‘Honingbijen’ – HETPALEIS – Daniël Geeraerts

Marleen Baeten

Leestijd 16 — 19 minuten

Jeugdtheater XL

Paleisrevolutie en Villaguerrilla

Ongeveer een jaar geleden werd het Koninklijk Jeugdtheaterin Antwerpen omgedoopt tot HETPALEIS. Marleen Baeten schetst de werking van deze grote ‘nieuwkomer’ binnen de ruimere context van het jeugdtheater in Antwerpen en Vlaanderen. En hoe moet het plaatje er in de toekomst uitzien?

1. Paleisrevolutie

Vorig jaar rond deze tijd werd vanuit de Meistraat in Antwerpen de Kerstboodschap vanuit Het Paleis de wereld ingezonden. Na een halve eeuw stedelijke werking kreeg het Koninklijk Jeugdtheater een nieuwe structuur: op 28 februari 1996 besliste het Antwerpse Schepencollege om van het kjt een instelling van openbaar nut te maken. De nieuwe raad van beheer van het kjt stelde een nieuwe directie aan: Barbara Wyckmans, die eerder al baanbrekend werk verricht had op het vlak van jeugdtheaterprogrammering in de culturele centra. Zij besliste om met een nieuwe lei te beginnen en het bestaande KJT-gezelschap op te heffen. Om de buitenwereld duidelijk te maken dat er een nieuwe koers zou gevaren worden, werd een nieuwe naam gekozen: het paleis. Aangezien Barbara Wyckmans geen kunstenaar is die een artistieke ploeg rond zich kan verzamelen om de eigen artistieke ambities waar te maken, besloot ze gedurende een overgangsperiode voor elke productie ad hoc een artistieke ploeg samen te stellen.

De verwachtingen waren hooggespannen, maar werden – zoals dat meestal gaat met hooggespannen verwachtingen – lang niet ingelost. Kunstenaars met jarenlange ervaring binnen of buiten het jeugdtheater leverden clichématige voorstellingen af die niet zouden misstaan hebben in de voormalige KJT-programmering (Nat, Cowboys, Alleen op de wereld), jonge kunstenaars kwamen er niet uit (Woyzeck, Naar Filoktetes). In Mijn Blackie en Skaters deden Arne Sierens en Abdelaziz Sarrokh wat ze elders ook al deden, wat enerzijds de intentie om de deuren wijd open te gooien onderstreepte, maar anderzijds de vraag naar het artistieke surplus van HETPALEIS niet minder pregnant maakte. Gelukkig waren er toch twee opmerkelijke producties in het eerste seizoen: Het Vissekind (tekst en regie: Judith de Rijke), een kippenvel bezorgende combinatie van een kaal-poëtische tekst en rauw-gevoelig spel, een kleinezaalproductie van jonge makers, en de grotezaalproductie De Afscheidssymfonie. In deze voorstelling op het grensgebied tussen muziektheater, dans en acrobatie voerde het zeskoppige Oxalys Ensemble een nieuwe compositie van Jan Kuijken uit, geïnspireerd op het gegeven van Joseph Haydns Afscheidssymfonie waarin de muzikanten één voor één opstonden, hun kaars uitbliezen en het podium verlieten. In De Afscheidssymfonie van HETPALEIS verbeeldden de muzikanten samen met zes dansers en twee acrobaten zoveel mogelijk variaties op afscheid. Onder leiding van regisseur Dirk Opstaele gingen hedendaagse klassieke muziek, dans en acrobatie een ongedwongen samenspel aan.

De Afscheidssymfonie werd terecht genomineerd voor zowel de Vlaamse Signaalprijs als de Nederlandse Hans Snoekprijs, want dergelijke initiatieven die tegelijk innoverend, kwalitatief hoogstaand en toegankelijk zijn, zijn nog onvoldoende dik gezaaid in het jeugdtheater. Toch hoop ik dat de dansers in het jeugdtheater van de toekomst aan dezelfde strenge kwaliteitsnormen zullen voldoen als de muzikanten. De enkele keren dat ik dansers in een Vlaamsejeugdtheatervoorstelling aan het werk zag, lag de norm beduidend lager dan in het volwassenencircuit. Wie organiseert er eens een Oogsmeer, waarin – naar het voorbeeld van Oorsmeer – een aantal professionele dansers in alle mogelijke genres voorstellingen van ongeveer een half uur verzorgen voor het kleine volkje? En welk dansgezelschap waagt het om een productie te maken (of gewoon duidelijk open te stellen) voor kinderen? Dat dit kan zonder artistieke toegevingen te doen zullen muzikale collega’s als Champ d’Action, Walpurgis en Het Muziek Lod hen kunnen bevestigen. Ook de dansprogrammering van Villanella in deSingel (met werk van o.a. Sasha Waltz en Philippe Decouflé) toont aan dat bepaalde voorstellingen zonder problemen kunnen opengesteld worden voor kinderen.

