Joris Diels – foto’s Ludo Helleman

Leestijd 14 — 17 minuten

Joris Diels

in de bedding van de traditie

Joris Diels is een legende. Oudere theaterbezoekers spreken nog enthousiast over zijn werk. Maar Diels is ook een omstreden figuur. Marianne Van Kerkhoven en Alex Mallems hadden een lang gesprek met Diels, in zijn woning in Den Haag.

Joris Diels praat in een niet te stuiten vloed, ervan bewust dat hij met dit gesprek een stukje geschiedenis schrijft en daarom zeer bekommerd om dat zo nauwkeurig mogelijk te doen. In fragmenten uit zijn verhaal geven we een beeld van deze theaterman en van de periode van het Vlaamse theater die hij ingrijpend bepaald heeft.

Joris Diels werd geboren in 1903 in Antwerpen, waar hij samen met o.m. zijn broer, de musicus Hendrik Diels (1901-1974) en met Karel Albert (de latere componist van het Vlaamse Volkstoneel) aan de normaalschool studeerde. Pas afgestudeerd als onderwijzer, trekt hij naar Parijs om zich op de hoogte te stellen van wat er in het theater gebeurt: een voor die tijd uitzonderlijke démarche. Hij ziet er o.m. voorstellingen van Copeau’s Vieux Colombier en wordt daarbij “getroffen door de buitengewone verzorging, de discipline die er heerste in alle opzichten.” Diels wordt actief in het theater als recensent van het tijdschrift Kunstleven, waarin hij o.m. de toen gevierde actrice Mina Dilis-Beersmans kraakt.

In 1922 solliciteert de negentienjarige Diels bij Dr. Jan Oscar De Gruyter die toen pas directeur van de KNS te Antwerpen was geworden. De Gruyter raadt hem aan eerst zijn sporen te gaan verdienen in een amateurgroep. Joris Diels: “Maar ik was een zeer hoogmoedige jongeman en ik vond dat beneden mijn waardigheid.” De Gruyter suggereert ook de toneelklas in het ‘Conservatoire’. Joris Diels: “Ik zei het niet hardop maar ik dacht, bij die oude pruiken! Dat waren toen de zeer eerbiedwaardige mevrouw Dilis-Beersmans en Louis Bertrijn voor wie ik daarna het grootste respect heb gekregen. Toen heb ik, nog voor ik naar het leger ging, in 1923 dacht ik, het Vlaamse Kamertoneel opgericht, met een paar mensen van de normaalschool: Jeanne Laroche, Julia Liechtenstein, René Bergen, Raoul Clemeur en Karel Albert, die zijn eerste toneelmuziek schreef bij De vrolijke dood aan Erreinov. Met het Kamertoneel wou ik alleen maar mijn eigen voortreffelijkheid tonen aan Dr. De Gruyter. Alleen daarom richtte ik het op.”

Het repertoire van het Kamertoneel (Goerg Kaiser, Anton Tsjechov, Oscar Wilde en ook een nieuwe naam, Nikolai Evreinov) verschilt amper van wat men elders speelt, allemaal klein bezette stukken. De Gruyter komt niet naar het Kamertoneel kijken, maar via een aantal acteurs (Jan Cammans, Jeanne De Coen) vangt hij een en ander op. Een tweede sollicitatie wordt met meer succes bekroond. Diels wordt in de KNS aangeworven als beginnend acteur én hulptoneelmeester, een combinatie die hem een loon oplevert dat dat van onderwijzer evenaart. Nog voor hij zijn eerste seizoen (1925-26) aanvat, wordt hij door De Gruyter uitgenodigd om mee naar Valkenburg te gaan, het vakantieoord waar de KNS-acteurs in de zomermaanden zes weken lang vertoningen geven. Diels speelt er, naast Remi Angenot de tweede wachter in Starkadd, en de koning van Frankrijk in Koning Lear. Charles Gilhuys, die door Diels beschreven wordt als “een zeer fijn artiest, wel een beetje een labiele persoonlijkheid en niet zeer ijverig,” vraagt hem zijn partij van Lodewijk in Langendijks Het Wederzijds Huwelijksbedrog over te nemen. De Gruyter speelt zelf de rol van Karel in deze voorstelling. Joris Diels: “Onder de ogen van mijn toekomstig directeur had ik daar even een grote rol neergelegd. Het resultaat was dat ik nooit een brief heb moeten opbrengen, nooit heb moeten zeggen ‘Mevrouw, de koets staat voor’ of ‘Mevrouw, u kunt aan tafel gaan’, dat is me allemaal gespaard gebleven. Het is allemaal vrij snel gegaan, ik heb veel geluk gehad in mijn carrière.”

