‘Jakov Bogolomov’ (De Tijd) Foto Keoon

Fred Six

Leestijd 4 — 7 minuten

Jakov Bogolomov

De Tijd, Antwerpen

Er zijn van die op het eerste gezicht onverwachte combinaties. Er is b.v. Maxim Gorki, die na de rel die de première van zijn Zomergasten in Petersburg teweegbracht aan zijn vrouw schrijft : ‘De première was de mooiste dag van mijn leven ! Nooit eerder heb ik (…) zo fundamenteel de zin van mijn leven aangevoeld.’ Er is ook Ivo van Hove, die in een interview zegt dat theater los van het leven staat, dat de scène het rijk van de verbeelding is. En dan is er die zelfde Van Hove die bij de Tijd als afscheidsgeschenk Jakov Bogolomov van Gorki regisseert.

Gorki schreef Jakov Bogolomov vlak voor de revolutie van 1917, maar het manuscript werd pas in de jaren ’40 gevonden. Het stuk bleef onvoltooid : van het vierde bedrijf is slechts de eerste scène geschreven. Concreet betekent dit dat het dramatisch incident, dat bij Gorki in het laatste bedrijf te verwachten valt, ontbreekt. Tegelijk hiermee wordt het verhaal -als dat er al is- ontdaan van zijn moralistisch en politiserend slotakkoord.

De groep ‘ontaarde’ bourgeois-intellectuelen, dat hier min of meer toevallig bijeen is op het Oekraïense buitenverblijf van Nikon Boekéjev, wordt dit keer dus niet tot definitieve keuzes gedwongen tegenover elkaar, noch tegenover het leven, noch tegenover de maatschappelijke en politieke realiteit. Het stuk wordt méér een open tranche de vie en toont mensen in hun doen en denken, zonder dat zij ertoe komen hun situatie wezenlijk te veranderen.

Dramaturg Klaas Tindemans noemt Jakov Bogolomov terecht een etude over de kwaal die liefde heet. Waarmee het hoofdmotief genoemd is, en meteen de openheid gecreëerd voor de regisseur om ‘zijn’ personages in te vullen, zonder zich ogenschijnlijk te veel om maatschappij-duidende imperatieven te bekommeren.

De rijke Nikon (Damiaan De Schrijver) is zijn leven lang op zoek naar dé vrouw maar mist de kracht en de inspiratie om zijn diepste verlangen te realiseren. Van zijn landgoed wil hij zogezegd een kuuroord maken; dan kan hij het desnoods duurder verkopen. Om naar water te boren trok hij ingenieur Bogolomov aan, maar in feite is het hem om diens vrouw Olga te doen. Hij is moe, lui en ongelukkig. De inhoud van zijn leven is verveling.

De lieden die hem omringen zijn in hetzelfde bed ziek. Oncle Jean (Johan Van Assche), gediplomeerd scepticus, beheerst het landgoed futloos. De geblakerde sportman Ladygin (Pierre Callens) koketteert met zijn lichaam en vindt het vanzelfsprekend dat de vrouw die hij begeert, ook van hem houdt. Zijn visie op de liefde is van een triviale simpelheid. En de wegebbende ingenieursweduwe (Rita Wouters) laat helemaal aan het einde koel horen dat ze misschien binnenkort op Jakov verliefd zal worden. Verliefd op Jakov is ook Nikons nichtje Vera (Els Olaerts), dat nog onschuldig genoeg is om eerlijke meisjestranen te huilen.

En middenin staan Jakov en Olga. Jakov (Dirk Buysse) is een naïeve idealist, een spraakwaterval. Het lijkt wel of hij op zijn wolk participeert aan een kosmisch bewustzijn, waarin de liefde voor de mens centraal staat. Hij gelooft in de mens als historische persoonlijkheid die zich inzet voor de toekomst. Arbeid adelt, de vrouw is de as in het leven, liefde is creativiteit… Alleen slaagt deze ‘predikant’ er niet in om een en ander in daden om te zetten. Zijn rusteloze Olga (Mieke De Groote) is onvoldaan; voor haar beantwoordt echte liefde aan een directe en actieve levensnood. Samen met Vera lijkt ze de enige die in haar streven kwetsbaar is. Ten slotte lijken ze elkaar teruggevonden te hebben. Maar in feite laat zij zich weer door zijn woorden vangen en blijft hij op zijn wolk zitten. De anderen kijken met lede ogen toe. Ze hebben niets bereikt.

