets dat er toe zou doen. Iets dat verder zou gaan dan het politieke debat over de plaats en functie en de toekomst van het theater. Iets dat een nieuwe richting aan zou kunnen geven. Iets dat op het fenomeen theater nieuw licht zou doen schijnen. Aan het begin van een omkering wilde ik staan. Een nieuw millennium zou dit seizoen geboren worden, een nieuw geluid werd er verlangd.

Met zachte stem en zwak zou ik halfluid grote dingen zeggen, belangrijke ook, verbazingwekkend diepgaande en juiste dingen, met een zachte en zwakke stem, zo een als van een stokoude man; de dreiging van de donder, de aanwezigheid van het absolute met de stem van een roodborstje; de hele zon doen voorstellen door middel van een half lachje, oh halfluide stem, zou ik je eindelijk in het theater mogen laten klinken. In een soort murmelen, haperend, stotend, onzeker stotterend in een oneindig zuiver Nederlands, maar zo dat je niet de woorden van enige afstand al hebt kunnen gissen, dat je zou kunnen geloven dat ik nietsigheden zei, en het zouden nietsigheden zijn voor het oor dat op zekerheden koerst; maar deze muziek, deze stem die de lucht nauwelijks doet trillen, deze stotterende macht, deze raadselachtige bewegingen, deze glimlach zou het heelal, het spektakel, die vlucht in de touwen, het luide schreeuwen, kortom het theater zoals het is en altijd al was op de vlucht jagen. Oh, hoe droom ik ervan om te eindigen in het geluid van zijde, zacht knisperend, samen met duizend anderen voor één keer weten dat we samen zijn. Hoe ondragelijk zou dat zijn maar ook hoe oneindig schoon.

Maar dat halfluide stotterende gemurmel, dat gissen, dat is toch geen theater, zeiden de goden. Maar dat is wel het leven, zei ik. So what, zeiden de goden. So what, so what, zei ik, laat het me uitleggen. Je hebt muziek, die doet het met violen en zo en je hebt film die doet het met de camera en zijn tweelingzusje de projector en je hebt de dans die doet het met het lichaam (over de beeldende kunst zullen we het maar niet hebben want die doen het met van alles), maar het theater dat doet het met niks, dat wil zeggen, dat doet het met het leven zelf. Dat heeft niks anders dan het leven zelf. Het hele pakket met alles erop en eraan. De betekenis van een woord leren we door de manier waarop het gebruikt wordt, een vork is om te prikken. Kun je van theater zeggen hoe het gebruikt wordt? Van muziek wel en van film ook, maar van theater niet: het is het leven zelf. Theater heeft ook nooit de vergeefse strijd aan hoeven gaan om een instrumentele techniek te overwinnen. Theater hoefde alleen maar het leven te overwinnen door het aan het leven terug te geven. Zo eenvoudig was het en zo eenvoudig is het nog steeds. Maar het is er alleen nooit van gekomen, integendeel, het heeft van het leven genomen, er selectief van geplukt zoals Jantje van de pruimen. En dan toch vooral de vruchten van de boom van list en bedrog. Het heeft nooit de hele tuin laten zien, het hele park. Alleen maar imitaties van het leven op onderdelen in de vorm van afgeronde, dus dode verhaaltjes. Waarom toch? Waarom gaf het het leven niet terug aan het leven, het zou zo makkelijk geweest zijn, maar we wilden niet, jij niet en ik niet, waarom zat jij in het donker en ik in het licht, hadden we iets te verbergen, ja, ik weet dat ik en mijn collega’s waarder wilden zijn dan het leven, daarom stalen we er slechts stukjes van, de meest spectaculaire bij voorkeur om die dan te imiteren, in de wanhopige poging om het onvergankelijke te scheppen met de middelen van de vergankelijkheid; je zou kunnen zeggen dat we, zo op zoek naar de waarheid van het leven, de leugen probeerden te ontmantelen met de leugen zelf. Dat klinkt goed, maar ik weet nu dat ik niets anders ben geweest dan een bijkantoor van de leugen. Ja, ik bracht je aan het lachen, gegierd van het lachen hebben we en ik bracht je aan het huilen, zo erg dat je ogen aan de schijterij leken, zoals de ogen van Goebbels en Spielberg en Walt Disney. Maar wij, wij samen, wij lachten niet, wij huilden niet, wij waren er niet, jij in het donker en ik in het licht. In dit eenrichtingsverkeer van het licht naar de duisternis konden we slechts aan cosmetica doen, niet aan communicatie, na afloop ging jij naar huis alleen en ik verliet alleen het theater, er was niets tussen ons gebeurd, ongeveer zoals de nieuwslezeres van de televisie, die met de rug naar het nieuws, zonder ooit om te kijken alsof ze zich de les van de dochters van Lot, die niet naar dat wat gepasseerd was mochten omkijken goed in de oren had geknoopt, evenmin naar jou kijkt. Zij kijkt naar niets en daarom kijk jij naar niets. Anoniem, alleen, ben je teruggeworpen in de duisternis van je huiskamer. Niks gezien, jij en de jouwen, ik en de ikken. Zoals we deze eeuw niet gezien hebben en de vorige waarschijnlijk evenmin en de komende niet dreigen te zien. Omdat we niet gekeken hebben, niet naar elkaar, en niet naar jouw en mijn geschiedenis; ook wij kijken niet om, we hebben bijvoorbeeld nog steeds de oorlog niet gezien, daarom is het mogelijk dat we 50 jaar na dato, en je ziet met welk een langzame pas de geschiedenis ons vergezelt, dat we 50 jaar na dato de joden terugvinden in het uniform van moslim tussen de ruïnes van Sarajewo, Screbenica en Pristina; is het mogelijk dat we de twee jongetjes uit Guinee die met gevaar voor eigen leven ontsnapten uit het concentratiekamp van de wereld alweer vergeten zijn, omdat ons pas de ogen open gaan als 600 miljoen zwarte monden het zwijgen is opgelegd. “Voor Joden Verboden, goh, in dit café ook al, die Duitsers maken het toch wel bont, dat al die cafébazen daaraan meedoen, – wil jij nog een biertje?”