Terug in Antwerpen krijgt Joris Diels belangrijke partijen in Shaws Sint Joan en de rol van Siegfried in Hebbels Niebelungen. Joris Diels: “In het voorspel deed ik het verhaal van de draak. Ze hebben het doek niet moeten laten vallen, ik heb de proef doorstaan en dat hielp! Ik heb dan De Gruyter gevraagd of hij het niet eens wou proberen om mij een regie toe te vertrouwen en waarachtig: hij deed het! Ik regisseerde twee eenakters van Tsjechov, De Beer en Het Huwelijksaanzoek die ik in het Kamertoneel geënsceneerd had, maar nu met acteurs als Jeanne De Coen, Jan Cammans en Willem Benoy. Het resultaat was dat ik nog een regie kreeg, een stuk dat mij niet direct lag, Leontientje van Timmermans, maar ik kon niet kieskeurig zijn. De voorstelling had succes en De Gruyter gaf mij opnieuw een stuk: Telescopage van Paul De Mont. Ik lees dat en ik snuif de sof, dat wordt een baksteen! Ik ga naar De Gruyter en zeg: Dokter, – zo noemden we hem – ik kan er geen touw aan vast knopen, maar ik heb net Regen van Colton en Randolph voor u vertaald, dat ken ik dus van binnen en van buiten. De Gruyter zou zelf Regen regisseren, maar hij zei: Ik zal Telescopage wel doen; neem jij REegen.’ Regen was een ijzersterk stuk en met Jeanne De Coen in de hoofdrol kon er niet veel mislopen. Het had een enorm succes. Het werd twee weken gespeeld, wat toen een uitzondering was in Antwerpen. Deze anekdote tekent De Gruyter zoals hij was: een ongelooflijk genereus man!”

Dokter De Gruyter

“Door velen werd De Gruyter als een revolutionair beschouwd, maar dat was hij helemaal niet. Hij wou orde op zaken stellen en het toneel in Vlaanderen, dat tot over de knieën in het amateurisme zat, discipline en stijl opleggen. Dat was zijn revolutie waaraan hij zich met grote overgave en fanatisme gegeven heeft. Maar ook buiten de grenzen stelden ‘hervormingen’ niet zoveel voor. Dreigroschenoper ging pas in 1928 in première. In Frankrijk, Copeau bijvoorbeeld, ook dát was niks revolutionairs. Hij wou reagere tegen het valse pathos van de Comédie Française, maar toen hij op uitnodiging van het De Gruyter genootschap in Antwerpen Les Perses van Aischulos voorlas, hoorde ik geen verschil tussen het galmen van de Comédie Française en het galmen van Jacques Copeau. Van revolutie was dus nauwelijks iets te merken. Wanneer ik de Vlaamse situatie als amateuristisch beschrijf, dan bedoel ik vooral het gebrek aan discipline. Talent was er genoeg, maar het was allemaal een beetje à peu près. Wat men nu regie noemt, bestond vrijwel niet. Even is er een aanzet geweest met Philomène Van Kerckhoven-Jonkers en met Arie van den Heuvel in Gent.

Die kwamen uit Nederland en waren de enigen die zich uitsluitend met regie bezig hielden, maar van de zijde van het publiek of de pers werd daar nauwelijks aandacht aan geschonken.”