2. Zaaien en oogsten

Getalenteerde artiesten (uit theater, dans, muziek, beeldende kunst, literatuur) warm maken voor het jeugdtheater: als een leidmotief komt het bovendrijven bij zowat alle actoren in het Vlaamse jeugdtheater. Vooral de kinderkunstencentra Villanella, Bronks en Kopergietery hebben er de jongste jaren een punt van gemaakt om nieuw talent aan te boren voor het jeugdtheater, enerzijds door kansen te geven aan jonge makers, anderzijds door kunstenaars uit het volwassenencircuit warm trachten te maken voor een experiment onder hun vleugels. HETPALEIS volgde van meet af aan dezelfde strategie, want artiesten die ervaring in – of interesse voor het jeugdtheater combineren met talent voor de grote zaal zijn helemaal zeldzaam. Uit de matige resultaten van het eerste seizoen trok HETPALEIS enkele conclusies: meer communicatie met de artiest en een productiedramaturg voor elke productie, een aanpak waar onder andere Stefan Perceval (Honingbijen) dit seizoen al de vruchten van plukte. De belangrijkste conclusie was misschien wel ‘dat HETPALEIS in plaats van te oogsten nog eerst mee zal moeten helpen zaaien’.

Met initiatieven als Stukschrijven en Stukspelen investeert HETPALEIS in (vooral jonge) auteurs, acteurs en regisseurs voor het jeugdtheater, maar krijg je hiermee ook ervaren artiesten uit het volwassenencircuit over de brug? Mij dunkt dat er niet alleen gezaaid, maar ook geploegd moet worden. Een eerste terrein waar de ploeg wel eens grondig in mag gezet worden zijn de schoolvoorstellingen. Welke artiest staat immers graag om tien uur ‘s ochtends op de planken, nog los van de kuddesfeer die er meestal in de zaal hangt? ‘Ja maar’, klinkt steevast de repliek, ‘voor heel wat kinderen zijn schoolvoorstellingen de enige manier om in contact te komen met het theater!’ Aangenomen dat dat zo is, welke kwaliteit heeft dat contact dan? Welke beleving en welke opvatting over theater krijgt een kind dat uitsluitend via schoolvoorstellingen in contact komt met het theater? En als dat eerste contact dan zo belangrijk is voor de waardering van het theater, waarom heeft men dan niet de moed om alleen de allerbeste producties – binnen welk genre dan ook – aan te bieden als schoolvoorstelling? Kwaliteit – zowel van de voorstelling als van alles wat errond gebeurt in het theater en in de school – is veel belangrijker dan kwantiteit!

Een tweede ploegterrein betreffen de media. Waarom wordt het bestaan van een aparte jeugdtheaterrecensent nooit in vraag gesteld? Waarom er niet meer op aandringen dat de producties gerecenseerd worden door de vakrecensent die het best bij de aard van de voorstelling aansluit, zoals dat onlangs gebeurde bij Fietsen, dat in De Morgen door de operacriticus gerecenseerd werd. Het heeft geen zin om langs de productiekant de deuren wagenwijd open te gooien terwijl de media het jeugdtheater als een gesloten wereldje voor uitsluitend kleine mensjes blijven etaleren. We mogen dan al een decennium lang van de daken schreeuwen dat het jeugdtheater in Vlaanderen en Nederland volwassen is, mensen zonder kinderen van de juiste leeftijdscategorie hebben de meeste jeugdtheaterproducties die als dusdanig aangekondigd en gerecenseerd worden meestal niet gezien.

