Mark Willems, Simone Moesen, Jan Lauwers, Linda Gaethofs en Erick Clauwens – “De Struiskogel” – (Epigonenteater u zlv)

Leestijd 10 — 13 minuten

Jan Lauwers: “Als àlles Dallas wordt, spring ik door het venster”

Epigonenteater af; Need Company op

Epigonenteater zlv heft zichzelf op. Een aantal leden ervan bereidt al een ander project voor. Marianne Van Kerkhoven vroeg Jan Lauwers en Simone Moesen naar hun inzichten.

Het gebeurt niet vaak dat een groep uit eigen beweging beslist een punt te zetten achter haar bestaan, en wel op een moment dat haar internationale carrière nog volop aan diepgang wint. Radeis deed dat en eind 1986 houdt een andere groep uit het Schaamtehuis, nl. Epigonentheater zlv, op te bestaan (Zlv staat voor “zonder leiding van”).

Terwijl ze hun laatste tourneevoorstellingen afwerkten (Stockholm, Hannover, Milaan, Firenze en diverse steden in Frankrijk), werd er echter al gerepeteerd aan een nieuw project, Need to know, waarin we een aantal van de Epigonenleden opnieuw samen aantreffen en dat – in een produktie van Mickery en Schaamte, in co-produktie met Ancienne Belgique-Brussel en Centre d’Action Culturelle-Douai – in maart 1987 in Amsterdam in première zal gaan. Dit keer wel “onder leiding van”: Epigonen-stichter Jan Lauwers die bij de produktie Incident reeds als “conceptontwerper” optrad, functioneert bij deze nieuwe voorstelling als regisseur. Epigonenteater heft zichzelf dus op maar geeft meteen ook gestalte aan een nieuwe groep, de “Need Company”.

Ondanks zijn naam, neemt het Epigonenteater binnen de Vlaamse context een aparte, met niemand te vergelijken plaats in: een niet-catalogeerbaarheid waarmee men in eigen land vaak geen weg wist. Algemeen kan men immers stellen dat de reacties van pers en publiek in het buitenland positiever zijn geweest dan bij ons. In juni 1986 b.v. kaapten de Epigonen op het Canadese festival, la Quinzaine Internationale de Théâtre de Québec, twee prijzen weg: die voor de creativiteit voor de gehele groep en die van de beste vrouwelijke vertolking, voor Simone Moesen.

Reeds gewond en het is niet eens oorlog (1981), (cfr Etcetera 1), dE demonstratie (1983) (cfr Etcetera 3), De Struiskogel (1984) (cfr Etcetera 6), de Achtergrond van een verhaal (Theaterpromenade, Antwerpen, 1984), Incident (1985) en daarbij nog een reeks straatanimaties: het begin van een oeuvre.

De samenstelling van de groep Epigonenteater wisselde vaak van produktie tot produktie; in Reeds gewond stonden zes performers op de scène; in dE demonstratie speelden veertien acteurs en muzikanten mee; bij Incident waren het er nog vier. Toch keren enkele namen steeds weer: naast Jan Lauwers hebben Erick Clauwens (acteur), André Pichal (componist) en Simone Moesen (actrice-zangeres) alles van het begin tot het einde meegemaakt; we vinden hen ook terug in Need to know, evenals Afra Waldhör, het Zweedse meisje, dat op zo’n imponerende wijze vorm gaf aan de geestig-schrijnende beginscène van Incident. Acteur Mark Willems, ten slotte, werkte mee van dE demonstratie tot Incident en stapt er nu even uit om scenografie te gaan studeren.

Over het werk van Epigonenteater, over de opheffing en over wat daarna komt, hadden we een gesprek met Jan Lauwers en Simone Moesen.

Stoppen

Waarom stoppen jullie eigenlijk?

Jan Lauwers: “Daar zijn twee redenen voor. Enerzijds is er het reële gevaar om snel in herhaling te vervallen. Vanaf het begin had ik voor mezelf een tijdslimiet voorop gezet: vijf jaar werken en dan stoppen; nu zijn het er zes. Oud worden in het theater is gevaarlijk. Er zijn immers maar heel weinig mensen die in hun zelfkritiek heel diep durven gaan; dat wij daar wél in slaagden, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat niemand van ons beroepshalve met theater begonnen is. Niemand heeft een theateropleiding gehad, wat niet wegneemt dat wij dit werk heel ernstig benaderen. De tweede reden is de belangrijkste. Wij zijn begonnen als een collectief. Vele mensen die De Struiskogel of Incident zagen, vroegen zich af hoe het mogelijk was zoiets op collectieve manier te maken. In die vijf jaar is de situatie echter wel geëvolueerd; enkele mensen ontwikkelden een meer bepalende inbreng dan anderen. Ik heb de motor op gang gebracht en dat vijf jaar lang kunnen volhouden dank zij of door Simone. Het zou een vals beeld scheppen indien we stellen dat de inbreng van iedereen, historisch gezien, altijd even groot is geweest. Het collectief mag op den duur niet als paraplu gaan functioneren, nl. dat je je verantwoordelijkheid afschuift op de groep. Ik wil – wat reeds gedeeltelijk bij Incident gebeurde – nu veel meer zélf in handen nemen. Ik ben erdoor geobsedeerd om een zo perfect mogelijke voorstelling te realiseren, met een nieuwe sterke groep, waarmee ik één jaar wil werken om te zien, wat ik in die vijf jaar bereikt heb. Ik ben nl. nog altijd niet overtuigd dat theater wel mijn medium is en als ik morgen stop met regisseren, zal ik daar niet om wenen. Ik wil geen monumenten maken.”