“De Gruyter heeft geprobeerd het potentieel aan talent in te schakelen in een gedisciplineerd geheel en dat is hem prachtig gelukt; met Jeanne De Coen bijvoorbeeld, een grote actrice, een natuurtalent, maar zonder culturele of artistieke achtergrond. Ik herinner me haar nog in The Philander van Shaw. Als zij op het toneel stond te praten, geloofde je dat de hersens van Shaw zelf aan het werk waren: dat was het geheim van De Gruyter.”

“De Gruyters eerste taak is geweest : de taal, de taal, de taal. De ene acteur kwam uit Gent, de andere uit Brugge, nog een andere uit Turnhout en iedereen praatte vanuit zijn dialect een soort beschaafd Nederlands. Louis Bertrijn, een zeer goed acteur, ging naar Parijs voorstellingen zien, was helemaal op het Franse toneel gericht en sprak een soort Nederlands met een Franse galm erin om wat voornaam te doen. En zo probeerde ieder het op zijn manier. Daar is De Gruyter erg tegen ingegaan. De acteurs en het publiek hebben het hem dan ook niet gemakkelijk gemaakt. Wat hij wilde, werd niet onmiddellijk geapprecieerd. Bovendien kwam De Gruyter uit Gent en waren de Antwerpenaren niet zo ‘geporteerd’ voor een Gentenaar. Ook in de pers heeft hij het zwaar te verduren gehad In De Nieuwe Gazet, toch een Antwerpse krant, brak August Monet De Gruyter geregeld af. Nee, hij had de wind niet mee.”

“De Gruyter wilde dat in alle moderne conversatiestukken de vertrouwelijke vorm ‘je’ en ‘jou’ gebruikt werd. De acteur Edward Gorté had een café tegenover de schouwburg — vroeger ging het vaak zo: acteren was een nevenbaantje, ondertussen stond de vrouw achter de tapkast — en na de voorstelling vertelde hij in zijn café wat het publiek vond van dat ‘je’ en ‘jou’. Hij sprak dan van: “ne pils voor mij en ne koffie voor jij”. Er werd de spot mee gedreven, er was een weerstand. Het tragische is dat het publiek in grote getale naar de schouwburg kwam als De Gruyter een Duitse klucht speelde. Het was verschrikkelijk, bij zijn begrafenis zag je nog de affiche hangen van Stopseltje. Je moet ook niet vergeten dat de directeur op het financieel vlak persoonlijk verantwoordelijk was. Hij kreeg de schouwburg voor niets met verwarming en met technisch personeel en een schijntje subsidie van de staat. Toch heeft De Gruyter direct de contracten van de acteurs verlengd van zes tot acht en later tot negen maanden. Want na zes maanden tegen een karige gage stond een acteur op straat. Hij zocht dan zijn heil in revue en operette; in de Empire bijvoorbeeld liep altijd wel een voorstelling van amusementstheater. Daar heb ik later Robert Marcel en René Bertal vandaan gehaald.”

Het Vlaamse Volkstoneel

In dezelfde periode waarin De Gruyter moet vechten om voor zijn kwaliteitstheater een publiek te verwerven, lokt het Vlaamse Volkstoneel, dat in 1924 onder Johan De Meester een nieuwe start neemt en het adjectief ‘katholiek’ voor zijn naam schrijft, volle zalen, hoewel ook zij heel wat ‘moeilijkere’ stukken introduceren. Hoe is hun succes dan te verklaren? Joris Diels: “Omdat die een heel ander publiek hadden. Het VVT was een verlengstuk van het Fronttoneel, met heel de reputatie die daaraan vastzat. Ze trokken door het Vlaamse land, speelden in de miserabelste omstandigheden, maar de mensen in de dorpen waren blij met hun komst. Als zij Jozef in Dothan speelden, gingen ze eerst met een hele schapenkudde door het dorp, gekostumeerd en al. Dat was als een circus dat met olifanten optrekt om publiek te halen. Dat was een heel andere sfeer, die niets te maken heeft met belangstelling voor toneel. Als De Gruyter zelf, in het Fronttoneel nog, Warenar speelde en hij belandde in die grote monoloog aan de zin ‘Jij hebt mijn schat gestolen’, dan wees hij naar de generaals en de kolonels die op de eerste rij zaten ! En de soldaten juichten ! Ik heb voorstellingen van het VVT bijgewoond, waar er geregeld applaus kwam en waarbij ik dacht: waarom? Alles werd toen teruggebracht op het Vlaams-nationalistische ideaal. Dat was het VVT. Je moet het onderscheid maken tussen een echte belangstelling voor toneel en een belangstelling die door heel andere dingen gevoed wordt. De stijl die De Meester demonstreerde was eigenlijk volkomen vreemd aan de levensstijl van de meeste Vlamingen, zeker van de Vlaamse boeren, maar het werd met veel overtuiging gebracht, o.m. door de populaire Staf Bruggen en door Maurits Hoste. Bovendien hadden ze een geniale publiciteitsmanager in de persoon van Jan Boon, de latere directeur-generaal van de radio. Ik zie nog die grote affiches als er een nieuwe première kwam: je moest ernaar gaan kijken, je moèst gaan.”