Zo komen we bij een derde terrein: de presentatie. Waarom worden jeugdtheatervoorstellingen op de meeste plaatsen nog altijd om drie uur in de namiddag geprogrammeerd en niet ‘s avonds of ten vroegste om 17 uur? Welke volwassene of welk kind gaat immers graag op die ene mooie vrije middag de donkere zaal in? Ik pleit er dus voor om samen met de makers uit het volwassenencircuit ook hun publiek te verwelkomen in het jeugdtheater. Wie zag onlangs bijvoorbeeld De Kleine Zeemeermin (BRONKS-Walpurgis-De Roovers, tekst van Judith Herzberg) of Zetelkat (Luxemburg, tekst van Josse De Pauw)? Zou het voor artiesten niet ontmoedigend zijn om haast niet gezien te worden door een volwassen publiek? Of te moeten vaststellen dat hun trouwe toeschouwers dikwijls niet eens van het bestaan van hun werk voor kinderen afweten?

‘Eerder mee zaaien dan oogsten’, was de conclusie na het eerste Paleisseizoen. Voorlopig zit het ploegen er nog niet echt in. Hoewel er hier en daar al aanzetten zijn op de genoemde terreinen staat een coherente visie (en vooral actie) met betrekking tot zaaien en ploegen nog in de kinderschoenen, zowel bij HETPALEIS als bij de overige jeugdtheaterboeren. Dat men bij het produceren vertrekt van de kunstenaar is ook in het jeugdtheater een evidentie geworden. Op vlak van de presentatie blijft de leeftijd van het publiek echter nog altijd de meest bepalende factor. Het feit dat jongerenvoorstellingen nu toch al overwegend ‘s avonds geprogrammeerd worden (en ook dikwijls niet meer aangeboden worden in de schoolprogrammering) spreekt deze vaststelling niet tegen.

3. De artistieke opdracht van een grootgrondbezitter

HETPALEIS beschikt over de enige grote zaal (500 plaatsen) voor jeugdtheater in Vlaanderen en wordt als instelling van openbaar nut flink gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, de stad Antwerpen en de provincie Antwerpen. Zijn taak overstijgt dus vanzelfsprekend het lokale. In zijn handvest stelt HETPALEIS een voortrekkersrol te willen spelen op het vlak van theater voor de grote zaal, op de eerste plaats door zelf voornamelijk theater voor de grote zaal te maken en daarnaast producties van anderen te presenteren. Hierbij aansluitend wil HETPALEIS zich ook internationaal oriënteren: ‘niet in de laatste plaats omdat het maken van jeugdtheater in de grote zaal in het buitenland een veel ruimere geschiedenis heeft dan in Vlaanderen of Nederland.’

De artistieke koers die HETPALEIS met zijn grotezaalproducties wil varen is op basis van de programmering van de eerste twee seizoenen niet duidelijk. Het samengaan van verschillende disciplines en de ontwikkeling van nieuwe theaterteksten zijn twee belangrijke uitgangspunten, maar daar kan je veel kanten mee uit. Voorlopig is de programmering erg heterogeen: van monument tot experiment, van musical tot multidisciplinair spektakel, van opera tot hedendaagse dans, van theatrale show tot kwetsbaar teksttheater. Dat kan een bewuste keuze zijn en blijven indien je redeneert dat je die ene grote zaal ten dienste moet stellen van zoveel mogelijk verschillende jonge doelgroepen, met zoveel mogelijk verschillende smaken. Alleen: dan ga je ervan uit dat jij in je eentje het gebrek aan belangstelling voor een jong publiek van de meeste kunstencentra, operahuizen, dans-, muziek- en theatergezelschappen moet compenseren. En hoe bereik je dan de vereiste kwaliteit in al die genres? Een aaneenschakeling van coproducties, waarin de genregebonden knowhow van de steeds wisselende partners gecombineerd wordt met de specifieke knowhow van het jeugdtheater, lijkt hier de meest consequente strategie. Met zaalbezit heeft dat echter weinig te maken. Noch op het niveau van het productieproces, noch op het niveau van de presentatie zie ik doorslaggevende redenen om zeer uiteenlopende soorten werk in één huis te produceren. Een herverkaveling van het culturele veld, waarin kinderen en jongeren niet langer verbannen worden naar hun culturele thuislanden, is hier een meer afdoende oplossing. Waarom wagen niet meer theatergezelschappen zich soms aan een voorstelling voor een jong publiek, zoals Dito’Dito al geruime tijd doet, sinds kort gevolgd door Theater Malpertuis, De Roovers, Toneelgroep Amsterdam,… Waarom hebben programmatoren niet de reflex om bepaalde voorstellingen aan te kondigen als gezinsvoorstelling? Marc Verstappen van Villanella heeft op dat vlak baanbrekend werk verricht in deSingel en CC Berchem, maar daarbuiten is het in de culturele wereld nog niet doorgedrongen dat kinderen en jongeren veel meer aankunnen (en willen) dan de voorstellingen die speciaal voor hen gemaakt zijn. Waarom krijgen voorstellingen als De Vertellingen van 1001 Nacht (Firma Rieks Swarte / Toneelschuur Producties, onlangs te zien in de Monty) of Le jardin de io io ito ito (Cie Montalvo & Hervieu, onlangs te zien op Klapstuk) geen vermelding die erop wijst dat ook kinderen vanaf een bepaalde leeftijd welkom zijn? Er zal nog grondig geploegd moeten worden, en niet alleen door de jeugdtheateractoren.

