De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
© Bieke Depoorter
Delphine Hesters brengt een reeks portretten van gulzige toeschouwers zonder professionele band met de podiumkunsten. Via een gesprek over hun traject speurt ze naar wat hen telkens weer naar het theater voert, welke plaats theater en dans innemen in een mensenleven en welke geschiedenis zich ontplooit in de persoonlijke terugblikken en reflecties. Fotografe Bieke Depoorter levert het beeld.
‘Ik heb eigenlijk een hekel aan zo’n dingen,’ zegt Jean-Pierre Tack, wanneer ik net mijn dic-tafoon heb uitgezet. Interviews zijn hem in het verleden niet altijd even goed bevallen. Of toch niet de stukken met provocerende koppen die journalisten er al eens van maakten. ‘Ik blijf toch altijd zeer voorzichtig. En gemeend: het is niet omdat ik last heb met het werk van een kunstenaar, dat dat werk daarom slecht is. Misschien ben ik wel te weinig aandachtig of open geweest.’ Tijdens ons twee uur durende gesprek laat hij zich, zoals hij zich bij aanvang had voorgenomen, geen negatieve uitspraken ontvallen over concrete kunstenaars of voorstellingen. Jean-Pierre is een man van weinig woorden, en degene die hij wel deelt zijn weloverwogen.
Zijn persoonlijk verhaal speelt zich grotendeels af op het Kortrijkse Buda-eiland. De ramen in de woonkamer bieden ruim zicht op de Budatoren en zo ook op ’s mans familiegeschiedenis. Niet voor niets heet die Budatoren bij oudere Kortrijkzanen nog altijd de Tacktoren. Het was Jean-Pierres vader die in 1948 de toren bouwde waarmee Brouwerij Tack pils kon brouwen. Na zijn studies Beeldende kunst sloot Jean-Pierre zelf aan in de lange rij van bierbrouwers. Al was dat niet helemaal van harte.
Ik heb mijn ganse leven bier verkocht. Eerst werkte ik in het familiebedrijf, als bedrijfsleider naast mijn vader. Aan het eind van 1962 is hij gestopt met brouwen. Voor de kleine brouwers was het onmogelijk geworden om te overleven op basis van productie. De een na de ander werd overgenomen door de grote mastodonten. We werden bierhandelaren; kochten en verkochten bier van de groep Artois. In 1989 heeft Interbrew ons volledig opgeslorpt, en ook ikzelf heb de overstap gemaakt. In grote bedrijven gaat dat zo: nu moetje eens zes maanden hier werken, dan weer zes maanden daar. Ze sturen je het hele land door. Zo’n multinational heeft iets van een dictatuur, of van een streng college van vroeger: ‘Het is zo en niet anders.’ Dat is niet leefbaar, echt verschrikkelijk.
Kunstenaar worden was out of the question. Na lang vechten heb ik mijn studies Beeldende kunst op Sint-Lucas mogen volgen, maar na mijn legerdienst moest ik onherroepelijk de brouwerij in. Willen of niet. Vroeger hadden wij eigenlijk niets te zeggen. We waren totaal afhankelijk van onze ouders. Ik heb het volgehouden in de brouwerij, maar ik ging ook voor beide: ’s nachts kroop ik achter mijn schildersezel. Ik heb misschien in mijn eigen vel gesneden, maar ik had niet veel keuze. Het alternatief was simpelweg op je kin kloppen… Ik zal niet zeggen dat jonge kunstenaars het vandaag materieel niet moeilijk hebben, maar ze hebben toch meer mogelijkheden dan wij ooit gehad hebben. Subsidies, wij wisten niet eens wat dat betekende. Destijds was er ook maar één kanaal om je werk te tonen: de privégaleries. Hedendaagse kunst in musea bestond gewoon niet. Je moest binnengeraken in bepaalde middens en dat was niet evident. Jonge kunstenaars werden sowieso niet toegelaten. Jonger dan dertig, vijfendertig jaar? Forget it. Je moest je eerst grondig bewijzen voor je enige kans maakte.
