Fin de Partie (Théâtre Varia) – Foto Danièle Pierre

Pol Arias

Leestijd 7 — 10 minuten

Jeune Théâtre gooit de luiers af

De onstuitbare opkomst van Philippe Sireuil

Binnen het Brusselse ‘Jeune Théâtre’ is een fusie van drie gezelschappen op til. Van januari 1984 af worden de drie groepen die nu de zaal Théâtre Varia bespelen één gezelschap, dat Théâtre Varia zal gaan heten. Pol Arias sprak met regisseur en toekomstig directeur Philippe Sireuil.

Begin van de jaren zeventig pakten jonge franstalige theatermensen in Brussel uit met een reeks merkwaardige initiatieven. Daarbij tekenden zich twee stromingen af: een eerste waar de tekst opzij geschoven werd ten gunste van het lichaam, de stem, de ruimte en de beweging; een tweede ging zich eerder toeleggen op tekst, men ging herlezen, de dramaturg deed zijn intrede, gevolgd door de scenograaf, men ging stukken programmeren in functie van een bewust gekozen perspectief. Zo ontstonden er tal van groepjes, meestal rond één regisseur, die, nadat er een Commission Consultative du Jeune Théâtre was opgericht, met mondjesmaat subsidies kregen.

Eén van die regisseurs was Philippe Sireuil. Amper afgestudeerd van het INSAS (het franstalige Ritcs) startte hij in 1975 met het Théâtre du Crépuscule. Hij koos voor die tweede stroming van dat Jeune Théâtre met regies van Haute Autriche van F.X. Kroetz en van Virage van T. Dorst. Vanaf 1975 gaat hij in teamverband werken met dramaturg Jean-Marie Piemme, scenograaf Jean-Claude De Bemels en componist Marc Hérouet.

In de oude bioscoop Ciné Rio in Etterbeek worden volgende produkties uitgebracht: L’entraînement du champion avant la course van M. Deutsch, Le terrain vague van R. Hourez, Créanciers van A. Strindberg. In 1981 wordt er verhuisd naar het Théâtre Varia waar L’homme qui avait le soleil dans sa poche wordt gecreëerd: een stuk van de Waalse auteur Jean Louvet. Dit jaar regisseerde Philippe Sireuil voor het eerst een opera, Kàtà Kabanovà van L. Janacek in de Nationale Opera. Telkens opmerkelijke produkties van deze dertigjarige ambitieuze jongeman. Want vanaf januari 1984 wordt hij directeur-generaal van een nieuw gezelschap: Théâtre Varia. “Wat bij ons franstalige theatermensen dramatisch is, is de onwetendheid en de onkunde waarmee we te maken hebben. Buiten enkele schaars verlichte geesten zitten er bij de politici en hun medewerkers geen mensen die kunnen of willen nadenken over theater. Dat heeft enorme gevolgen tot bij het publiek toe. Dat stuk van Jean Louvet, dat over vandaag gaat en over Wallonië, werd nochtans op toernee wisselend ontvangen. Vele toeschouwers hebben over het theater een volledig verkalkt beeld. Het naturalisme primeert nog altijd, terwijl Wallonië en zeker La Louvière, waar Jean Louvet woont, de wieg is geweest van het surrealisme bij ons. Men wil op de scène zijn specifieke realiteitsafspiegeling zien, namelijk deze van de kleine bourgeoisie.”

Gedirigeerd beleid

“Over sommige van mijn uitspraken, zoals mijn oproep tot een gedirigeerd theaterbeleid, bestaan een reeks misverstanden. Zelfs indien de staat dat niet officieel zegt, dirigeert hij van zodra hij subsidies uitdeelt. Nu is het wel zo dat alle franstalige theaters v.z.w.’s zijn. Zij hebben allen een raad van beheer, deze benoemt de directeur. Dirigistische politiek betekent organiseren, beslissingen nemen. Door bijvoorbeeld brutaal te snoeien in het budget van het Théâtre National de Belgique (de slokop van de theatersubsidie) kan onze minister van cultuur, P. Moureaux, (“Ministre de la Communauté Française”) nochtans geen macht uitoefenen wat betreft het beleid aldaar, want hij heeft die directeur niet benoemd. Zulk een raad van beheer belet dus dat er van bovenaf rechtstreeks kan tussengekomen worden. Dirigistische politiek betekent dat de staat engagementen aangaat, eisen stelt. Wij beheren hier in het Théâtre Varia 14 miljoen, zonder dat er ook maar enige overeenkomst bestaat met de staat. Wij hebben geen verplichtingen, maar meteen ook geen rechten. Zo een toestand van laxisme laat kruiperijen toe. Daartegen en tegen immobilisme wil ik vechten. Ik wil inderdaad tegenover de gemeenschap verantwoording afleggen voor de 14 miljoen subsidie die wij krijgen.”

