‘Ma Chambre Froide’ © Elisabeth Carecchio

Johan Thielemans

Leestijd 11 — 14 minuten

Joël Pommerat: schrijven met woorden, licht en ruimte

Een portret van de Franse theatermaker

Pommerat heeft iets met bevreemdende droomsequenties. Om zijn sombere teksten – die tot stand komen met de hulp van zijn spelers – te ensceneren, ontwikkelde hij een heel eigen taal, waarbij het spel met licht en donker van cruciaal belang is. Naar aanleiding van het recent vertoonde Au monde duikt Johan Thielemans in het universum van, ongetwijfeld, de meest theatrale pessimist bij onze zuiderburen.

J’ai décidé de chercher et d’écrire le théâtre à partir de mes sensations.
Et je me suis senti aussitôt libéré.

Joël Pommerat

Het begin van de artistieke loopbaan van de Franse schrijver/ regisseur Joel Pommerat klinkt bekend in de oren. Gefascineerd door het fenomeen theater knapte hij af op bijna alles wat hij op de Franse planken zag. Er was maar een oplossing: het heft in ei­gen handen nemen. In 1990 richt hij zijn eigen gezelschap op: La Compagnie Louis Brouillard. Met de acteurs die hij om zich heen verzamelt spreekt hij af dat ze veertig jaar zullen samenblijven en dat ze elk jaar een nieuwe tekst met hem zullen creëren. Dat van die veertig jaar is natuurlijk een straffe uitspraak, maar de kern van de acteurs werkt na vierentwintig jaar nog steeds bij hem, wat een klein mirakel mag heten. Pommerat weet wat de voorde­len van een ensemble zijn: hij kent de kwaliteiten en de inzet van elke acteur. Daarnaast kan hij een repertoire opbouwen en zijn stukken hernemen.

Het meest recente voorbeeld was onlangs in Brussel te zien: Au monde- in 2004 in Straatsburg gecreëerd – speelt tien jaar later in het Theatre National, met een zo goed als ongewijzigde rolverdeling. Dit stuk was Pommerats eerste grote succes bij pers en publiek en het hoeft dan ook niet te verbazen dat componist Philippe Boesmans hem vroeg om de tekst van Au monde om te smeden tot een libretto. Deze opera, waarin Ruth Olaizola van de oorspronkelijke cast meespeelt, was in maart te zien in De Munt.

Pommerat concipieert zijn voorstellingen als een geheel van woorden, handelingen en ruimtes. Hij ontwerpt eerst zelf een nieuw gegeven en bepaalt wat hij wil vertellen. Bij aanvang van de repetities staat er nauwelijks enige tekst op papier. Hij betrekt al zijn medewerkers en stap voor stap, door discussie en impro­visatie, komt de uiteindelijke tekst tot stand. Dat impliceert dat hij over veel tijd moet beschikken – een creatieperiode van vier maanden is geen uitzondering. Het verklaart ook waarom in de tekstuitgave zijn acteurs warden bedankt voor de medewerking: ‘We hebben samen het stuk gemaakt,’ zegt Pommerat.

Hij verzet zich tegen de opdeling in schrijver en theaterma­ker, voor hem zijn beide een. Hoe belangrijk tekst en woorden voor hem ook zijn, ze zijn slechts een onderdeel van de voorstelling. Het licht, het geluid en de scenografie ontstaan terzelfder­tijd in de repetitiezaal. Alles samen vormt het nieuwe stuk.

Aujourd’hui, ce qui nous manque le plus dans la vie actuelle,
c’est la noblesse et la purete des sentiments
Cercle/Fictions

Als we de productie van Pommerat overschouwen, kunnen we zijn stukken opdelen in verschillende categorieën. Een belangrijke categorie bestaat uit stukken die weals een eigenzinnige collage kunnen beschouwen. Cercles/Fictions (2010) is opgebouwd uit korte scènes die zich op verschillende tijdstippen afspelen: 1914 wisselt af met 1901, 2002,1370, 2005, 2007 en 2009. Pommerat compliceert het spel met de tijd door een dialoog op 12 augustus 1914 te plaatsen tegenover een volgende scène die zich twee dagen eerder afspeelt. De verschillende verhalen warden naast elkaar gezet: een aristo­craat wil verbroederen met een knecht (bij wie dit enkel achterdocht oproept), een aristocratische dame kan haar kind niet tot bedaren brengen, in 2002 verliezen enkele vrienden hun weg in het bos.