Gorki trekt geen enkele dramatische spanningsboog. In deze uitgebluste wereld van leegloperij, waar men in het beste geval lauw achter zijn passies aandraaft, heeft de auteur bovendien de verschillende ‘standpunten’ vrij oppervlakkig behandeld en de symboliek heel doorzichtig gemaakt. Tijdens de voorstelling heb je het gevoel dat er boven de hoofden van de personages een discours hangt waar ze niet echt aan deelnemen. De oorzaak ligt niet enkel bij de auteur. De personages, zoals we ze te zien krijgen, blijven te dicht als ééndimensionele typetjes aan het manuscript plakken. Ze missen in hun spel over het algemeen een diepteprofiel, wat het stuk wellicht boeiender had kunnen maken. Te meer daar Van Hove zijn personages meer dan ooit in close-up neemt. Dat houdt verband met het decorconcept van Jan Versweyveld.

Uitwijkmogelijkheden in de vorm van voorbijzwiepende acteursformaties, zoals in Zomergasten van Blauwe Maandag Compagnie, zitten er niet in. De hoge trappenconstructie, gecamoufleerd achter muurtjes, plaatst de acteurs in een vrij statisch spelbeeld. Ze dalen of stijgen, traag zigzaggend en omslachtig. Ze verbergen zich achter de muurtjes, proberen er moeizaam bovenop te liggen of gaan erop zitten. Symbolisch kan men in het decor natuurlijk een soort niemandsland zien, een plaats waar niemand thuis is, een passage, toeristen aan dek. Met de twee uitstekende cypreskruinen en de hier en daar verspreide stenen bollen suggereert het ook wel een surrealistisch tuinterras. Of het puin ervan ? Maar hiermee wordt de nachtmerrie, waarop in het programmablaadje gezinspeeld wordt, zeker niet ingevuld.

Het decor lijkt het gevolg te zijn van een dramaturgische onmacht om de materie klaar gestalte te geven. Als totaalbeeld functioneert het niet omdat het de voorstelling niet richt. Het fixeert enkel de acteurs en vraagt dus om een sterke acteursregie. En die ontbreekt. Aan oppervlakkige beelden van een tanende Russische klasse anno 1916 heeft de toeschouwer vandaag geen boodschap. Wel aan een sprankelende doorlichting van menselijke verhoudingen. Zo heeft Van Hove het ook gewild. Maar het vingerspel in deze etude is nogal stram, soms ook nonchalant. De voorstelling blijft haperen in een wazig dwepen met allerlei confrontatie-momenten zonder acteerreliëf. Ik heb b.v. niet het cynisch plezier beleefd dat achter het beeld van dit samentroepen schuilgaat.

Net als de personages lijken ook sommige acteurs in deze voorstelling over weinig veerkracht te beschikken. Enkel Damiaan De Schrijver en af en toe Dirk Buyse en Johan Van Assche geven in hun vertolking geraffineerde doorkijkmomenten weg. Dan geniet je even van ironische reflexen, of van het uitvergroten van absurdistische trekjes. Dan merk je iets van de vaudeville die deze lanterfanters ook hadden kunnen opvoeren. Maar in haar geheel bekent de voorstelling niet echt kleur. Ze loenst je aan en hoopt wellicht op enige vertedering. Bij momenten echter heb je de indruk dat je op weinig relevante clichés zit te kijken. Of zouden er de laatste tijd toch te veel Russische klassieken gespeeld zijn ?

Gezelschap : De Tijd;

tekst : Maxim Gorki;

regie : Ivo Van Hove;

dramaturgie : Klaas Tindemans;

decor en licht: Jan Versweyveld;

kostuums : Tessa Lute;

spelers : Dirk Buyse, Mieke De Groote, Rita Wouters, Johan Van Assche, Damiaan De Schrijver, Pierre Callens, Els Olaerts.

Gezien op 6 april 1990 in DeSingel, Antwerpen.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Fred Six

recensie