Simone Moesen: “Ik had voor mezelf nooit een termijn bepaald. Alhoewel Jan door zijn plastische opleiding als vanzelfsprekend meer vormelijk bezig was dan ik, was er tussen ons toch steeds een intense en directe wisselwerking. Maar ik had het gevoel dat dit niet kon blijven duren: in zekere zin heb ik me telkens een beetje aangepast. In zo’n collectief proces geef je een deel van jezelf. De samenwerking met anderen leidde wel altijd tot een synthese, maar leverde ook altijd kleine frustraties op. Je leert veel van de anderen, maar je verliest ook een stuk van je identiteit: die verspreidt zich. De voorbije vijf jaar zijn een harde maar diepe ervaring geweest, maar nu wil ik een situatie creëren waarin ik de volledige verantwoordelijkheid heb over wat ik doe. Ik ben vooral met muziek en zang bezig. Eigenlijk werk ik stilletjes aan een opera, aan iets wat ik alleen wil doen, zonder de Epigonen. Aan Need to know wil ik één jaar meewerken en niet langer.”

De muziek voor Need to know wordt ondertussen geschreven door “huiscomponist” André Pichal. Deze zeer jonge solist van het Nationaal Orkest van België (hoorn), die ook optrad in Reeds gewond en dE demonstratie, is nu enkel bij het voorbereidende stadium van het werk betrokken, en dan nog los van het eigenlijke repetitieproces. Jan Lauwers beschrijft hem als een zeer bescheiden en zeer zuiver muzikant, die een heel goed componist kan worden, maar op dit moment (nog) niet kan kiezen tussen componeren en zijn solistenwerk. Jan Lauwers: “Hij wil ook graag Mahler spelen en zo”.

Overleven

Binnen het collectief was er tussen jullie beiden steeds een grote gelijklopendheid in intenties. Wat wilden jullie vooral kwijt in jullie produkties?

Simone Moesen: “Toen we begonnen, speelden we eigenlijk zoals kinderen dat op een zolder doen. Echt theater brengen interesseerde ons niet en zelfs het publiek – of er nu veel was of weinig – had voor ons weinig belang.”

Jan Lauwers: “Ik had vooral last met de achtergronden van mijn plastische opleiding. Ik was in de war door het werk van de conceptuelen. In dat medium viel er voor mij op dat moment niets meer te zeggen, maar toch wou ik voortdoen en daarbij heeft het werk van Arte Povera, van Kounellis en Beuys mij erg gestimuleerd. Vanuit dàt perspectief koos ik voor theater. Elke kunstdaad heeft een politieke betekenis. Primair in ons werk staat de idee van ‘overleven’, niet zozeer als kunstenaar maar als mens. Er is in onze maatschappij een enorme noodzaak om de dingen juist weer te geven. De mediocriteit, de afstomping, de business vieren hoogtij. Daarom schaam ik me niet om voor een elite te werken. Als àlles Dallas wordt, spring ik door het venster; maar tot zover zijn wij geen zwartkijkers; dat is onze kracht”.

Dan definieer je je werk voornamelijk als een culturele tegenkracht…

Jan Lauwers: “Door mijn plastische opleiding ben ik erin getraind om kunst in een historisch kader te plaatsen. Van de theatergeschiedenis weet ik dan weer zeer weinig, maar dat stoort me ook niet. In feite is theater voor mij een zeer beperkt medium: het staat een niveau lager dan schilderkunst en twee niveaus lager dan muziek.”

Simone Moesen: “… maar er staan wel échte levende wezens op de scène…”.

