Tom Rummens

Leestijd 6 — 9 minuten

Wij zijn jong en onervaren. En verliefd

Het Vlaams Theater Instituut volgt de berichtgeving over theater en dans in de media al een tijdje op de voet. Onlangs richtten zij een informele rondetafel in met enkele jonge freelance recensenten. Tom Rummens schreef een tekst om dat gesprek op gang te brengen. Etcetera wou u die niet onthouden.

‘Er is te veel verloop bij de theaterrecensenten.’ Dat moet de zin zijn die diezelfde recensenten gedurende een seizoen veruit het vaakst te horen krijgen, voor of na een voorstelling of tijdens een interview, van acteurs, regisseurs, zakelijke en andere leiders, kenners allerhande, noem maar op. Te veel verloop, en dus te weinig continuïteit, te weinig houvast, te weinig ervaring en belezenheid ook. Te weinig geloofwaardigheid, kortom. Kritiek zonder geheugen kan immers toch bezwaarlijk geloofwaardig worden genoemd?

Hoe komt dat toch? Omdat we jong zijn. Juist. Jonge critici hébben weinig (kijk-, lees-, schrijf-,…) ervaring. Jonge mensen zijn nu eenmaal jong, ze hebben dus nog veel te leren. Dat kan je ons moeilijk aanrekenen. Dat wórdt ons ook niet aangerekend. Het probleem is dat we het hoe langer hoe sneller opgeven, vaak nog vóór we wat voor leertijd dan ook doorlopen hebben. En dat is niet omdat we jong zijn, maar veeleer omdat we het gevoel hebben jong – lees: onervaren, slecht belezen,… – te zullen moeten blijven. Aha!

De reden daarvoor is niet erg ver te zoeken. De enige ervaring die theaterrecensenten kunnen opdoen is schrijfervaring. Wij worden immers betaald voor de letters die we schrijven, niet voor de letters die we lezen. Dat is natuurlijk logisch. Alleen wordt er per geschreven letter zo weinig betaald, dat er voor lezen nauwelijks nog tijd overschiet. Lezen is vanuit economisch oogpunt eigenlijk één van de slechtste investeringen die een recensent kan doen. Terwijl het inhoudelijk bekeken vanzelfsprekend veruit de interessantste is. (Net hetzelfde gaat op voor praten, luisteren, kijken, kortom: zich informeren of studeren, als u wil. Je kan het ook ‘ervaring opdoen’ noemen.) De kranten betalen ronduit slecht. Aan de huidige tarieven moet een freelance recensent die fulltime van zijn job wil of moet leven -en zo zijn er wel een paar- zich de poten van onder het lijf werken om uiteindelijk nóg met een persoonlijke financiële schuldenberg opgescheept te zitten. Hoe kan de gemiddelde kwaliteit van zulke recensies in godsnaam acceptabel zijn? Fulltime freelancen voor dezelfde werkgever, het is een ware contradictio in terminis, een constructie die je in normale omstandigheden met geen stokken door de beugel geslagen zou krijgen. Dat weten we allemaal. Maar ja. De kranten, de kranten.

Natuurlijk is er heel wat meer aan de hand dan alleen maar dat geldgebrek. Ikzelf heb overigens altijd luid geroepen dat geld toch niet belangrijk is. De realiteit draait weliswaar ietwat anders uit, maar er is meer. Of minder.

