‘Apollon. La Nuit’ (José Besprosvany) Foto Cassandre

Claire Diez

Leestijd 4 — 7 minuten

José Besprosvany : Crimes et Délits

De zwerftocht van een choreograaf gefascineerd door de botsing tussen traditie en vernieuwing.

José Besprosvany is zeventien jaar oud wanneer hij Mexico City verlaat. De stad waarnaar zijn grootouders, afkomstig vanuit Minsk en Kiev, na de Russiche Revolutie emigreerden, dromend van Amerika, maar noodgedwongen verplicht in Mexico te blijven bij gebrek aan een visum. Als jonge man stikt hij in de gesloten kring van zijn joods-mexicaanse familie. Hij wil theater maken en in Parijs wonen. Eens in Parijs drijft een vriendin hem naar de school van Jacques Lecoq waar hij de opleiding, met vier lesuren per dag, weinig diepgaand vindt. Hij is achttien jaar oud en zijn medeleerlingen zijn veel ouder. Hij begint klassieke dans te studeren.

Een jaar later komt hij in Brussel terecht en wordt er op de Mudraschool toegelaten. Hij volgt de lessen nauwgezet. Zoals zoveel anderen raakt hij gefascineerd door de ritmische theorieën van Fernand Schirren. Hij zal Brussel niet meer verlaten. Na Mudra, volgt hij het spoor van Béjart en danst kleine rollen in het Ballet van de XXste Eeuw: Eros Thanatos, Le Sacre du Printemps, Bolero, Thalassa,… Hij blijft er anderhalfjaar, tot 1983. De hiërarchie van het Ballet weegt hem zwaar en hij voelt zich evenmin comfortabel bij al dat spectaculaire : “Alles wordt er zeer groot gedanst, zeer expressief opdat de dans aan het grote publiek tegemoet komt. Dat lag me niet.”

Hij verlaat het Ballet van de XXste eeuw en denkt na over deze bewegingskunst. Hij had ondertussen ook het werk van Merce Cunnigham ontdekt : “Dit scheen me vreemd en bizar want op Mudra werden we doorkneed met theorieën en opgeleid in moderne dans, maar we kwamen echter geen stap verder. We zagen niets. De verfijnde Schirren had ons geleerd een choreografie te structuren, vertrekkend vanuit het ritme. Uit de klassieke danslessen hield ik het gevoel over dat de leraars me niet alles hadden geleerd wat mij aantrok : structuur, compositie, coherentie, de wiskundige regels. Ik was nochtans gefascineerd door de klassieke dans : zijn perfectie, zijn perspectief, zijn frontaal verband met zijn ontstaan uit de salle à l’ltalienne. De klassieke dans scheen me als een ‘spiegel-beweging’ van de tonale muziek, met zijn rigide compositorische structuur en heldere noten…

Ondertussen had ik Cunningham weer gezien en zijn werk De danser en de dans gelezen. Daarin legt hij uit hoe elke choreografie een scenische antwoord biedt op de vragen die hem niet loslaten. Zo zijn achtereenvolgens Monumentum, Evento en Quatre Tempéraments ontstaan, elk met een nauwkeurig afgebakende inzet…”

In Monumentum (1984) verkent de jonge choreograaf, samen met een danseres die nog op Mudra studeerde (Emmanuelle Huynh), de verschillende facetten van één enkele beweging : het schommelen, het zwaaien, heen en weer wiegen. Daarvoor kiest hij zeer sobere, korte muziekstukjes, gecomponeerd voor één instrument: de Suite nr. 2 voor cello en de Partita nr. 1 voor viool van Bach. Gedurende anderhalf jaar creëert Besprosvany niets. Hij heeft de indruk dat zijn lichaam een steen is geworden, zozeer misvormd door de opleiding dat hij er zich niet meer uit kan bevrijden. Zijn klassieke vorming had hem de dwang tot schoonheid, tot rationele esthetiek, tot codes en sleutels ingeprent. Zijn lichaam, dat zich al die dwang, dankzij compenserende torsies, eigen had gemaakt, begint hij te ‘heroriënteren’ volgens eigen impulsen. Hij maakt het weer tot het zijne, breekt het uit zijn gietvorm en hervindt zijn ‘natuurlijk’ lichaam.