Dus laat me naar je kijken, blikken doden niet, woorden wel, dus laat me naar je kijken en kijk jij naar mij. Met een blik die onaf is, met een verhaal dat onaf is, machteloos, onzeker, zwak, niets spectaculairs, want wij weten dat in onze tijd bijna alle macht georganiseerd spektakel is geworden, daarom, laten we de zachtheid herstellen om ons gezicht in te verbergen, laten we de glimlach herstellen waarin we vroeger genesteld lagen, laten we weer vragen de wacht gunnen over onze gedachten, laten we zelfs geen droom zijn, noch waken noch slapen. En dat alleen maar opdat je weer kunt geloven wat je ziet: de stoel, de appelaar, jij.

Eén seconde

Hoeft het theater dan over niks te gaan, vroegen mijn goden aarzelend. Ja, zei ik, zoals muziek of een schilderij ook nergens over gaan. Ja maar, wat zeg je dan, op het toneel zeg je iets, hielden ze aan. Alles en niets anders, zei ik, alles en alles tegelijk, de grote en de kleine dingen opdat het je het leven maar teruggeeft. Laat het me proberen uit te leggen. Vroeger, zei ik, vroeger wilde ik een god in het diepst van mijn gedachten zijn. Ik was alleen, verloren zoals men zegt in mijn gedachten. Dat leek het hoogst bereikbare. Toen had ik een boek in de hand, Manet door Georges Bataille, en ik hoorde iemand zeggen: alle vrouwen van Manet hebben de uitdrukking alsof ze willen zeggen: ik weet waar je aan denkt. Tot aan Manet bleef de realiteit binnen, subtiel, subtieler dan de realiteit eigenlijk, de bekende en bleke glimlachjes van da Vinci en Vermeerzeggen eerst mij, mij en vervolgens de wereld, maar je ziet wat Olympia denkt en Berthe Morisot en de barmeid van de Folies-Bergère, de wereld van binnen heeft zich gevoegd bij de wereld van buiten. Er wordt niets door de strot geduwd en er wordt niets achter gehouden. Jij denkt: ik weet waar je aan denkt, en ik denk: ik weet waar je aan denkt; zo wil ik theater maken.