Er is ook en vooral het feit dat theaterkritiek door krantenredacties hoe langer hoe minder ernstig lijkt te worden genomen. Het cultuursegment van de kranten wordt steeds meer op een commerciële leest geschoeid. Op zich is daar niks mis mee, verplicht de mode me te zeggen. Behalve dan dat men moeilijk kan verwachten dat er in die platgecommercialiseerde krantenwereld nog aan deftige theaterkritiek wordt gedaan. Want wat me opvalt is dat net de commercieel meest succesvolle cultuursegmenten, zeg maar pop & rock en film, de meeste kansen krijgen op het slagveld van de cultuurberichtgeving. Wat niet wegneemt dat ook die sectoren rooskleuriger tijden moeten hebben gekend. Een goed popinterview behoeft geen krans. Dus doe maar, meneer de popjournalist, vlieg naar de sterren en praat ermee, en maak het artikel zo lang u maar wil. De tijdsgeest gebiedt me nogmaals om daar geen problemen mee te hebben. Maar een interview met zelfs een gerenommeerd theatermaker belandt niet alleen zelden of nooit op een voorpagina van de cultuurbijlage, het moet ook kort en bondig zijn. Meestal wordt er dan ook nog grondig in geknipt en geplakt door eindredacteuren, worden de koppen veranderd en de straffe uitspraken nog een beetje straffer gemaakt. Hoe meer je vanuit een integere ingesteldheid schrijft, des te meer koffie kletst er de volgende morgen tegen je keukenmuren, wanneer je je weer eens verslikt bij het lezen van zoveel geknutsel.

Het gebeurt zelden dat wij écht de ruimte krijgen om te doen waartoe we volgens mij in staat zijn. We zijn niet alleen jong, onwetend en onervaren, datgene wat we wél kunnen wordt dan nog eens gereduceerd tot de pokdalige baksels die eindredacties vaak van onze stukken weten te maken. ‘Omdat dat beter verkoopt, mijn beste.’ Eerst moeten we ons haasten naar een interview of première, snelsnel op de trein nog even nalezend waarover het nu weer precies ging. Vervolgens wordt het materiaal dat we op die manier toch nog weten samen te rapen ook nog eens samengeperst en uiteengetrokken door de commercieel geprogrammeerde kneedmachine die de tegenwoordige krantenredactie is. Soms glijdt dat probleem naar inhoudelijke dieptepunten af. Ik chargeer amper als ik zeg dat een scheet van deze of gene theatermaker soms belangrijker lijkt te zijn dan de voorstellingen die hij maakt of wat hij daarover te vertellen heeft.

De kern van het probleem, denk ik, is een taalprobleem. De kritiek op de theaterkritiek is geformuleerd in een taal die krantenredacties niet begrijpen of willen begrijpen. Want die redacties, ook die van de zogenaamde kwaliteitskranten, spreken hoe langer hoe meer vooral een commerciële taal. En het probleem is dat de sector die taal niet wil spi eken. Dat is een bewonderenswaardige en -mijns inziens- ook juiste keuze, maar ze zorgt voor een patstelling van formaat. Het is de sector die zal moeten buigen of barsten als het op haar verhouding met de pers aankomt. Want de pers zelf -afgezien van die enkele theaterforellen die er zo snel doorstromen- heeft het theater hoegenaamd niet nodig om te overleven. Omgekeerd geldt dat natuurlijk wel. Het theater heeft publiek nodig, nu meer dan ooit, een taak die het verdorie, o ironie, dan nog door die vermaledijde perslui in de nek geschoven kreeg. En dus heeft het theater pers nodig. Kwalitatief goede pers liefst. Maar hoe dan ook: pers. Aandacht. Belangstelling.

Een professionalisering van de theaterkritiek, zo luidt de terechte klacht, is meer dan nodig. Eigenlijk is het gek, denk ik dan. Jonge kunstenaars krijgen hoe langer hoe meer de kans om hun prille werk in professionele omstandigheden te ontwikkelen en te tonen. Er zijn voor hen plateaus en platformen allerhande, workshops, toonmomenten, fijne momenten, stokerijen, er zijn nadinen en studio tokio’s en state of wasten en dansattacken, allemaal heel, héél goed en meer dan verdiend. Maar waarom is er voor ons niet de minste niet-com-merciële structuur waarbinnen we ons werk kunnen ontplooien? Waarom moeten wij het stellen met de schamele kruimels die van het goedgevulde bord van de mediabonzen vallen? Waarom blijven wij -jong en onervaren, maar ook gedreven en nieuwsgierig, hoopvol, gemotiveerd, geïnteresseerd, welwillend, gretig, soms zelfs hoogzwanger van goesting en smoorverliefd op het theater waarover we willen schrijven- waarom blijven wij dakloos?