Jan Lauwers: “Dat is dan ook het boeiende aan theater. In feite geloof ik niet in regisseurs-theater: zonder acteurs doe je niks. Hoe meer iets groeit uit een groepswerk, hoe interessanter het is; ook al lijkt dit een contradictie met wat we eerder zegden over het collectief. Ik vind Incident b.v. een goede produktie omdat je daar vier mensen ziet tot op het bot. Die voorstelling heeft een hartslag waarin die overlevingsdrang tot uiting komt. Ook nu weer – als ik naar het repetitieproces van Need to know kijk – zie ik in dit constant samenzijn van de acteurs een intense interactie, een voortdurend gevecht met elkaar. Ik kan geen autoritair regisseur zijn, die zegt hoe het allemaal moet; soms weet ik het écht niet; ook al wil ik streven naar een perfecte voorstelling.”

Simone Moesen: “Theater boeit mij omdat het om levende wezens én om gevoelens gaat. Theater is concreet en pure gevoelens zijn abstract, maar die interesseren mij het meest. Het houdt me bezig welke gevoelens je nu precies aan je publiek doorgeeft. Je zoekt naar beelden die op indirecte wijze het vooropgestelde gevoel moeten overbrengen. Incident is voor mij een zuivere voorstelling (daarvóór hadden we vooral spelletjes gedaan), omdat we ons daarin tonen zoals we zijn. In die productie wou ik het vooral hebben over liefde en over de kwetsbaarheid van iemand die op een podium staat. Dat laatste was een gevaarlijk terrein: je wordt ten slotte zó kwetsbaar dat je niet meer op een podium kan staan, maar door de grond zakt. In De Struiskogel wou ik de mensen in de zaal een stomp in de maag verkopen; achteraf gezien is dat naïef: ook al sla je elkaar écht, voor de toeschouwer blijft dat toch ‘theater’.”

Wat is de essentie van wat jullie in Need to know willen vertellen?

Jan Lauwers: “De essentie van Need to know is dezelfde als die van Incident. Op een bepaalde manier tonen wij telkens weer hoe klein het arrogante Westen is. Door middel van een virtuoos resultaat willen wij een onzeker onderzoek weergeven. Het virtuoze resultaat is ‘weten (hoe) te leven’; het stuntelige onderzoek is ‘opbranden in het leven’. Er zijn mensen die zich compleet kunnen aanpassen aan alles, die van 9 tot 5 werken, perfect gelukkig, en compleet onbelangrijk zijn. En er zijn mensen die dat niét kunnen en even onbelangrijk zijn. Het gaat ons om dat verschil; wij willen geen structuren blootleggen, maatschappelijke visies tonen of een boodschap geven, wij willen laten zien hoe moeilijk het is om elke dag door te geraken. Nochtans ben ik geen pessimist: juist door het werk dat ik doe, voel ik me goed. Maar ik zou echt wel een moment willen bereiken waarop ik niks meer doe en me toch nog goed voel. Marx heeft ooit gezegd dat in een perfecte maatschappij geen kunst meer bestaat. Dat is juist. Kunst komt enkel voort uit spanningen. Precies in die spanning ligt het verschil tussen kunst en kitsch. Kunst stelt voortdurend vragen en geeft nooit antwoorden. Kunst = zichzelf onderzoeken. Dat is geen tautologie maar een noodzakelijkheid. De wetenschap, de filosofie, de psychologie enz.: hun vraagstelling lijkt vandaag achterhaald. Kunst heeft nooit dezelfde aandacht gekregen, maar vele kunstenaars weten héél goed waar het om gaat, precies omdat ze veel gevoelsmatiger werken. Wat mij bij de conceptuelen b.v. zo in de war bracht, was dat kunstcritici, filosofen en wetenschappers het welzijn van de kunst en haar publiek gingen bepalen.”

Acteren

Met Need to know maken jullie eigenlijk een voorstelling “in opdracht”…

Jan Lauwers: “De opdracht werd inderdaad gegeven door Ritsaert ten Cate van Mickery; het uitgangspunt is een film (die op een of andere manier in de voorstelling aanwezig zal zijn) gemaakt door Granada Television en vertoond op de BBC én in Nederland, waar het feuilleton (de film maakt deel uit van een reeks) zelfs zeer populair is. In feite gaat het om een rollenspel: rond een grote U-vormige tafel zitten 16 Amerikaanse mannen in nette pakken, allemaal figuren die in de periode van de Vietnamoorlog veel macht hadden. Generaal Haig is erbij en Schlesinger en Cordy van de C.I.A. Een Engels moderator vertelt hun een verhaal dat zich afspeelt in een Latijns-Amerikaanse staat: een directeur van een multinational werd daar gekidnapt en de terroristen vragen een losgeld van 10 miljoen dollar. Onder leiding van de moderator moeten de aanwezigen een oplossing zoeken voor dit fictief verhaal dat echter in al zijn aspecten zeer reëel is. Je ziet deze zelfverzekerde, machtsbewuste en van de maatschappelijke realiteit vervreemde mannen te keer gaan met verbaal geweld. Dit is een ‘stukje wereld’ en daarnaast willen wij iets anders plaatsen dat zeker niet narratief zal zijn.”