Twee verhaallijnen nemen een speciale plaats in: in het heden spreekt een presentator het publiek toe. Hij wil zichzelf letterlijk verkopen. Hij zal de koper volledig dienen, belooft hij. Hij ziet dit paradoxaal genoeg als de weg naar de vrijheid, als een uitno­diging om te ‘leven’. In deze monoloog treft men Pommerat-de-ironische-moralist aan. Het andere verhaal voert een ridder uit 1307 ten tonele. Hij is wanhopig omdat zijn medemensen zich hebben afgekeerd van de Heer en zich hebben overgegeven aan het Geld: elke heilige band hebben zij doorgeknipt. De verschil­lende verhalen hebben als belangrijkste thema’s: het ongenoegen, de eenzaamheid en het gebrek aan wederzijds begrip. Misschien nog het ergst van al is de afwezigheid van de liefde. De verschil­lende verhalen – acht in totaal – blijven naast elkaar lopen, zodat de toeschouwer lang de vraag kan stellen wat het verband is tus­sen deze vertellingen. De oplossing komt op het einde van het stuk, wanneer een deur-aan-deurverkoper aan zijn klant/slacht­offer zegt dat we de grate waarden van ridderschap, loyauteit, moed, adel, altruïsme en beleefdheid hebben verloren. Het zijn natuurlijk de elementen die in elk verhaal ontbraken. Maar deze (conservatieve) droom wordt door de klant, een melancholische vrouw, op hoongelach onthaald.

Het laatste beeld van de voorstelling is een eenzame geharnas­te ridder in de mist. Op de omslag van de uitgave van Cercles/Fictions bij Actes Sud prijkt de romantische ridder uit het schilderij van Viktor Mikhailovich Vasnetsov, te zien in het Russische Staatsmu­seum in Sint-Petersburg. Pas na lectuur ontdek je dat dit de sleutel is waarrond de waaierende tekst  is opgebouwd. In deze wereld, zegt Pommerat, is er een groat gebrek aan positieve waarden.

On a besoin des autres pour exister, a travers le mal
qu’on peut leur faire
Je Tremble (1 et 2)

Tot eenzelfde categorie behoort het stuk Je tremble (1 et 2). Hier ontwikkelt Pommerat het thema van zijn geliefde musichall. Wanneer het licht opgloeit is er een lege scene. Een presentator deelt mee dat hij op het einde van het stuk zal warden neerge­schoten. Maar aan het eind van deze monoloog is het al zover en weerklinkt er een schot. Dat geluid zal nog een aantal keer terugkeren; de dood en het sterven vormen het onderwerp van de verschillende vignetten. Ondanks de soms vrolijke taferelen is het stuk doordrongen van een donkere wan hoop. Het grootste plezier dat mensen kennen, luidt het, is elkaar pijn doen, maar niemand wil dat toegeven. Als de mens betere ideeen zou hebben zouden we in een betere wereld leven, laat Pommerat beweren. Hij voegt er onmiddellijk aan toe: dit is een vals idee. In zijn stukken schemert steeds een zucht naar een betere wereld of utopie, maar deze droom wordt in elk stuk aan diggelen geslagen. Pom­merat is een pessimistische filosoof.

Cet homme-la ne pourra jamais combler tes desirs,
il le sait et il n’a aucune solution a apporter
La réunification des deux Corées

Tot dit collagemodel behoort ook La reunification des deux Corées (2013). De mysterieuze titel heeft niets met  politiek te  maken, want het thema betreft de onbereikbaarheid tussen koppels. De ideale liefde, zo luidt het, is even onmogelijk als een hereniging van Noord- en Zuid-Korea. Zulk een gelukkige verhouding tus­sen mensen komt niet voor  in de reeks korte taferelen. Wellicht de meest onthutsende zin wordt uitgesproken door een vrouw die besluit haar man te verlaten: liefde volstaat niet, ook al is er liefde. Je kan dit stuk met twintig scènes ook een cataloogstuk noemen. Alle variaties van de onmogelijkheid om samen gelukkig te zijn passeren de revue. Tussen al deze realistische, scherp geobser­veerde scènes schuift Pommerat ook droomsequenties. Zo zal op het einde van het stuk een prostituee het toneel verlaten en plots om­ringd worden door dansende paren, mannen in smoking en vrou­wen in avondkledij, terwijl een zanger met een diepe stem een sen­timenteel lied zingt. Op dat elegante beeld met het bevreemdende gezang reageert de vrouw niet. Is ze blind voor dit ideale beeld? Of is ze wereldwijs en vindt ze dit alles maar een dwaze illusie?