“De Meester gebruikte in zijn decors die structuren van Tairov: hellingen, trappen, enz. In no time zag je dat verschijnen in alle amateursverenigingen, tot in het kleinste dorp van Vlaanderen. Op de platte vloer spelen bestond niet meer. Daar heb ik mezelf ook nog schuldig aan gemaakt.”

Joris Diels vertelt hoe hij in de KNS voor Dageraad van Heijermans, in een regie van Willem Benoy, een decor tekende met trappen en een alkoof met schuine wanden waartegen de acteurs het hoofd stootten, wat De Gruyter die tijdens de generale repetitie in de zaal zat de uitroep ontlokte: “Wie is toch die gek die dat decor daar neergezet heeft?” “Ikke, Dokter,” antwoordde Joris Diels en hij voegt daar vandaag aan toe: “Ik geloof dat ik toen zijn vertrouwen voorgoed gewonnen had.”

Escapade naar Nederland

Desondanks verlaat Diels in 1927 de KNS en De Gruyter. Hij trekt naar Nederland waar hij samen met zijn latere vrouw Ida Wasserman terecht komt in het nieuwe gezelschap dat door Louis de Vries, Herman Kloppers en William van Korlaar in Amsterdam was opgericht. Zegt Diels: “Dat was niet het fraaiste moment in mijn carrière. Ondankbare hond die ik was!” Waarom ging hij dan? Joris Diels: “Niet om artistieke of om financiële redenen. Gewoon uit nieuwsgierigheid. Ik had niks te verliezen ; ik las over toneel: over Jan Musch, over Van Dalsum en Verkade en ik dacht, die wil ik van dichtbij zien. Dat was de enige reden. Maar op het einde van dat seizoen werd er op de deur geklopt, waar Ida Wasserman en ik toen hokten. Het was De Gruyter en hij zei: ‘Iemand die in deze omstandigheden in Vlaanderen zijn post Verlaat, is een deserteur.’ Ik had niet veel nodig om overtuigd te worden en ben terug naar Antwerpen gegaan, samen met Ida.”

Dat was in 1928. De Gruyter moet op dat moment reeds ziek geweest zijn, alhoewel dat aan deze felle man nauwelijks te merken viel. Of De Gruyter in Amsterdam zijn opvolger was komen halen?

Joris Diels: “Iedereen heeft dromen en ik moet u eerlijk bekennen dat ik wel eens gedacht heb, toen het bericht kwam van De Gruyters dood, zou hij misschien daarover iets losgelaten hebben? Maar daar was geen sprake van. Doordat De Gruyter ziek geworden was, had ik een paar regies van hem moeten overnemen. De tijd van die jonge regisseur met zijn wilde haren was voorbij. Ik was als regisseur geaccepteerd door het gezelschap en ook door de pers. Deels misschien ten onrechte hoor, maar dat is de wijsheid van een oud man.”

Terug in Antwerpen

Na de dood van De Gruyter in 1929, krijgt Willem Benoy de leiding van de KNS; een zeer begaafd komisch acteur, die als directeur echter de klok terugdraait. Discipline, orde en stijl verdwijnen en de Franse komedies verschijnen opnieuw op de affiche en –wat het ergste is– het publiek blijft weg.