Terug naar HETPALEIS. Heeft een dergelijke infrastructuur, uitsluitend voor jeugdtheater en jeugdcultuur, dan wel zin? Voorlopig zeker wel, maar het is zeker niet het alleenzaligmakende model en bovendien – nog los van het feit dat cultuurbeleving van vier-, acht-, twaalf-of zestienjarigen al meer onderlinge verschillen vertoont dan cultuurbeleving van volwassenen – bestaat er niet zoiets als één jeugdcultuur. De kernopdracht van HETPALEIS als enige bezitter van een grote zaal in het jeugdtheater bestaat erin niet-commercieel jeugdtheater voor de grote zaal te produceren. Zoals gezegd is er op dat terrein nog geen traditie ontwikkeld in Vlaanderen, maar misschien is dat wel een pluspunt. De producties van nieuwkomers in het jeugdtheater (zowel binnen als buiten HETPALEIS) stemmen in elk geval meer hoopvol dan het zichzelf herhalende werk dat gekende namen uit de Nederlandse jeugdtheaterwereld tot nu toe afleverden in HETPALEIS.

Daarom hoop ik dat HETPALEIS snel enkele kunstenaars de kans zal geven om op zeer regelmatige basis samen met door hen gekozen gastartiesten te experimenteren met grotezaalproducties voor een jong publiek. Behalve aan één of twee regisseurs denk ik aan een auteur en een componist. Waarom een auteur (of indien mogelijk twee) in residentie nemen? Indien je het ernstig meent met de uitbreiding en ontwikkeling van het repertoire moet je daar ook een financieel engagement tegenover plaatsen. Waarom een componist? In elk geval niet omdat er – letterlijk – te weinig muziek zou zitten in het jeugdtheater. Wel omdat er zo weinig goede muziek is. Vooral in Nederland is het een echte kwaal. Er kan haast geen jeugdtheatervoorstelling meer op de planken gezet worden zonder dat er nu en dan een lied tussen moet. De keren dat deze muzikale interventies een pluspunt betekenen voor de voorstelling zijn op één hand te tellen. En als er dan al eens een prominente rol is weggelegd voor de muziek, viert dramatische bombast dikwijls hoogtij, enkele uitzonderingen (b.v. de muziektheatervoorstellingen van Teneeter) niet te na gesproken. Bij gebrek aan een geschikte componist zou een hedendaags muziekensemble een goed alternatief kunnen vormen.

Met een duidelijk engagement ten aanzien van een beperkt aantal kunstenaars zal het aantal eigen producties waarschijnlijk dalen. Een probleem hoeft dit niet te zijn. Naast het ontwikkelen van het eigen, ‘spannende’ werk kan HETPALEIS zijn infrastructuur dan volop ter beschikking stellen van andere (en misschien wel zeer diverse) artiesten en initiatieven op het terrein van jeugdtheater en jeugdcultuur. Dat brengt niet alleen leven in de brouwerij, maar het kan ook de blik van zowel publiek als artiesten verruimen en aanscherpen.

4. Een huis met vele kamers

Op dit ogenblik heeft HETPALEIS al één vaste kunstenaar, of beter een volledig gezelschap, onder zijn vleugels. Figurentheater Froe Froe produceert en presenteert zijn werk binnen het structurele kader van HETPALEIS, maar behoudt zijn artistieke autonomie. In zijn atelier op het Zuid organiseert het gezelschap workshops en masterclasses. Ook sommige voorstellingen gaan door in het eigen atelier. Froe Froe is een te koesteren huisgezelschap, dat de relatie tussen theater en beeld van nieuwe impulsen voorziet.