Cette nuit-la dans mon reve je m’etais plongee dans mon travail
encore plus fort que d’habitude pour m’eviter de penser, pensera tout ça
Les marchands

Een tweede reeks stukken gaan over de sociale realiteit. Pommerat buigt zich over het droeve bestaan van arbeider en klerk. In Les marchands (2006) laat hij een vrouw aan het woord die plots zonder werk valt. Ondanks de pogingen van een incompetente politicus blijft de fabriek een tijd gesloten. In haar uitzichtloosheid wil de vrouw zelfmoord plegen. Gelukkig mislukt de poging, want op het nippertje wordt de fabriek gered en kan ze weer gaan werken. Ze is gelukkig, al staat ze aan de lopende band. ‘Leven we niet om te werken?’, luidt de bitterzoete boodschap. Dat ze meewerkt aan de productie van wapens deert haar niet.

Sa façon d’entrelacer les fils de son récit n’appartient décidément qu’à lui
Daniel Loayza over Ma chambre froide

Een ingewikkelde arbeidssituatie wordt getoond in Ma chambre froide (2011). Een ondernemer vreest dat hij vlug zal sterven en besluit zijn abattoir in handen te geven van zijn werknemers. Dat levert hen slechts ongemak en frustratie op. Ze zijn er zich van bewust dat ze de taak van manager niet aankunnen. Onder hen bevindt zich Estelle, een wat wereldvreemd wezen dat het idee krijgt om samen met haar collega’s een toneelstuk op te voeren. Ze droomt wilde visioenen, die Pommerat ook toont. Wanneer Estelle de scenes in de repetities uitwerkt, zijn ze van een komische stunteligheid. Ze stuit voortdurend op tegenstand van haar lotgenoten. Naast deze beschrijving van een groep arbeiders – wat tot een reeks komische scenes leidt – is er nog een zijdelings verhaal waarbij Estelle door haar man zo mishandeld wordt dat een buurman besluit om hem uit de weg te ruimen. Het lijk ligt tenslotte in ‘la chambre froide’ van het abattoir. De complexe verhaallijn vertoont een grilligheid die je meer bij een roman verwacht dan bij een toneelstuk. Bijzonder is het hoofdperso­nage Estelle. Zij is de goedheid zelve, maar haar goedheid leidt tot spanningen, ruzies en mislukkingen. Als de toestand niet beheersbaar blijkt, zendt ze haar broer op pad – een krachtpatser en wellicht een moordenaar. Maar die broer is Estelle zelf, in vermomming. Het model voor deze episode is duidelijk ontleend aan Brechts De goede mens van Sezuan.

 Nous ne creons pas a partir de rien, il n’y a pas devide a l’interieur de l’humain,il n’y a pas de vide al’interieur de la culture humaine
Joël Pommerat

Pommerat zweert niet  bij  originaliteit: een  bestaande  tekst  zet niet zelden zijn eigen verbeelding aan het werk. Hij vertelt graag sprookjes op een nieuwe manier. Zo heeft hij Roodkapje, Pinocchio en Assepoester herverteld. In Cendrillon (2011), dat in de Bourla getoond werd, werkt hij de figuur van de stiefmoeder verder uit tot een dominante vrouw die in haar eigen seksuele aantrekkingskracht blijft geloven. In andere gevallen vertrekt hij van stukken uit het bekende repertoire. In La grande et fabuleuse histoire du commerce (2011) herkennen we Mamets Glengarry Glen Ross. De anekdote is een beetje anders, maar de kern blijft overeind. Het is een beschrijving van de onmenselijk harde wereld van de handels­reiziger, waar geld, bedrog en blinde concurrentie hand in hand gaan. In Au monde zijn de drie zusters schatplichtig aan Tsjechovs Drie zusters.