Joris Diels: “Nadat Willem Benoy er het bijltje bij had neergelegd, werd de directie opnieuw open verklaard. Gilhuys kwam naar me toe, in 1935 ; ik was 32 jaar. ‘Joris, we moeten ons kandidaat stellen.’ Ik heb niet lang nagedacht: ‘Charles, van twee dingen één. Ofwel stel jij je kandidatuur en mag je op mij rekenen als je trouwste medewerker, ofwel ben ik kandidaat en reken ik op jou als mijn trouwste medewerker.’ ‘Dan moet jij het doen,’ antwoordde hij, ‘want ik ben Hollander.’ Ik heb mijn kandidatuur gesteld en ben wonder boven wonder benoemd. Je mag niet vergeten dat Antwerpen toen reeds een verpolitiekte stad was. Om een belangrijke baan te vervullen, bij de reinigingsdienst of wat dan ook, moest je ergens bijhoren. Je moest liberaal, socialist, katholiek of vrijmetselaar zijn. Ik was niks van dat alles en werd toch benoemd. Dat begreep men niet. Maar er was iets aan voorafgegaan.”

En hij vertelt hoe hij op een huldiging na een voorstelling in Antwerpen van het Habimatheater, het Joodse theater uit Moskou, het woord had genomen. Kamiel Huysmans, toen burgemeester van Antwerpen, was ook aanwezig. Joris Diels: “Ik verklaarde dat de KNS er belabberd voorstond maar dat het niet uitgesloten was om met een beetje verstand, ijver en toewijding wel niet het Habimatheater te evenaren maar toch behoorlijker werk te tonen dan nu het geval was. Huysmans heeft dat in zijn oren geknoopt. Hij is naar Volpone komen kijken, dat ik toen regisseerde, een voorstelling die een opmerkelijk succes geworden was. Tegen zijn partijleden in heeft Kamiel doorgedreven dat ik benoemd werd. Hij kwam daarna heel vaak naar de schouwburg.”

Diels maakte als directeur schoon schip en is verplicht ook onpopulaire maatregelen te nemen zoals het ontslaan van acteurs die niet voldeden. Drie jaar later, wanneer over zijn herbenoeming beslist moet worden, komt hij één stem te kort. Het duo Jan Cammans-Charles Gilhuys wordt directeur. Joris Diels: “Diezelfde avond nog heb ik besloten met een eigen gezelschap te beginnen in het Kunstverbond(nvdr: nu gekend als de Arenbergschouwburg, gelegen op twee passen van het oude KNS-ge-bouw). Wie daar op de eerste rij zat bij de première, was KamielHuysmans. Dus dacht men, die Joris Diels is de poulain van Huysmans. Dat was ook zo, maar op geen andere gronden dan die hij verdedigbaar vond.”

Maar we lopen vooruit op de feiten. Diels eerste taak als KNS-directeur is ervoor te zorgen dat er opnieuw publiek in de schouwburg komt. Hij doet dat door het programmeren van stukken uit het moderne repertoire, die een kans op succes hadden en toch geen concessies deden aan de slechte smaak, en van klassiekers die konden helpen om de Vlamingen respect voor hun taal bij te brengen. Daarin noemt Diels zich een volgeling van De Gruyter.

Verder werkt Diels aan de opbouw van een organisatorisch apparaat. Onder De Gruyter was er zelfs geen echt secretariaat. Victor De Ruyter kwam, na zijn dagtaak als verslaggever bij de Kamer, de perscommuniqués opstellen en de drukproeven van de affiches verbeteren. Meer was er niet. Met de opleving onder de directie van Diels kwam er ook meer belangstelling uit andere steden. Joris Diels: “Dat kon ik niet opvangen met alleen een secretaresse. Er moest iemand bijkomen om de reisvoorstellingen te organiseren en dan nog iemand… Dat groeide vanzelf, een behoorlijke begroting heb ik nooit gemaakt; ik heb me nooit afgevraagd wat het allemaal kostte.”