Op de kunstmarkt vandaag zijn het de verzamelaars die beslissen wat goed en wat niet goed is. Ik heb daar veel problemen mee. De museumdirecteurs en critici hebben misschien ook een mening, maar ze worden toch sterk beïnvloed door de verzamelaars en de galeriehouders. Er zijn trouwens geen critici meer, geen echte. Neem nu <H>ART, dat is toch vooral een informatief blad. Die zijn ook nodig, maar de mensen die in <H>ART schrijven gaan nooit eens op een zachte manier schieten, want zowel de galeries als de musea zijn uiteindelijk potentiële klanten. Naar de Biënnale van Venetië ga ik niet meer omdat je daar ook meer en meer voelt dat de expo van buitenaf bestuurd wordt. De business komt op de voorgrond en dat maakt me soms treurig. In de andere disciplines zoals theater en dans heb je dat niet, denk ik. Of toch veel minder. Maar daar valt natuurlijk niet zoveel geld te rapen.
Als vijftienjarige heb ik op het college Le bourgeois gentilhomme van Molière gezien. Het verhaal ken ik niet meer tot in de details, maar hetgeen mij nog goed voor de geest staat, is dat die zaal toen vol zat met mensen die gierden van het lachen. Ik was vijftien jaar en ik dacht: ‘’Verdorie, wat is hier aan de hand?! Die mensen liggen onder hun stoel van het lachen, maar ze lachen zichzelf uit!’ De bourgeois bracht het verhaal van het dagdagelijks leven van al die mensen. Het heeft mij persoonlijk geraakt, ik kon mijn eigen leefmilieu herkennen in wat Molière aanbracht. Misschien is het bij de haren getrokken hoor, maar die ervaring is mogelijk toch een van de redenen waarom ik gekozen heb om kunst te studeren. Misschien. Ik zou die tekst nog eens opnieuw willen lezen. Hij bevat de basisingrediënten van het hedendaagse theater, een kritische houding ten opzichte van het maatschappelijke. Het is dat wat mij bezighoudt.
Als je het niet gezien hebt, kan je ook niet weten of het iets betekent. Ik maak alles mee wat in kunstencentrum BUDA gebeurt, want al wat daar op scène landt, is telkens weer totaal onbekend. Dus kan ik niet zeggen: ‘Ik ga selecteren in wat ik wil zien of niet’. Ik moet gaan kijken. Je zou verbaasd staan hoeveel mensen beslissen om al dan niet te komen op basis van die kleine samenvattende tekstjes in de brochure. Ze lopen het risico om veel te missen! Gedurendal die jaren dat ik voor mijn boterham werkte in de brouwerswereld, had ik heel weinig tijd om naar theater en dans te gaan, zeker met een gezin en twee kinderen. Maar ik wist wel dat het er was en ik was ook goed bevriend met Willy Malisse, de oprichter van Limelight. Maar het is pas sinds mijn pensioen in 1998 dat ik vaak ga – aanvankelijk naar Limelight en Dans in Kortrijk en nu vooral naar kunstencentrum buda, ontstaan uit de fusie van die twee. Voor podiumvoorstellingen ga ik heel weinig op verplaatsing. Er is in Kortrijk al zodanig veel te doen: BUDA, het NEXT-festival, Happy New Ears, Fresh, de voorstellingen in de schouwburg… En ik ga ook graag naar de film. Ik heb meer dan genoeg hier in mijn omgeving.