Een echte bewoner van HETPALEIS is het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur, waarmee HETPALEIS samen activiteiten rond jeugdliteratuur wil ontwikkelen. In de toekomst hoopt HETPALEIS nog meer dergelijke verwante organisaties in huis te kunnen halen.

HETPALEIS heeft kosten noch moeite gespaard om van het donkere KJT-gebouw ook letterlijk een aantrekkelijke en gastvrije ruimte te maken. Tijdens het jongste Tweetaktfestival bewees de zeer ruim bemeten ontvangsthall en foyer zijn diensten als zenuwcentrum en ontmoetingsruimte. Deze eerste Vlaamse editie van het voormalige Kunst Jr. Festival ‘s Hertogenbosch, dat voortaan afwisselend in Nederland en Vlaanderen zal doorgaan, was zeker niet alleen omwille van de sterke programmering een succes, HETPALEIS werd terecht geprezen voor zijn gastvrijheid.

De ruime foyer en circulatieruimtes rond de grote zaal bieden heel wat mogelijkheden voor tentoonstellingen en happenings. Als infrastructuur heeft HETPALEIS alles in zich om een bruisend kunstencentrum te worden en ook de ambities van de nieuwe ploeg gaan die richting uit. Maar het is een immense opdracht voor één organisatie om enerzijds als innoverend gezelschap te functioneren en anderzijds een grote structuur met een veelzijdige taak te runnen. De huidige werking heeft in elk geval meer weg van een stevig producerend cultureel centrum – met o.a. zeer veel aandacht voor cultuurspreiding – dan van een gezelschap. Daarvoor zijn enkele voor de hand liggende redenen aan te geven. Ten eerste de vele buitenartistieke obstakels – o.a. onderhandelingen met vakbonden – die moesten overwonnen worden tijdens het eerste werkjaar. Ten tweede: het ontbreken van kunstenaars met wie men direct kan ‘oogsten’ en de ermee samenhangende beslissing om dan maar enkele jaren ‘mee te zaaien’. Maar zou er geen derde reden zijn, nl. de jarenlange beroepservaring van directeur Barbara Wyckmans in culturele centra en het feit dat geen enkele kunstenaar deel uitmaakt van de artistieke ploeg? Reden te meer misschien om niet te lang te wachten met het aanstellen van enkele kunstenaars met grote artistieke autonomie over de huisproducties. De kans dat een geschikte kunstenaars-ploeg zich meteen voor minstens enkele jaren engageert is echter klein. De idee van een vast gezelschap dat zich decennia lang aan het jeugdtheater wijdt, strookt alvast niet met de huidige artistieke realiteit. Geen enkel Vlaams theatergezelschap bestaat jarenlang uit dezelfde acteurs en de meeste acteurs en regisseurs van jeugdtheatergezelschappen maken nu en dan wat graag een ‘uitstapje’ naar het theater voor volwassenen. De optie voor een beperkt aantal regelmatig weerkerende artiesten is dus waarschijnlijk de meest realistische.

5. Megafoon of monopolie?

Drie van de vijf genomineerden voor de Hans Snoekprijs van het voorbije seizoen waren Vlaamse producties. Als mogelijke reden voor dit Vlaamseoverwicht noemde de jury de uitstraling van Tweetakt en HETPALEIS op het totale Vlaamse jeugdtheaterklimaat. Het zou correcter geweest zijn om te spreken over de uitstraling van het Vlaamse jeugdtheaterklimaat via Tweetakt en HETPALEIS, zeker als je weet dat het genomineerde Koning Ubu (Froe Froe) eigenlijk dateerde van het vorige seizoen, maar getoond werd tijdens het Tweetaktfestival. De afscheidssymfonie (HETPALEIS) werd eveneens gepresenteerd op Tweetakt. De winnende productie De Tolbrug (Ibycus, een ad hoc formatie met leden van De Roovers, gecoproduceerd door Villanella) stond niet op de affiche van Tweetakt, maar kende wel zijn première tijdens een vergaderweekend van de Tweetakt-adviescommissie, met als gevolg dat ze door een aantal personen uit het Nederlandse jeugdtheatercircuit gezien werd.