Dat als jij naar het theater kijkt dat het terugblikt, naar jou, ook al ben je met duizend.

Maar ja, wanneer ik een theatervoorstelling bewonder, zegt men mij, ja het is heel mooi maar het is geen theater, dus heb ik me afgevraagd wat het dan wel was.

Mijn theater huilt niet over ons als wij onze tocht volgen naar de dood, op de bloedsporen die het markeren, het bevestigt ons niet, versterkt ons niet, maakt het leven niet draaglijker dan het al is, het is met ons, met alles zoals het is en zoals het er is, met jou en met mij, hier op deze plek in deze tijd. Zou het anders zijn, zou ik moeten vertellen over wat geweest is, ik zou een dag nodig hebben om het verhaal van één seconde te vertellen, en een jaar om het verhaal van één minuut te vertellen en een leven om het verhaal van één uur te maken, maar ik heb maar één seconde nodig om de seconde van jou en mij te maken en één minuut om onze minuut te maken. Geen andere kunst kan dat, daar kan men van alles maken met uitzondering van het verhaal dat men aan het maken is, men kan een film over gelijk wat maken, maar men kan niet de film maken die men aan het maken is, die men bezig is te voltooien. Maar wij hebben de voltooiing in eigen hand. Het leven hoeft ons niet door de vingers te glippen. Het enige grote probleem schijnt me te zijn: waarmee en wanneer beginnen en waarmee en wanneer eindigen. Maar we zullen wel zien, vind je niet?

En ik zal niet proberen me te verschuilen achter mezelf, ik zal niet proberen onze tijd al in te vullen, ik zal het niet vullen met mezelf, ik zal proberen niet onder dak te zijn, ik zal het niet over iets hebben, althans niet iets anders dan wat men nietsigheden zal noemen, ik zal zwak zijn en met zachte stem spreken, ik zal onzeker zijn, twijfelen, stotteren, maar ik zal met jou zijn en hoe meer ik met jou ben, des te meer ben ik met mezelf, ik ben daar als de wieg zich verlicht, ik ben daar als het jonge meisje aan ons verschijnt hangend uit het raam met van die ogen die niet weten en een parel tussen de borsten, ik ben daar als we haar uitgekleed hebben, als haar harde lichaam trilt op het kloppen van onze koorts, ik ben daarna ook, als zij zo oud is dat haar gezicht gekloofd is en haar handen verdroogd terwijl ze ons zegt dat ze niet meer het leven wil dat haar zoveel pijn gedaan heeft, ik ben daar als de vrouw ons haar knieën opent met hetzelfde moederlijke gevoel als wanneer zij haar armen opent voor het kind, ik ben daar als de vrucht van haar valt, een, twee, drie of zoveel keer ze maar wil in haar leven, ik ben daar ook nog als wij oud zijn en wij strak kijken vanuit de kant van de nacht die komt, en ik ben daar als wij dood zijn en als onze kadavers het doodskleed voelen in de armen van onze kinderen.

Dat zal mijn theater zijn. Ik ben daar als jij er bent. Voor jou, voor jou en voor ons.

Maar de goden, die grote vogels scheten me onder met hun goddelijke stront, want: Juffrouw, juffrouw, wat is er, wat kijkt u toch verschrikt? Wat is er? U, meneer, u hebt in alle haast de kortste weg genomen om mij een geheim te vertellen, weer een, maar wat is er, de lichten, doe de lichten uit…

(Met veel dank aan Beckett, Wittgenstein, Godard, Bataille, Blanchot, Celan, Rimbaud, Hughes, Nietzsche, Malraux en Godard nog een keer.)

 

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

#69

15.10.1999

14.01.2000

Jan Ritsema

artikel