Ik probeer tot op het bot te gaan. Wanneer ik een voorstelling of een tentoonstelling zie probeer ik zelfs dingen te zoeken die niet te zoeken vallen. Het gebeurt dat ik nadien met de kunstenaars een gesprek heb en dat ik vragen stel, waarop zij zeggen: ‘Tiens, dat hebben we er zelf niet in gelegd, maar het kan.’ Het is een kwestie van bij jezelf stil te staan. Ik zoek, ik probeer om er iets van te maken, er het mijne van te maken. Als een ander het niet op die manier ziet of voelt, heb ik daar geen probleem mee, integendeel. Ik probeer er vooral het mijne van te maken. Met de Compañeros van BUDA leggen we samen met de kunstenaars die in residentie zijn een traject af en bespreken we hun work in progress. Als je zo’n gesprek voert, ontstaat er aan beide kanten feedback. Het is geen eenrichtingsverkeer. Ik denk dat het zeer belangrijk is als om als compañero vooral vragen te stellen aan de kunstenaar: ‘Ben je daar mee bezig? Heb ik dat goed begrepen? ’
Ze knippen te weinig. Vaak komt het werk veel te snel naar buiten. De fout die naar mijn mening meer en meer gemaakt wordt, in podiumkunsten en film, is dat er een stuk bijgevoegd wordt dat overbodig is, om de tijd te rekken. Het lijkt wel of een voorstelling van een uur in plaats van veertig minuten een must is, omdat je het publiek niet voor veertig minuten kan laten betalen. De makers zouden beter meer tijd nemen om te analyseren waarmee ze bezig zijn. Om naar hun eigen werk te kijken, er kritisch bij stil te staan en vragen te stellen. Als ze hun eigen werk zouden opnemen op video en dat gedurende een aantal maanden twintig keer per week zouden bekijken, dan zullen ze wel merken wat ze moe gezien raken. Vaak hoor ik dat mensen binnen een maand een première hebben, terwijl de voorstelling nog niet gemaakt is! Dat vind ik vreemd: kunstencentra kopen iets wat nog niet klaar is. Dan denk ik: maak het eerst en verkoop het daarna. Of maak iets voor volgend jaar.
Afbreken is te gemakkelijk bij zo’n complexe materie. Vraagtekens plaatsen vind ik logischer. En afwachten. Door veel te zien word je natuurlijk kritischer. Je ziet al gauw wat er misloopt in een voorstelling en waar potentieel in zit. Zie je: het gaat immers niet om ‘goed’ of ‘slecht’. Maar om ‘wat misloopt’ en ‘waar potentieel in zit’. Ik heb er een hekel aan om na een voorstelling meteen de vraag te krijgen: ‘En? Hoe vind je het? ’ Je moet de tijd nemen. Voor alles, of het nu gaat om een tentoonstelling, dans, theater of muziek. Kunst moet zijn tijd krijgen om door te dringen. Ik zeg altijd: ‘Ik zal het u morgen zeggen.’ Ik heb een hekel aan zwart-witte antwoorden. Dat is iets wat ik herken in kunst: de mogelijkheid om de dingen niet wit of zwart te laten zijn.
Jean-Pierre Tack
Leeftijd: 70
Studies: beeldende kunsten Sint-Lucas (Gent)
Voormalige job: bierhandelaar
Familiale situatie: samenwonend, heeft twee volwassen zonen en kleinkinderen
Kijkt dans en theater sinds het einde van de jaren negentig
Is lid van de Compañeros van kunstencentrum BUDA
Gaat naar voorstellingen in kunstencentrum BUDA, de Kortrijkse Schouwburg, Passerelle, Theater Antigone, New Festival van Vlaanderen, De Unie der Zorgelozen
Favoriete gezelschap: ‘Ik heb geen favorieten. Het ligt niet in mijn aard om te zeggen: dat is goed en de rest is minder.’
De beeldende kunstenaar die hem het meest inspireert: Kutlugˇ Ataman
Zou graag volgende voorstelling nog eens terugzien: Le bourgeois gentilhomme van Molière
Had graag over dit talent beschikt: ‘Ik geloof eerder in reflectie en hard werken.’
Een jonge maker om in het oog te houden: Benjamin Vandewalle en Miet Warlop
Een voorstelling om naar uit te kijken dit seizoen: De vrek van Ivo van Hove. Omwille van Molière.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.