Het versterkend effect van grote huizen en evenementen is welbekend. Ook HETPALEIS werkt als een megafoon voor een reeds bestaande aanpak, bijvoorbeeld in zijn interesse voor multidisciplinair jeugdtheater en in zijn inspanningen om theatermakers uit het volwassenencircuit warm te maken voor het jeugdtheater. We kunnen dan ook hopen dat de komst van HETPALEIS de resultaten van deze inspanningen bespoedigt.

Maar met een megafoon is het opletten geblazen. Welke boodschap wordt de wereld ingezonden en welke wordt overstemd? Welke kunstenaars krijgen de meeste aandacht? Welk beeld over jeugdtheater en jeugdcultuur wordt op grote schaal verspreid? Wanneer ‘megafoon’ verward wordt met ‘monopolie’, verandert de aanvankelijke versterking al gauw in versmalling. Zeker met de waarschuwingen tegen ‘versnippering’ van het vorige kabinet en van de in grote mate gelijkaardig samengestelde adviesraden in het achterhoofd, is het gevaar van opgelegde centralisatie niet denkbeeldig. HETPALEIS beschikt niet alleen over een XL infrastructuur, maar ook over XL subsidies, in verhouding met de te runnen infrastructuur uiteraard. Maakt het zware gewicht van de infrastructuur echter nog een integere afweging van de artistieke prestaties mogelijk? Welke zijn de kansen van de overige actoren in het jeugdtheaterveld, nog vóór het artistiek werk geëvalueerd wordt? En welke impact heeft de jarenlange aanwezigheid (tot op de dag van vandaag) van Paleisdirectrice Barbara Wyckmans in de Beoordelingscommissie Nederlandstalige Dramatische Kunst?

Ik pleit voor meerdere sterke actoren, liefst met een onderling uiteenlopend profiel. Zo zou ik het niet gezond vinden indien producties als De Kleine Zeemeermin, Musicircus, Voetstappen in de nacht, enz. voortaan alleen nog maar in HETPALEIS zouden kunnen gemaakt worden. Of indien vooral HETPALEIS zou gehoord worden in het spreken en denken over kunst en educatie, kunstspreiding, jeugdcultuur,… Let wel: ik wil hier niet insinueren dat HETPALEIS een dergelijke monopoliepositie nastreeft. Wat ik wil zeggen is: indien de beleidsmakers willen vermijden dat een megafoon verandert in een monopolie, moeten er zeer bewuste keuzes gemaakt worden voor meerdere megafoons, op regionaal niveau en zelfs op stedelijk niveau.

6. Villaguerrilla

Vijf jaar voor de komst van HETPALEIS in Antwerpen zag Villanella er het licht: een Villa zonder bouwgrond, een guerrilla Villa. Zo bepalend de beschikking over een grote infrastructuur is voor de werking en de artistieke uitgangspunten van HETPALEIS, zo kenmerkend is het niet beschikken over infrastructuur voor de werking en artistieke uitgangspunten van Villanella. In de loop van de voorbije jaren onderzocht en ontwikkelde Villanella met succes nieuwe modellen om kunst in contact te brengen met een jeugdig publiek. Heel wat koekoeksjongen vonden steeds meer bereidwillige nesten in de stad (lees: Villanella programmeerde jeugdtheatervoorstellingen in huizen die dat tevoren veel minder deden). Zowel in deSingel als in CC Berchem is hieruit een vruchtbare samenwerking ontstaan die de traditionele jeugdtheaterprogrammering ver overstijgt: in hun reguliere programmering worden – vooral op het vlak van dans en muziek – bijzondere klemtonen aangebracht voor kinderen en jongeren. Locatieprojecten zijn een andere logische optie van een kunstencentrum zonder eigen infrastructuur. De kunst die Villanella produceert is liefst geen kunst zoals er al dertien is in een dozijn, maar moet wel een jong en breed publiek bereiken. XL is dan ook de geliefkoosde maat van Villanella, letterlijk en figuurlijk: grote manifestaties (Kunstonderacht, Schommels, De Nachten,...), multidisciplinaire producties en initiatieven (Musicircus, Festival der Muziekmachines,…), een grote actieradius (van deSingel tot de Dageraadplaats, van een kermismolen tot een Zuid-Afrikadebat), een internationale focus. Natuurlijk is het niet al groot wat de klok slaat, al was het alleen maar omdat de beperkte subsidies dat niet toelaten.