Samenwonen

“Men praat graag over de rijkdom van het Brusselse ‘Jeune Théâtre’, maar achter dat groot aantal produkties en initiatieven gaat zwarte miserie schuil. Telkens moet men op zoek naar plaatsen waar men kan spelen. In Ciné Rio zaten we met vier groepen, ik met Théâtre du Crépuscule en Marcel Delval met zijn Groupe d’animation théâtre, met daarnaast de Compagnie Sans Souci en het Théâtre Hyppocrite. Twee groepen die een totaal andere ethiek over theater hadden dan Delval en ik. Zodat we niet eens een gezamenlijke programmatie hadden. We deelden slechts de ruimte en de povere technische middelen. Het voordeel was echter de relatie met het publiek. Ciné Rio was een bevestiging van wat theatersociologen al lang weten: het publiek creëert eerder een relatie met de ruimte dan met wat er zich in afspeelt. Het Theater 140 is daar een mooi voorbeeld van geweest, de raffinaderij van de Plan K bewijst dat vandaag.”

Théâtre Varia

“Toen de Ciné Rio afgebroken werd waren we plots opnieuw nomaden en dat waren we beu. Ondertussen hadden we beslist dat we met een grote produktie zouden uitpakken ter gelegenheid van Europalia België. De keuze viel op het stuk van Jean Louvet, L’homme qui avait le soleil dans sa poche. Maar gezien onze geringe middelen en de scenische implicaties van deze produktie konden we in geen enkele bestaande theaterruimte terecht. Een collega, Patrick Roegiers, had wel een zaal ontdekt, maar toen we gingen kijken schrokken Marcel Delval en ik wel even, omwille van de omvangrijkheid van het gebouw. Een leegstaand pand in de Scepterstraat, op nog geen kilometer van onze oude Ciné Rio. De verrassing was des te groter toen we vernamen dat het oorspronkelijk een theater- en feestzaal was, gebouwd in 1904. Een gebouw dat daarna dienst gedaan heeft als garage en opslagplaats. Vanaf mei ’81 zijn Delval, die mee het avontuur wilde wagen, en ik beginnen vechten om het gebouw vast te krijgen. Een ruimte waar ik allang van droomde, een typische theaterruimte, lang, breed en hoog. We gingen op zoek naar een derde partner en dat werd Michel Dezoteux van het Théâtre Elémentaire.”

“In september stonden we bij het ministerie met een volledig uitgewerkt plan. De aankoop van het gebouw was noodzakelijk om de nodige verbouwingswerken te kunnen uitvoeren. Raming der kosten: 80 miljoen. Veel te veel volgens de ambtenaren. Terwijl de Communauté Française bezig was met andere werken zoals het Centre du Botanique, dat een half miljard gaat kosten en waarvan de scenische mogelijkheden nul zijn. Als argument werd ook aangehaald dat er te veel theaterzetels beschikbaar zijn in Brussel in vergelijking met het potentieel publiek. Wat betreft de scenische mogelijkheden zijn er bitter weinig uitgeruste zalen. Dat is een gevolg van de mediocriteit waarin de franstalige theatermensen werken en waarmee ze blijkbaar tevreden zijn. Wij hebben volgehouden en eind juni dit jaar hebben we van onze minister van cultuur verkregen dat zijn diensten borg staan voor een lening van 20 miljoen. Daarmee kopen we het gebouw en kunnen we de meest elementaire werken laten uitvoeren, zoals verwarming, behoorlijke elektriciteitsleidingen, loges en een beter onthaal van het publiek. De technische en scenische afwerking moet wachten. Die lening zal ons op tien jaar tijd terugbetaald worden. Uiteindelijk is dat slechts een kleine overwinning, want na de vakantie gaan we verder onderhandelen. Binnen de twee jaar hebben we opnieuw 10 à 15 miljoen nodig om de theaterinfrastructuur uit te bouwen.”