Simone Moesen: “Persoonlijk wil ik in Need to know een zeer grote ‘lichtheid van zijn’ tonen en daarbij een grote verbondenheid met de andere acteurs: iets dat boven de alledaagse omgang uitstijgt, een verbondenheid van een heel andere natuur, dan diegene die je voelt in de film. Tegenover hun opgeblazen pretentie: mensen die gewoon bezig zijn. Tegenover hun morbiede mentaliteit: de afwezigheid van wrangheid, ook al zal het publiek die wrangheid wellicht wel voelen. In tegenstelling tot de film ook zal de dominantie bij ons waarschijnlijk bij de vrouwen liggen; we werken nu met 4 vrouwen en 3 mannen, maar misschien verandert dat nog. Het zal een produktie worden die zich situeert tussen écht-zijn en heel erg ‘acteren’. Dat laatste was bij Incident b.v. onmogelijk; nu kan dat wel; nu zijn we daar ook aan toe. In Incident moest je er staan als jezelf. Ik wou b.v. die solo in bruidskleed doen. Op de repetities ging dat heel gemakkelijk: ik kon daar heel ver in gaan en veel uitproberen; maar het reproduceren daarvan, was – zoals steeds – een marteling. Ik heb dan beslist om die scène niet vast te leggen. Als ik kwetsbaarheid wou tonen, moest ik ook maar voor een publiek gaan staan zonder te weten wat ik ging doen. Ik zonk daarbij bijna door de grond, maar precies dàt wilde ik vasthouden: elke keer opnieuw vanuit dat fragiele aanvoelen van het publiek-van-de-avond beslissen wat je gaat doen. Dat was een grote stap; soms lukte het, soms ook niet. Maar je lijdt daar erg onder. Je moet tegelijkertijd sterk in je schoenen staan en je toch op onzekerheid concentreren: ik ben eraan gaan twijfelen of dat wel werkt voor het publiek. Nu wil ik het tegendeel uitproberen: écht acteren, d.w.z. op elk moment weten wat ik doe.”

Jan Lauwers: “Men spreekt in verband met Incident altijd over de fysieke kracht of de lichaamstraining, maar de geestelijke training vraagt véél méér energie. Simone b.v. kan je twee, drie uur voor die voorstelling niet aanspreken: zij moet van heel ver komen. In die produktie staan vier mensen op de scène die in feite niks om handen hebben, tenzij een paar stoelen; zij zijn bijgevolg wel verplicht te spelen op de top van hun intelligentie. Pas als je met die kracht en die kennis klassieke teksten, zoals b.v. een Shakespeare gaat vertolken, krijg je een goede voorstelling. Zo gaan we in Need to know reeds werken met fragmenten uit Antony and Cleopatra. Daarop doordenkend begrijp ik ook waarom ik de meeste dingen die ik op theater zie, zo slecht vind. Je kan niet iets spelen over liefde of relaties als je met dat medium niet heel ernstig naar de diepte toewerkt. De meeste voorstellingen raken mij niet; dat is een soort entertainment, opgebouwd uit ‘mooie’ beeldjes maar ze laten mij koud.”

Ondanks het feit dat jullie met een nieuwe groep starten, blijft er toch nog een band bestaan met de Schaamte-structuur…

Jan Lauwers: “De organisatie Schaamte en vooral het werk van Hugo De Greef daarin waren en zijn voor ons enorm belangrijk. Na Reeds gewond, had Hugo De Greef ons gevraagd om iets te maken voor het nachtprogramma van Kaaitheater 83: dat werd dE demonstratie. We hadden ons daarbij twee doelen gesteld: iets maken dat 1) zó groot was dat men er niet naast kon kijken: zoiets als het Paard van Troje en 2) dat een zodanige kwaliteit had, dat men in de pers zou zeggen: ‘Waarom staat dat ‘slechts’ in het nachtprogramma en niet in het officiële festival?’. We hebben die twee doelen bereikt. dE demonstratie betekende voor de groep meteen de overgang van anarchistische ‘warboel’ naar gedisciplineerde werking. Daarna – we hadden vaag iets over Schaamte gehoord – zijn we met Hugo De Greef gaan praten en daaruit is een bestendiging van de samenwerking gegroeid. Schaamte is een open structuur, die je nergens tot ‘institutionaliseren’ dwingt, integendeel. Dat komt overeen met mijn benadering van het werk, want: ik ben pas begonnen, maar misschien stop ik ook wel; dat lijkt mij een vruchtbaar gevoel om mee te werken.”

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 10 — 13 minuten

#16

15.01.1987

14.04.1987

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!