In 1986 creëert hij Evento, in copro-duktie met De Beweeging te Antwerpen, : een niewe inzet. Opnieuw een duo, dit keer met een man (Harijono Roebana). Het stuk is volledig op de frontaliteit gebouwd, maar kan langs voren en achteren bekeken worden. Besprosvany choreografeert met in het achterhoofd de grote Fuga 133 van Beethoven, op zijn beurt geïnspireerd door Bach. Over de breedte van de scène, achteraan, plaatst hij negen Nadar-afsluitingen omdat de componist zijn muziek rond negen noten schrijft. (José Besprosvany) Drie tafels ritmeren de scène links in Foto Cassandre de diepte en rechts ligt een matras op de vloer. ‘Deze produktie had sukses omdat men haar esthetisch, zeer mooi vond. Het werkelijke doel, de exploratie en het onderzoek van de frontaliteit, werd nauwelijks opgemerkt”, lacht Besprosvany. Hij scherpt ook zijn aandacht voor de oude structuren van de Beethoven-kwartetten (polyfonie, contrapunt) en hun, voor die tijd nieuwe, tonale trajecten.

In 1988 komt Temperaments uit, geproduceerd door het Stuc te Leuven. Hierin probeert Besprosvany, met vier dansers waaronder hijzelf, eenvoudigweg een klassiek werkte maken, “zoals de architect Rossi met de basisstructuren van een huis werkt”. Vanuit een zeer eenvoudige basis werkt de choreograaf met dezelfde bewegingen als de neo-klassieke muziek van Hindemith, welke hij hoekiger of ronder gebruikt. Hij concentreert zich op het essentiële en zuivert de structuur zoveel als mogelijk. Vandaag beschouwt hij deze eerste drie choreografieën als stijloefeningen, als probeersels. Pas in 1989 maakte hij, naar eigen zeggen, zijn eerste volwaardige produktie : Won Heute Auf Morgen. Hij danst er niet in mee.

“Ik denk dat ik een traditionalist ben, zelfs al probeer ik hedendaags werk te leveren,” zegt hij. “Ik hou van het verleden. Ik ben het helemaal niet eens met Boulez wanneer hij zegt dat een maatschappij die op haar geschiedenis is gebaseerd, decadent is…” In Von Heute Auf Morgen onderzoekt Besprosvany hoe hij zijn fascinatie voor het klassieke kan verzoenen met zijn bezorgdheid voor het hedendaagse. Hij beslist deze vraag op de scène te beantwoorden. Hij scheidt de codes en plaatst de stijlen van de zeer strakke klassieke canons tegenover de deconstructivistische obsessies van vandaag, waardoor de rigiditeit fragieler wordt. Schönberg, de verscheurde tussen gisteren en vandaan, en in het bijzonder zijn Erwartung, gebruikt hij als muzikale drager.

Besprosvany dissecteert er een koppel, naar het voorbeeld van Schönbergs vertelling en de cirkelvormige choreografie, Adorno indachtig : “Erwartung is zoals de cirkelvormige schokgolven van een aardbeving.” Tot daar wat het emotionele en dramatische betreft. Twee mannen die vechten lijken altijd te worstelen tegen het gewicht en de wetten van de zwaartekracht. Een ballerina excentriseert haar classicisme. Twee andere danseressen klutsen hedendaagse vormen en breken gefixeerde structuren. Het geheel is geraffineerd, complex en fascineert door zijn intelligentie.

Apollon. La Nuit, de recentste choreografie, verruimt het universum van de choreograaf. Hij krijgt oog voor de wereld en denkt na over de maatschappij, over de actualiteit. Apollon. La Nuit ging in december laatsleden in première in Ateliers de Sainte Anne (o.l.v. Serge Rangoni). Deze produktie axeert zich op één thema : de onmogelijke harmonie, de geërodeerde eenheid, het verbroken evenwicht. Besprosvany vertrekt van Apollo, leider der Muzen, een choreografie van Balanchine en de val van de Berlijnse Muur. Jean-Marie Piemme (Théâtre Varia) schreef voor hem ‘een boekje’ over het verval van Apollo, god van de kunst en de utopie, door het koudvuur van Hermes, god van de handel en de speculatie. De dans ontvouwt dit gevecht, dit ontmantelen van de zekerheden, en steunt op een diepgaande reflectie over de hedendaagse geschiedenis. José Besprosvany denkt nu reeds aan zijn volgende werk dat groeit vanuit zijn reflexie op de Golfoorlog, vanaf de Odysseus van Homeros tot Heiner Müller.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#33

15.03.1991

14.06.1991

Claire Diez

artikel