Diels had ook gevoel voor de ‘aankleding’ van het theater als sociaal gebeuren: bij de premières stond hij in rok in de hall, samen met de acteurs en actrices die niet meespeelden ; ze presenteerden er corsages aan de dames. Joris Diels: “Wat een vuile burgerlijke toestand, zal je zeggen en gelijk heb je. Het was bourgeois-publiek dat naar de schouwburg kwam. Het volk was volkomen vervreemd. Voor De Gruyter, toen er nog draken gespeeld werden, kwamen de mensen van de Zwanegang naar de schouwburg op het schellinkje. Dat volk was volledig vervreemd door het repertoire erna. En er is nog iets dat mijn betrekkelijk succes als directeur kan verklaren: ik was Antwerpenaar. Het publiek heeft van mij veel meer aanvaard dan ze ooit van De Gruyter hebben willen accepteren.”

Het gezelschap Joris Diels

In 1938 sticht Diels dus een eigen gezelschap. Een deel van de KNS-acteurs, onder wie Jos Gevers, Ben Royaards, Georgette Hagedoorn, Jet Naessens, Edward Deleu, René Bertal, Bob Storm en Ida Wasserman, volgen hem naar het Kunstverbond. De groep is er geheel op de inkomsten van de recettes aangewezen. Deze ‘armoede’ scherpt de vindingrijkheid: voor een voorstelling op ‘draaitoneel’ worden ronde kaartjes gedrukt met het opschrift ‘en toch draait ze!’. De publiciteitskampanjes en de populariteit van ‘deserteur’ Diels hebben hun effect. In het Kunstverbond lopen de zalen vol, terwijl de officiële troep zonder volk speelt. De Schepen van Schone Kunsten van Antwerpen, Molter, tracht Diels te bewegen een compromis te sluiten met Cammans en Gilhuys en naar de KNS terug te keren. Ondanks zijn zeer precaire financiële situatie, weigert Diels. Wanneer Cammans en Gilhuys het in 1939 laten afweten, keert Diels als directeur terug naar het officiële gezelschap en mét hem zijn acteurs. Gezien eerder aangegane verbintenissen met het Kunstverbond worden gedurende het seizoen 1939-40 twee zalen door één gezelschap bespeeld. Een deel van het franstalige publiek dat via andere voorstellingen in het Kunstverbond (cfr. de Galas Karsenty) de weg naar het Vlaamse toneel gevonden had, blijft Diels ook daarna trouw.

De oorlog en daarna

De oorlogsperiode benaderen wij met enige schroom, eigen aan een generatie die het alleen weet ‘van horen zeggen’ en daarom bang is de gevoeligheden niet steeds op hun juiste waarde te schatten. Diels breekt die schroom meteen af. “Waarom aarzelt u zolang? Voor mij hoeft dat niet. Het maakt deel uit van mijn leven.” Hij vertelt hoe hij bij het uitbreken van de oorlog met een deel van het gezelschap naar Frankrijk vluchtte met de bedoeling daar voor het leger te gaan spelen. Hij keert terug als hij hoort dat de directie van de KNS open is verklaard. Staf Bruggen heeft zich kandidaat gesteld, eraan toevoegend dat hij zich terugtrekt als Joris Diels terugkomt. Diels meldt zich aan bij oorlogsburgemeester Delwaide en Stadtkommandant Delius. Hij verklaart nooit door de Duitsers onder enige druk te zijn gezet omtrent zijn repertoire. Joris Diels: “Ik heb meer last gehad van mijn eigen landgenoten dan van de Duitsers… Het theaterbedrijf was ook niet moeilijk in de oorlog: de mensen kwamen bij bosjes. Er was niets anders.”

Diels brengt de acteurscontracten meteen op 12 maanden. Joris Diels: “De escapade naar operettes en revues was er niet meer. De acteurs zouden anders drie, vier maanden aan de honger prijsgegeven zijn.” Om de inkomsten te verhogen wordt in 1941 voor het eerst een Komediantenrevue georganiseerd om het seizoen af te sluiten: het wordt een enorm succes.”