Dans ma piece Au monde il n’y a que des choses voilees
Joël Pommerat

In Au monde hangt Pommerat een beeld op van een rijke familie, sociaal succesvol maar diep ongelukkig op persoonlijk vlak. Het grate geld komt ook hier uit de wapenindustrie. Er is een reeks personages van wie we stap voor stap de geschiedenis ontdekken. Een merkwaardig aspect van Pommerats schrijven is dat hij zijn personages nauwelijks een naam geeft en dat hij in de gedrukte tekst iedereen aanduidt met zijn functie: le père, le fils aîné, la fille ainée, la seconde en ook la femme embauchée dans la maison. Le père is een oude, zieke man die een  imperium  heeft opgebouwd  door  ijzer en wapens te verkopen. Hij wil nu de fakkel doorgeven. Hij heeft twee zonen, twee dochters en een aangenomen kind. Zijn jongste zoon, Ori, is in het leger gegaan en heeft enkele jaren in Azië door­ gebracht. Ontgoocheld en ontredderd keert hij naar het ouderlijk huis terug en zoekt een nuttige plaats in de wereld. Tenslotte zal hij na een lange innerlijke strijd de leiding van het bedrijf overne­ men. De vrouw van zijn oudste zoon is in verwachting. Wanneer ze alleen is met Ori kunnen we veronderstellen dat ze een verhouding hebben. De oudste zoon heeft een vrouw (‘la femme embauchée’) geengageerd voor een wat vage opdracht. Is ze zijn maîtresse? In ieder geval spreekt ze Baskisch en haar woorden warden noch begrepen noch vertaald. Ze irriteert iedereen omdat ze niets doet en er alleen maar is. Voor het publiek blijft ze een raadsel.

Centraal staat de tweede dochter, een televisiepresentatrice. Wan­ neer de familie naar haar uitzending kijkt is de commentaar van de oude vader: ‘Je bent een prinses.’ Maar de dochter vindt deze op­ merking vreselijk. Ze kan haareigen beeld nauwelijks verdragen. En dan is er nog het aangenomen kind dat een gestorven lid van de familie vervangt en het moeilijk heeft met haar positie. Voort­durend vraagt ze of iemand haar wel liefheeft. Nochtans wil de familie haar helemaal opnemen. We merken trouwens dat de oude vader teder, misschien te teder, met het kind omgaat.

Tussen de realistische scenes duiken ook hier weer droom­ sequenzen op. We zien de jongste zoon op zeker ogenblik de in­ gehuurde vrouw wurgen. Daar ze een volgend ogenblik toch nog leeft, kan het niet anders of dit was een droom. Maar wiens droom het was, blijft een open vraag. De meest bevreemdende momenten zijn deze waarop de ingehuurde vrouw alleen op het toneel staat. Ze zingt een sentimenteel lied, met een mannenstem. Van dit vervreemdende effect houdt Pommerat, want het gezang komt in een aantal van zijn stukken voor. In de operaversie van Boesmans zingt – of beter lipt – de vrouw My Way in de Engelse versie van Claude François’ hitje. Het zijn momenten die buiten het verhaal, buiten ruimte en tijd staan. Met deze techniek ontsnapt Pommerat aan een eenvoudig realistisch, psychologisch idioom.

Au monde heeft geen traditionele verhaalstructuur. Er is een reeks momenten waarin de verschillende personages zich onder hoge spanning blootgeven. De toeschouwer krijgt kleine aanwijzingen over de onderlinge verhoudingen maar uiteindelijk blijft veel onzeker. Alleen de algemene sfeer van zoekende, twijfelende mensen blijft over. In het netwerk zitten allerlei suggesties verwe­ven rand overspel of incest, maar Pommerat laat het bij vermoe­dens. Je kan zeggen dat hij hier dicht aanleunt tegen de schriftuur van Pinter. De verstrengelde kleine gebeurtenissen zijn intrigerend en onvatbaar. Er blijven veel schemerzones in de vertelling.

Verschillende personages brengen ideeen of theorieen te berde. De zoon stelt dat hij voor de waarheid wil leven, ook al is die ge­ vaarlijk. Het is een verzuchting of een kreet die voorkomt in bijna al Pommerats stukken. Het is een sleutel tot de diepere motivatie van de schrijver: hij wil de waarheid aan het licht te brengen. Zijn personages lijken echter niet te kunnen ontsnappen aan hun illu­sies. Voor de waarheid blijven ze blind.

