Jan Versweyveld

Jesse Vanhoeck

Leestijd 4 — 7 minuten

Ivo van Hove : The Fountainhead

De roep klinkt steeds luider: we hebben behoefte aan een nieuw grondplan voor onze samenleving. Aan een nieuw model waarnaar we ons als individu kunnen gedragen in die heksenketel. Met Danton’s dood, in een regie van Johan Simons, deed Toneelgroep Amsterdam al een eerste poging om de spanning tussen individu en maatschappij te ensceneren, door terug te grijpen naar de Franse Revolutie. Ivo van Hove benadert dit vraagstuk nu via een meer hedendaagse bron. Tenminste, als je nog van een vraagstuk kan spreken. Voor Ayn Rand, schrijfster van The Fountainhead was het immers geen vraag, maar een stellige zekerheid: individualisme is het middel en het doel.

Alissa Zinovievna Rosenbaum, geboren in St. Petersburg in 1905, ontwikkelt met de Russische revolutie in haar achtertuin al vroeg een eigen levensfilosofie. Ze verruilt haar geboortenaam voor het pseudoniem Ayn Rand en het communistische Rusland voor het kapitalisme en de hoogbouw van de Verenigde Staten. Rands filosofie, die zij ‘objectivisme’ noemt, gaat volledig uit van de kracht en de potentie van het individu en druist in tegen het ideaal van een gemeenschap of een religie.

The Fountainhead (1943) is doordrongen van Rands visie. Het is een fusie van fictie en filosofie, en hoofdpersonage Howard Roarkisde verpersoonlijking van haar gedachtengoed. Voor Roark, een modernistische architect die de wereld wil scheppen naar zijn persoonlijk en artistiek ideaal, staat het sluiten van een compromis gelijk aan vernietiging. Het is alles of niets voor hem. Achter deze meedogenloosheid schuilt echter een onstuitbaar verlangen om een mooiere wereld te creëren, waarin alles draait om functionaliteit. In zijn ontwerpen noch zijn karakter is er plaats voor frivoliteit.

Heel anders is zijn studiegenoot Peter Keating, wiens idee van schoonheid gelijkloopt met dat van de hoogste bieder. Hij verkoopt zijn ziel en zijn vrouw om opdrachten binnen te halen. Tegenpolen Howard en Peter worden verder geflankeerd door een schare interessante personages die Rands filosofie uitdagen en toetsen. Zo is er journalist Ellsworth Toohey die fulmineert over altruïsme, maar achter de schermen een vuil machtsspel speelt. Of de femme fatale uit het stuk, Dominique Francon, die teleurgesteld is in de mens en zo wel te vinden blijkt voor de egocentrische visie van Roark. De twee sleuren elkaar mee in een minutieus opgezette, maar zeer destructieve liefde omdat geen van beiden zich afhankelijk wil en kan maken van de ander. Er is ook de mediamagnaat Gail Wynand – in het stuk pas na de pauze geïntroduceerd – net als Roark onverzettelijk en hoogst individualistisch in zijn handelen. Maar waar Roark het te doen is om het bewaren van integriteit, gaat het bij Wynand over macht. De twee vinden elkaar op het gelijkaardige pad naar het o zo verschillende doel.

Ivo van Hove weet natuurlijk als de beste hoe je gelaagde personages moet opvoeren. Rand helpt hem hier nochtans niet bij. Haar personages zijn verbeeldingen van ideeën, eerder dan mensen. Toch weet Van Hove het zo te componeren dat hij, zonder afbreuk te doen aan de rechtlijnigheid van Rand, een gelaagdheid in het stuk krijgt. Door een goede opbouw en ruimte voor verschillende standpunten ontstaat een veelzijdig discours. Bovendien maakt hij van Roark geen held. De moeilijk kijkende jongeman, sterk neergezet door Toneelgroep Amsterdam nieuweling Ramsy Nasr, doet niet in het minste moeite om zijn opdrachtgevers, en meer nog zijn publiek, te behagen. Hij is koel en afstandelijk. Een attitude die wel meer personages zich aanmeten, of het nu is om een wereldimperium recht te houden, een zoon op te voeden, zich van macht te voorzien of zich uit puur altruïsme weg te cijferen. De enige wankele factor is Peter Keating (Aus Greidanus jr.), die de registers van het emotionele spel al wel eens opentrekt. Verder blijft het erg clean en verlangt het, zeker halverwege het tweede deel, een grote inspanning van het publiek om mee te gaan met de voorbijrazende trein van standpunten en ideeën.

Enige afstandelijkheid wordt ook gevoed door het decor, een open werkruimte waar zelfs het daglicht een rol krijgt. Ze is fel verlicht, met elke kabel zichtbaar en de technici als onderdeel van de setting. Ontwerper Jan Versweyveld noemt het dan ook een ideeënruimte, een plek waar de acteurs, de muzikanten van het ensemble Bl!ndman en de technici het stuk en de bijbehorende ideeën daarover creëren. Toch zit de afstand niet in de weg. Hij zorgt, met het gevaar Brechtiaans te klinken, voor ruimte voor reflectie, en dat werkt door in de hele voorstelling. De tegenstellingen zitten verpakt in een strakke vorm. Spel en decor zijn sober zonder soberheid, de videobeelden zijn intiem en onaanraakbaar tegelijkertijd. Er is dus afstand en betrokkenheid. De modernistische architectuur wordt uitgekleed op het toneel. Het is een goed in elkaar gestoken bouwwerk, zonder dat het ergens uit de band springt.

Maar waarom The Fountainhead? De hoogdagen van het individualisme lijken voorbij. We delen onze auto, avondeten, grasmaaier en moestuin. Sharing is caring. Het burgerinitiatief scheert hoge toppen. Toch is het een prangende vraag hoe het verder moet met een samenleving waarin democratie en solidariteit steeds meer wankelen. Ook ons nobel altruïsme komt vanuit een hoogst individueel verlangen om integer te zijn en ons ‘ik’ te legitimeren. In die zin hebben we wel wat gemeen met Roark. Alleen doen wij wél concessies, en veel. Omdat we willen participeren aan diezelfde samenleving die we soms verachten. Johan Simons bracht samen met Adelheid Roosen een menigte wijkbewoners op het toneel die je niet vaak in  theaterzalen ziet en raakte zo een gevoelige snaar. Ivo van Hove spreekt ons intellect aan en laat ons op soms ontstellende wijze nadenken over identiteit en idealisme, en de verhoudingen daartussen.

Gezien te Amsterdam op 15 juni 2014, speelt nog de hele maand juli in binnen- en buitenland, o.m. op het Festival d’Avignon, zie hiervoor http://www.tga.nl/

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Jesse Vanhoeck

recensie