De algemene bijval die Diels oogst, doet de stedelijke overheid besluiten hem te benoemen tot directeur-generaal van het opera- én het toneelgezelschap samen, met onder hem J. Sterkens als verantwoordelijke voor de opera en Lode Monteyne als verantwoordelijke voor de KNS. Monteyne fungeert ook een tijd als dramaturg-stukkenlezer bij Diels, een nieuwe functie in die tijd. Maar volgens Diels stelde dat directeurgeneraalschap niet zoveel voor: “Mijn broer Hendrik was eerste dirigent in de opera en een veel beter manager dan ik. Aan hem kon ik het allemaal overlaten. Ik had trouwens geen tijd, want ik moest ook nog spelen en regisseren.”

Naar het einde van de oorlog toe wordt Diels vanwege zijn joodse vrouw meer en meer onder druk gezet. Ida Wasserman was voor het begin van het eerste oorlogsseizoen door de Duitsers gedwongen op te stappen uit het gezelschap. Diels noemt het een wonder dat hij het heeft uitgehouden tot het einde van de oorlog.

Na de oorlog duikt hij onder en houdt zich bezig met het schrijven van filmscenario’s (o.m. samen met Henri Storck). Hij verblijft ook te Parijs, waar hij verneemt dat hij bij verstek veroordeeld is tot 15 jaar gevangenisstraf. Wanneer hij zich moet melden om niet aan die veroordeling bij verstek te blijven vastzitten, keert hij terug naar België. Hij krijgt een proces dat drie ‘dagen duurt en wordt ten slotte vrijgesproken. Hij verlaat België. Ida Wasserman was toen al verbonden aan de Haagse Comedie. Na een aantal Limburgse omzwervingen (Diels is gedurende twee jaar artistiek leider van het semi-beroeps-gezelschap Speelgroep Limburg en wordt tevens mede-oprichter van de Maastrichtste toneelacademie), komt hij zelf ook bij de Haagse Comedie terecht, eerst als acteur, zeer gauw als regisseur en kort daarna ook als lid van de artistieke raad. In dit laatste deel van zijn carrière regisseert hij veel Spaanse auteurs (de Molina, Rojas, Calderon) maar ook moderne werken (Sartre, Frisch, Lorca, Brecht, Anouilh …).

Tussen De Meester en De Gruyter

De autodidact Diels was een allround theaterman: acteur, regisseur, directeur, decorateur en zelfs auteur van enkele komedies. Dat auteurschap schat hij niet vrij hoog en over zijn acteursprestaties heeft hij eveneens reserves. Een theoretische leermeester had hij niet en ook uit het pakket van stukken die hij regisseerde kan men geen uitgesproken voorkeuren afleiden. Diels heeft alles gedaan, van klassiek tot modern, mèt degelijkheid. Een perfect repertoire-regisseur dus, een eclecticus, of zijn er toch meer gedifferentieerde affiniteiten? Joris Diels: “Ik houd vooral van stukken waarin de taal een rol speelt, die mij materie bieden om tussen de tanden te nemen en de acteurs tussen de tanden te geven. Men heeft van De Gruyter gezegd dat hij uitsluitend om de taal gaf; dat is natuurlijk niet waar, hij hield van toneel, hij speelde graag. Maar ik was toch wel speelser dan De Gruyter. Monteyne heeft mij ooit gesitueerd tussen De Meester en De Gruyter’. Dat is niet helemaal onjuist.”

“Wat mij altijd geleid heeft Ik geloof dat ik gepoogd heb om wat er te verjongen, te hervormen en te veranderen was aan het toneel… in te bedden in de traditie. Wat ziet men? Meestal moet er iemand weglopen, daarbuiten iets beginnen, dat tegengesteld is of dat verondersteld wordt verfrissend te zijn en daarna wordt het dan weer in het grote lichaam opgenomen. En dan vraag ik me af: waarom blijven de mensen niet alert om ervoor te zorgen dat de traditie niet verkalkt, dat de traditie gaandeweg steeds verjongd wordt. Dat is wat, ik intuïtief steeds nagestreefd heb.”

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 14 — 17 minuten

#10

19850415

19850714

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!