De tweede dochter zal bekennen dat  ze last heeft met een wereld waarin oorlog wordt gevoerd om geld. De klacht over de negatieve rol van geld komt in veel teksten voor. Ook de waarde van arbeid komt vaak ter sprake. De tweede dochter  heeft er een theo­rie over. Er zal een tijd komen dat de mens niets meer zal moeten doen. Wanneer machines alles overnemen, is het tijdperk van de vrijheid aangebroken. Wellicht is deze monoloog het duidelijkste spoor naar Tsjechov, waar het geen vrouw maar een student is die filosofisch spreekt over het nut  van arbeid. Maar Pommerat draait de stelling om, ook al omdat hij in Les marchands toont hoe wrang het is om afstompende arbeid gelijk te stellen aan een vorm van geluk. Dat is de wereld van Pommerat: hij laat de toeschouwer meewarig kijken naar mensen op het toneel die vaak aandoenlijk, komisch, pijnlijk en zielig tegelijk zijn. Zijn tragische komedies warden door een radicale zwartgalligheid gekleurd.

Comment accepter den’etre que l’auteur des mots
et de laisser le metteur en scene devenir l’auteur du sens?
Joël Pommerat

Wie de teksten van Pommerat leest, ervaart  maar de helft van de impact van de voorstellingen. Pommerat heeft een heel eigen manier van ensceneren. In de eerste plaats is hij een meester van het licht. Elke voorstelling vangt aan met een absolute donkerslag. Dan gaat er zwak licht schijnen, waarbij de toeschouwer een menselijke gedaante onderscheidt. In veel van zijn teksten is er de stem van een vertelster. Ze situeert de actie, stuwt die voort of geeft er commentaar op. Ze heeft een karakteristieke toon, of we haar nu horen in Cendrillon of Ma chambre froide. De voorstelling zelfbestaat uit langere of korte scenes die door dezelfde danker­ slag worden onderbroken. In zijn teksten komt het woord ‘noir’ het meest voor. Telkens het licht terugkeert, wil Pommerat de kijker verrassen. ‘Plots’ staan er een tafel en stoelen of een bed, of een stofzuiger. Personages en objecten verdwijnen even magisch als ze verschijnen. Deze effecten bereikt Pommerat dankzij Eric Sayer, zijn verduiveld knappe scenograaf. Deze speelt met spaar­zaam licht in ruimtes die slechts twee kleuren verdragen: zwart en grijs. Zo is er een discrepantie tussen de grate eenvoud van de voorstelling, waarbij je acteurs in een lege ruimte ziet evolueren, en de virtuoze organisatie van het plateau tijdens de donkerslag. Pommerat wedt op een kinderlijk plezier van verrassing en ver­bazing. De wissel tussen licht en danker is een structuur die de voorstelling voortstuwt en ze een filmische kwaliteit bezorgt.

De toneelzaal zelf is een element waarmee de makers graag spelen. Zo wordt La reunification des deux Corees tussen twee tribu­nes gespeeld. Bij Ma chambre froide zit het publiek in een cirkel rand het speelvlak en is er centraal een draaitoneel. In beide ge­vallen blijft Pommerat trouw aan de techniek van  het  verschijnen en verdwijnen, hier nog spectaculairder dan in voorstellingen die zich op het traditionele plateau afspelen. Tenslotte is er voor de muziek een grote rol weggelegd. Al dat intense zwart, de ‘dode’ momenten word en overbrugd, soms door filmmuziek, even vaak door rockmuziek of chanson.

Je crois qu’on a besoin de demander aux acteurs d’enlever le masque.
Joël Pommerat

Van zijn acteurs vraagt Pommerat de waarheid. Zelf schrijft hij in zijn boek Théâtres en presence (uitgegeven bij Actes Sud) dat hij van zijn spelers eist dat ze alle traditionele  manieren  van acteren achter zich laten. Voor elke repliek moeten ze op zoek gaan naar het natuurlijke, het juiste. Maar deze zucht naar frisheid wordt gecombineerd met een groot  theatraal  bewustzijn. Iedereen is een virtuoos in het spelen van dubbele  rollen. Hierbij veranderen de acteurs van stem of zetten ze een pruik op. Hoe ver ze in de transformatie gaan kan je het  beste  zien  bij  Ruth  Olaizola.  In Ma chambre froide is ze een kleine zwakke vrouw, een grijze muis met een koppig karakter. In Au monde is zeals de vreemde vrouw verbazend lenig, atletisch, groat en sexy, een overweldigend stuk natuur. Al zijn acteurs beoefenen transformatiekunst van het hoogste niveau. Het laat Pommerat toe om een stuk te schrijven met zevenentwintig vrouwen en vijfentwintig mannen. De metamorfose regeert zijn theaterwerk.

artikel
Leestijd 11 — 14 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

artikel