Zesjarenplan

“Tegelijkertijd hebben we beslist dat het samenwonen van drie regisseurs met hun specifiek gezelschap wordt opgeheven. Vanaf 1 januari 1984 vormen we één gezelschap: het Théâtre Varia, naar de naam van het gebouw. We delen immers eenzelfde ethisch gevoel wat het theatermaken betreft. We willen professioneel werken, met strengheid (rigueur), gewoonweg serieus, ernstig. Zes jaar lang gaan we samen werken. Daarom stellen we ons nu vele vragen, over de programmatie, hoe spelen we klassiekers, hoe brengen we nieuwe schrijvers aan, hoe onthalen we ons publiek. We willen niet in dezelfde fouten vervallen als onze ouderen. Wij zijn tevreden met drie produkties per jaar. Daarnaast willen we het werk laten zien van andere mensen, die zelden of nooit naar België komen, zoals Lavaudant en Bourdet. We willen heel vlug het Théâtre Varia internationaliseren om aan het Brusselse publiek, zowel het nederlandstalige als het franstalige, theatrale praktijken te laten zien die nooit in de bestaande theaterinstellingen aan bod komen.”

Publiekswerving

“In België is het theaterpubliek erg aan demagogie onderhevig. Er zijn groepen die hedendaags theater brengen maar geen kat in hun zaal krijgen, terwijl het culinair theater daar bepaald niet onder te lijden heeft. Zulke clichés willen we neerhalen. Een theatrale produktie zonder concessies moet te verzoenen zijn met publieke opkomst. Dat is ons echte opzet. Dat is de uitdaging. Het moet mogelijk zijn dat we 10 à 15.000 toeschouwers per produktie halen. Dat kan nu niet, zelfs de jongste Beckettproduktie in het Théâtre Varia, een produktie die heel goed liep, haalde slechts 3.000 mensen. De zaalcapaciteit speelt daar een rol in maar er zijn beslist ook andere oorzaken. Bij alle drie is de wil aanwezig tot een coherente werking en programmatie. In 1984 gaan we werken op klassiekers van deze eeuw. Zo regisseert Marcel Delval En attendant Godot van Beckett, Michel Dezoteux La Cérisaie van Tsjechow en ik de eerste versie van Dans la jungle des villes van Brecht.”

Te kleine subsidie

“De subsidies van onze drie vroegere groepen worden samengevoegd en wordt dan 14 miljoen. Dat is ridicuul weinig. Dus gaan we vechten om in 1984 24 miljoen los te krijgen. Want monologentoneel brengen willen we niet, dat is immers de dood van het theater. Ook is er geen geld om een permanent gezelschap van acteurs samen te stellen. Ik vraag me trouwens af of dat opportuun is. We willen wel werken met een kern van acteurs die terugkomen in de verschillende produkties. Voor een vijftal spelers zal dat volgend jaar al het geval zijn. Daarbij wil ik opmerken dat, in tegenstelling met de Vlaamse gezelschappen, er langs Franse zijde bijna geen acteurs permanent verbonden zijn aan een gezelschap. Het Théâtre National met zijn 100 miljoen had tijdens het voorbije jaar negen acteurs vast in dienst. Ik wil er ook op wijzen dat de acteursionen lager zijn dan in Vlaanderen. Er is niet eens een acteursstatuut, er is geen theaterdecreet. Het zijn de mensen van het Jeune Théâtre die onderling een collectieve arbeidsovereenkomst hebben aangegaan om de acteur ten minste een minimumloon te verzekeren.”

Groot en groots theater

“Onze produkties in het Théâtre Varia vielen tot nog toe op door o.a. de scènische omvang. Een treinstation voor het stuk van Jouvet, een landschap voor Susn van Achternbusch, een volledig onder water gezet theatergebouw voor Fin de Partie van Beckett. Het risico tot het maken van spectaculaire produkties is aanwezig, we moeten ons goed bewust blijven van de neveneffecten daarvan. Maar samen kunnen we complementair werken en dat is belangrijk. Zoals Antoine Vitez nu doet in Chaillot in Parijs. Bij de keuze van stukken en van regisseurs alle registers van het theater van vandaag opentrekken. Wij hebben niet de middelen noch de mensen daarvoor maar er is bij ons drie wel een auto-emulsie aanwezig en dat is belangrijk. Want wij mikken hoog. We willen een rechtstreeks antwoord zijn op het huidige Théâtre National de Belgique. Ik ben voor grote instellingen, er is geen groot theater mogelijk zonder een talrijk publiek. Anders is dat theater onbekend en sterft het af. Ik hou niet van suicidaire theatermakers. Ik wil dat groot publiek verzoenen met hedendaagse creaties. Het is hoogtijd dat dat bij ons kan gebeuren, zonder concessies. Onder vorm bijvoorbeeld van een luciede programmatie, waarbij zowel Hamlet van Shakespeare als De Hamletmachine van Heiner Müller op de affiche staan. Neen, een man van de marge wil ik niet zijn.”

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#4

15.09.1983

14.12.1983

Pol Arias

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.

artikel