De werking van Villanella heeft iets van guerrilla-acties: gespreid in de ruimte, spectaculair, dikwijls langdurig en nauwgezet voorbereid, soms intuïtief en snel, niet altijd even goed onderbouwd, op de wankele grens tussen moed en overmoed, lange tijd onderschat. Aanhoudend heeft Villanella de voorbije zes jaar het kunstenlandschap bestookt met explosies van verschillende intensiteit en gedaante. Vooral in de beginjaren was er al eens rook zonder vuur, maar de tactiek van de gespreide actie heeft ontegensprekelijk een klimaatsverandering rond kunst voor kinderen en jongeren teweeggebracht.

7. Kunst Jr. / Tweetakt

De ontwikkelingen en resultaten van Villanella kunnen moeilijk los gezien worden van de ontwikkeling van het Kunst Jr. Festival gedurende de laatste vier jaar. In die periode was Villanelladirecteur Marc Verstappen immers ook artistiek leider van Kunst Jr., sinds de Nederlands-Vlaamse koers omgedoopt tot Tweetakt. De twee-eenheid waarnaar de titel verwijst, slaat niet alleen op Vlaanderen en Nederland, maar ook op kunst en kunsteducatie (het festival is een initiatief van het LOKV, Nederlands Instituut voor Kunsteducatie), productie en presentatie, kinderen en jongeren, sociale realiteit en kunstwereld,… Marc Verstappens aantreden zorgde aanvankelijk voor nogal wat weerstand binnen het reguliere jeugdtheater in Nederland, want vooral onder zijn bewind veranderde het festival van een netjes geordende marktplaats in een onoverzichtelijke soek met veel vreemde invloeden (theatermakers van buiten het reguliere jeugdtheatercircuit, andere disciplines dan theater, internationale kunstenaars), onvoorspelbare resultaten van workshops met studenten, heftige discussies over wat al dan niet geschikt is voor kinderen, locatieprojecten en hier en daar een gulle feestelijke toets die de brug trachtte te slaan tussen het festival en het wat ingeslapen Den Bosch. Net als bij Villanella gold ook hier het devies: Veel’ en – waar mogelijk – ‘groot’, wat zeker niet altijd een garantie is voor ‘goed’.

Toch is ook hier in de loop van vier jaar baanbrekend werk verricht, niet in het minst omdat er duchtig tegen het verouderde model van educatie als verbindende factor tussen kunst en een jong publiek aangeschopt werd. ‘Verander de kunst’, luidt één devies. ‘Engageer jonge kunstenaars; kijk over het muurtje van de eigen discipline.’ ‘Verover de stad’, luidt een ander devies. ‘Zoek voor elk project een nieuw publiek, een geschikte presentatievorm.’ Voor het programmaboekje van zijn derde Kunst Jr. festival (1998) schreef Marc Verstappen een bijzonder sterke motivatietekst van zijn artistiek beleid. In een stijl die hij aan zijn lievelingsauteur Louis Paul Boon ontleent en verwijzend naar vooral cultuursociologische literatuur verwoordt hij zijn betrachtingen, twijfels en gevechten. Een citaat: ‘”De kunst is er voor alleman”, zegt de kantieke schoolmeester. En hij vervolgt staccato: “De opvoedende, ontspannende en emanciperende waarde is toch evident. (…)”(…) En ge roept regelmatig aan uw maten dat de democratisering van de kunst eigenlijk feitelijk heeft geleid tot de democratisering van de animatie, van het entertainment, van de grijze middelmaat. (…) En ge komt tot uw centrale punt: dat een festival als dit – gelijk uw werk in Antwerpen – een zoektocht is naar nieuwe strategieën om in de jaren negentig met contemporaine modellen en met artiesten die nu leven – en niet in de jaren zeventig – ervoor te zorgen dat kunst en publiek met elkaar in contact komen. En ge ziet uw positie niet als glijmiddel, maar ge zoekt juist de wrijvingspunten: daar waar het interessant is, daar waar frictie kan ontstaan zonder dat één van beide partijen direct wegloopt. Want frictie is energie, is één van uw favoriete natuurwetten.’

