Carolina Maciel de França

Leestijd 3 — 6 minuten

Jan Martens / GRIP – The Common People

De (buiten)gewone mensen van Jan Martens

Geef me je telefoon en ik zeg je wie je bent. Je zult je geloof afvallen en je land in de steek laten. Je zult je buur wantrouwen en je huwelijk almaar uitstellen. En in je nabije toekomst zie ik… gewoon veel ‘ik’ eigenlijk.

Het statement is niet van mij maar van Ross Douthat, schrijver en blogger bij de New York Times. Hij denkt dat we allemaal lid zijn of worden van de (Facebook)groep van het individualisme en fantaseert daar veel jointjes en selfies bij. De quote kwam eerder voorbij in de teaser die choreograaf Jan Martens voor zijn voorstelling Ode to the attempt gebruikt. Het volledige artikel van Douthat gaat over een theorie van Robert Nisbet, die in Quest for Community beweert dat hoe individualistischer de maatschappij wordt, hoe meer mensen zich op andere manieren proberen aan een groter geheel te verbinden. Waar Nisbet het fenomeen linkte aan de opmars van nationalisme, communisme en facisme, hebben we nu ook nog het internet om rekening mee te houden, zegt Douhat. Hét platform waar je altijd gelijkgezinden vindt.

Er hangt natuurlijk een prijskaartje aan vast en dat is je privacy. Het internet is niet alleen een walhalla van connectiviteit, maar tegelijkertijd de digitale versie van het panopticon: ‘The uploaded world where everyone will be transparent to everyone else.’ Op die ambiguïteit spelen Jan Martens en filmmaker Lucas Dhont in met hun nieuwe voorstelling Common People.

Dit is de formule: via een oproep ronselen ze per presentatieplek een aantal participanten, die ze in twee groepen verdelen. Deze worden elk apart aan de hand van workshops voorbereid op de uiteindelijke voorstelling. Op de avond zelf sturen Martens en Dhont de mensen per twee een kale witte vloer op om elkaar voor het eerst te ontmoeten. Hun enige houvast is de choreografie die ze vooraf hebben ingeoefend en de extra instructies die ze pas twee uur voor de voorstelling krijgen.

In kleine variaties gaan de confrontaties over hetzelfde: vroeg of laat komen de vreemden in stilte tot fysiek contact. Soms door elkaar met de ogen dicht op te zoeken en te betasten. Soms door elkaar juist heel lang niet aan te raken. Na de ontmoeting stellen ze zich kort aan elkaar voor en keren ze terug naar de coulissen, waar de volgende A en B wachten. Zo komen er, als in een mantra, in drie uur tijd tientallen combinaties voorbij.

Als toeschouwer krijg je ook instructies. Tussen twee blind-dates door gaan de deuren van de zaal en de gordijnen achter de scène telkens een paar minuten open en heb je de keus om te blijven zitten of de tribune te verlaten. Kies je voor het laatste, dan mag je iets gaan drinken in de bar óf naar de backstage gaan, waar de telefoons van de deelnemers op sokkels tentoongesteld liggen. Het is een dimensie met een bevreemdend effect. In eerste plaats is ze de tegenpool van de ontmoetingen aan de andere kant van het gordijn, waar wildvreemden elkaar op uiteenlopende manieren aanraken. Telefoons verbinden ons juist zónder fysiek contact.

De technologische sprong van de mobiele telefonie en het internet hebben de aard en de snelheid van onze interacties veranderd, met voor- en nadelen. Het nadeel dat Douhat in The Age of Individualism benoemt – het verlies van privacy – is er een van. Het is de kleine schok door de zaal als het tot het publiek doordringt dat ze toegang krijgen tot de foto’s, video’s en berichten van andere mensen. De telefoon van een vreemde aanraken, dat lijkt nog een stuk intiemer dan twee vreemden (zien) die elkaar betasten. Een tegenstelling tussen twee vormen van privacy die Dhont en Martens met die Gsm’s en smartphones achter gordijnen precies weten te duiden.

Vóór de schermen doen ze ook iets moois. Hoewel de deelnemers als common people (gewone mensen) worden gekaderd, zie je altijd wel iemands singuliere persoonlijkheid in de duetten doorschemeren. Nooit heb je het gevoel alsof je naar een homogene massa staart. Ondanks het feit dat de participanten geen professionele performers zijn, bezit elke ontmoeting wel een bijzondere poëtische kracht. De choreografie dwingt een intimiteit af die sowieso in contrast is met de context van de/het onbekende. Want hoe vaak rol je jezelf op tot een bal en laat je je door een vreemde omarmen? En hoe vaak word je aangekleed door iemand die je pas twee minuten kent?

Tegelijkertijd voel je een duidelijke afbakening in de regie. Alsof je de makers in stilte hoort orchestreren: verder, verder, verder… en stop. Hierdoor houdt de voorstelling een constant niveau aan van esthetische kwaliteit, wat de dans verrassend genoeg ook wat braaf maakt – zonder grote pieken en dalen. We zien een verzameling van stabiele, veilige verbintenissen, zonder veel avontuur en uitspattingen. Net dan geeft het feit dat het publiek bewegingsvrijheid krijgt, de formule van Dhont en Martens een nieuwe superkracht: in plaats van de toeschouwer dictatoriaal aan zijn stoel vast te ketenen, laten ze toe dat hij zich verbindt met het deel dat hem het meest aansprak. Zelfs al was dat de bar.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#146

15.09.2016

14.12.2016

Carolina Maciel de França

Carolina Maciel de França is sinds 2007 actief in 
het Vlaamse podiumveld en was onder meer artistiek medewerkster bij ARSENAAL/LAZARUS. Ze schrijft, adviseert en creëert.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!