Ik aarzel om het te zeggen, maar ik bedoel dus inderdaad: waarom wordt iets als theaterkritiek niet op één of andere manier gedeeltelijk gesubsidieerd door de culturele overheid? Waarom kunnen wij niet een soort studiebeurs krijgen die het ons mogelijk maakt om minder productief maar des te meer kwalitatief te werken, zoals dat van ons wordt verwacht? Om scharrelkippen te worden, waar we nu slechts legkippen zijn? Waarom is er niet het minste statuut dat ons toelaat ons werk te verrichten zonder helemaal opgeslokt te worden door de logica van een geschreven pers die zich in de lelijkste bochten lijkt te moeten wringen om het hoofd boven water te houden? Dit is volgens mij de enige mogelijkheid om de theaterkritiek op een fundamentele manier te professionaliseren. Het taalprobleem waarvan zonet sprake was, heeft immers veel of alles te maken met de spanning tussen een haast volledig gesubsidieerde kunstensector en een krantenbedrijf waarin de klap van de commerciële zweep alsmaar harder aankomt.

Tegenover het toekennen van zulk een beurs kan trouwens heel wat staan. Om te beginnen de verwachting dat recensenten geregeld ook een dieper gravend artikel plegen, dat we aan onderzoek doen, dat we ons grondiger inwerken in datgene waar we mee bezig zijn. Dat komt lang niet alleen onszelf ten goede. Misschien kan men, heel concreet, van de krantenredacties op afdwingbare wijze eisen dat zij gedegen kunstkritiek, en theaterkritiek in het bijzonder, terug als een onderdeel van hun takenpakket gaan beschouwen. Een eerste stap in de goede richting zou kunnen zijn dat men in cultuurbijlagen dagelijks een pagina of twee voor kunst reserveert. In tijden waarin ook de schimmelcultuur als cultuur gehonoreerd wordt, lijkt me dat voorstel – hoe cultuurpolitiek incorrect het ook mag zijn – niet eens zo overbodig. We kunnen in elk geval van de redacties vragen of ze de discussie over dit alles op een constructieve manier mee willen voeren.

Ik weet het wel, tussen droom en daad staan zoals altijd wetten in de weg, en praktische bezwaren. Maar daar moeten we ons nu maar even niet door laten intimideren. We zijn tenslotte jong en onervaren. En verliefd.

Goede theaterkritiek is gebaseerd op kennis, in de breedte maar ook en vooral in de diepte. Goede theaterkritiek schrijf je vanuit een sereen, geïnformeerd soort expertise. Met kennis van zaken. Die kennis kunnen we mijns inziens moeilijk opbouwen als we als freelance zelfstandigen volledig afhankelijk blijven van de al te woelige commerciële wateren waarin het tegenwoordige krantenbedrijf zich bevindt. Voor goede theaterkritiek heb je critici nodig die bezorgd zijn om het theater in plaats van om zichzelf.

Dit gaat allemaal over zoveel meer dan geld alleen. Dit gaat over ruimte: ademruimte, denkruimte. Ruimte die we spijtig genoeg nooit zullen krijgen als we volledig afhankelijk moeten blijven van een privé-sector waarin het alsmaar meer business as usual is. Wie met zijn rug tegen de muur van het krantenbedrijf staat en ondertussen de terechte maar hoge eisen van een theaterwereld door zijn strot geramd krijgt, heeft die ruimte niet. Hij kan alleen maar overgeven.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

essay
Leestijd 6 — 9 minuten

#85

15.02.2003

14.05.2003

Tom Rummens

Tom Rummens writes for various media. Until September 2013 he was the performing-arts programmer at the Brakke Grond. He now is artistic coordinator at HETPALEIS.