In zijn laatste festival combineerde Marc Verstappen de vruchten van drie jaar festivalervaring met het voordeel op eigen terrein te mogen spelen. Het werd een mooi uitgebalanceerd, dynamisch festival, dat eigenaardig genoeg meer door Nederlanders en enkele andere buitenlandse delegaties bezocht werd dan door Vlamingen (laat staan door Franstalige Belgen). Daarnaast geldt ook voor Tweetakt dat er meer inspanningen moeten gedaan worden om artiesten en publiek uit het volwassenencircuit te bereiken. Tweetakt is immers de ideale gelegenheid om eindelijk het jaren ’80-beeld van proper, esthetisch verantwoord jeugdtheater op een veelkantige manier bij te stellen. De doelbewuste programmering op niet minder dan 22 plekken in de stad (culturele instellingen en locaties) gaf de eerste editie van Tweetakt de allure en de sfeer van een stadsfestival, met kunst voor kinderen en jongeren als focus. Er was duidelijk veel zorg besteed aan het zoeken van een geschikte plek voor elke voorstelling, presentatie, workshop of experiment. Inzake contacten met het culturele veld plukte Tweetakt de vruchten van Villanella’s jarenlange werken op verplaatsing.

‘Een festival is een werkplaats’, luidt het devies van Marc Verstappen. Veel werk dus van jonge makers (dikwijls zelfs binnen de studentenopleidingen tot stand gekomen), tekstlezingen, ontmoetingen met kunstenaars, twee masterclasses, een workshop en enkele producties met amateurs uit de stad. Maar evengoed uiterst professioneel werk van Theatergroep Wederzijds, Stella Den Haag, Froe Froe, Het Muziek Lod, HETPALEIS, Dito’Dito, enz. In de veelheid van het aanbod – met bekende en onbekende namen uit binnen- en buitenland – kon je voor jezelf een cluster samenstellen rond een bepaalde inhoud (kunst en maatschappelijke realiteit, kunst en educatie) of discipline (beeld en theater, dans, muziektheater, teksttheater). De confrontatie van soms zeer uiteenlopende benaderingen van een zelfde inhoud of discipline scherpt je denken meer aan dan een aaneenrijging van obligate debatten. Een boeiend initiatief was de wat stijfjes als ‘lezingenreeks’ aangekondigde Beelden van de eeuw, waarin met een stevige knipoog naar de boekenlijst op school enkele sprekers uitgenodigd werden om het publiek een blik te gunnen op hún beelden van de eeuw. Op het festival kreeg de reeks niet de publieksaandacht die ze verdiende, maar Marc Verstappen en Jeroen Olyslaegers (writer in residence van Villanella) werken het concept verder uit binnen de jaarwerking van Villanella, o.a. door er niet alleen ‘kenners’, maar ook leerkrachten en vooral jongeren bij te betrekken.

Villanella als broedplaats van Tweetakt. Twee-takt als megafoon van Villanella.

8. Eén paleis maakt nog geen koninkrijk

De wisselwerking tussen Villanella en Twee-takt is exemplarisch voor een levendig kunstenveld, waarin broedplaatsen en megafoons een dynamische relatie met elkaar aangaan, waarin een megafoon tevens broedplaats is en een broedplaats zich soms tot megafoon ontpopt. De megafoonfunctie is immers relatief. Ze heeft geen bestaansreden zonder artistiek proces, zonder maatschappelijk debat, zonder experiment. Ze is er slechts de versterker van.

De megafoonfunctie valt niet noodzakelijk samen met de maat XL, maar elke Large helpt: het beschikbare budget, de beschikbare infrastructuur, de actieradius. In ons betonlandje wordt vooral dat laatste nogal eens over het hoofd gezien. Tegen beter weten in blijven we er dikwijls van uitgaan dat een grootgrondbezitter de beste megafoon is. In combinatie met het Mattheüseffect (wie heeft zal krijgen) werkt dat monopolievorming en bouwwoede in de hand.

Omdat ik hoop dat er de komende jaren nog veel geploegd, gezaaid en geoogst mag worden pleit ik voor een actief beleid ten voordele van meerdere sterke broedplaatsen met optionele megafoonfunctie, die de opdracht van een gezelschap overstijgen: HETPALEIS en Villanella in Antwerpen, BRONKS in Brussel, De Kopergietery/Speelteater en Victoria in Gent. ‘Frictie is energie.’

artikel
Leestijd 16 — 19 minuten

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

artikel