Pieter T’Jonck

Leestijd 5 — 8 minuten

Ivo Dimchev – Operville

Het machientje van de opera

Een stuk dat Operville heet, dat moet wel over opera gaan. Maar de ‘Wild West’ klinkt er ook in na. Het lijkt op een toponiem als ‘Nuggetville’, zo’n inderhaast tijdens de goldrush opgetrokken stadje, dat al lang tot een spookstad vervallen is. Een plek waar alleen toeristen nog komen, een plek van verwarde en vooral vervlogen dromen. Op die ene zonderling na die nog steeds hoopt en gelooft dat hij er een goudader zal aanboren. De gelijknamige voorstelling van Ivo Dimchev is zo’n plek. Alles is er nog, maar het spookt er.

Er is geen beginnen aan om Operville te beschrijven. Er is namelijk geen logica of verhaal, er zijn alleen drie performers-zangers en de situaties die zich tussen hen ontwikkelen binnen het strak afgebakend rechthoekig lichtveld dat de performers zelden of nooit verlaten.  Duidelijk is alleen dat Dimchev de outsider is in de gebeurtenissen. Hij betreedt het speelveld pas als de twee anderen er al hun plaats ingenomen hebben. Nickolay Voynov, in een sportief jasje, drentelt eerst  het podium op en zet zich rustig neer, de benen schuinweg onder hem. IJle elektrische gitaarklanken weerklinken. Hij strijkt met zijn hand over zijn keel, op de manier waarop je dieren iets laat inslikken. Meteen daarna verschijnt Plamena Girginova, een slanke vrouw met rood haar en een lang rood kleed met een opvallende split. Zij blijft aan de linkerkant van het podium stilstaan en begint ook haar keel te masseren.

Als de ijle gitaarklanken abrupt plaats maken voor een vrolijk, eindeloos repeterend kermisdeuntje op synthesizer verschijnt plots een tweede man, Dimchev zelf. Niet alleen die muziek, maar ook zijn warrige lange haren, duidelijk een pruik, en verfomfaaid jasje maken van hem meteen een soort clown. Hij past hier niet. Dat clowneske zit ook in zijn gang. Anders dan de anderen staart deze man rond, en lijkt verwonderd over wat hij ziet, alsof hij nooit eerder een podium betrad. Daardoor stapt hij ook onregelmatig. Hij ziet er ook daardoor wat lachwekkend uit. Maar hij zet zich wel neer naast Voynov, en begint net zo zijn keel te masseren. Even abrupt als het begon stopt het kermisdeuntje net dan. Dat is voor de anderen het signaal om uit te barsten in atonaal gezang. Dimchev daarentegen komt op zijn knieën overeind, gesticuleert heftig en brengt met een kwakende stem onbegrijpelijke klanken uit. Hij wil duidelijk iets kwijt aan de anderen, maar die zingen onverstoorbaar door. Naarmate hij zich meer opwindt lijkt hij minder een clown dan een gek die zich niet kan beheersen of gedragen.

Dat gevoel wordt uitvergroot en versterkt door een tekst die vanaf het begin op de achterwand voorbij rolt. Korte zinnen die lijken op een inwendige monoloog. Over elkaar tuimelende, onrustige gedachten van iemand die zich doelloos op weg begeeft en daarbij overvallen wordt door angst en agressie. Je wijst die woorden onwillekeurig aan Dimchev toe, al liep de tekst al voor hij verscheen. De tekst brengt een eigenaardige suspense in de voorstelling binnen. De stem die hier aan het woord is lijkt namelijk een wandelende tijdbom – al ontploft die hier nooit. Maar dat weet je nog niet.

Ondertussen – de voorstelling is dan nog maar een paar minuten bezig, beginnen ook de twee zangers zich steeds vreemder te gedragen. Voynov kruimt op handen en voeten naar voren, Girginova gaat naast hem staan, heft haar arm omhoog en begint plots iets als Japans uit te brengen. Ook dat valt dus niet te volgen. Zo weet je ook niet waarom ze Voynov zacht aanstoot met haar hand. Het wordt nog gekker als de nu wild kelende Dimchev over Voynov heen gaat hangen terwijl Girginova op een harde beat zwaait met armen en heupen. Op de kortst mogelijke tijd verschenen hier dus ‘personages’ die voortdurend van gedrag en zangstijl wisselen, en op zijn minst vreemd op elkaar reageren. Dat blijft het stramien van de voorstelling. De ongerijmdheden blijven elkaar in hoog tempo opvolgen.

Muzikaal gaat het van dramatische dreunen op de piano over muziek van Chopin tot koeiengeloei of rapmuziek op zijn Russich of Bulgaars. Je ziet alle hoeken van de kamer.  Tussen de drie performers ontwikkelen zich ook steeds andere verhoudingen. Daarbij is het niet langer altijd Dimchev tegen de rest. Hij omhelst de anderen ook. Op het einde klampen Girginova en Voynov zich samen vast aan Dimchev. Maar het gaat er vaak toch heel brutaal aan toe. Ver voorbij de helft van de voorstelling rukt Dimchev de pruik van zijn hoofd en begint ermee te jongleren terwijl hij kreetjes uitstoot als een verrukte kleuter. Waarna hij een in elkaar gedoken Voynov als kapstok voor de pruik gebruikt. Die zet daarop een ritmisch-monotoon ‘What the fuck, what the fuck, what the fuck’ in, als een vocale ritmesectie waar Dimchev dankbaar gebruik van maakt voor een falset-improvisatie.

Al valt er zo geen touw vast te knopen aan de gebeurtenissen, je blijft wel kijken. Het is als kijken naar zeepbellen blazen, naar de kleuren en vormen die een ringetje en wat zeepwater voortbrengen. Dat esthetische genoegen is echter vermengd met een baldadiger plezier. Je merkt hoe gemakkelijk een opera ontstaat, hoe weinig er nodig is om meteen een quasi compleet kader te schetsen om gebeurtenissen te vatten. Hoe weinig er ook nodig is om dat kader ook weer overboord te gooien. Hoe futiel het dus allemaal is.

Operville haalt inderdaad de operamachine uit elkaar met de koppige nieuwsgierigheid van een kind dat niet enkel wil weten wat een speeltje kan, maar vooral hoe je het uit elkaar kan halen. Daarna flanst het dat weer in elkaar, zonder veel respect voor de oorspronkelijke toestand. Rare zinnetjes op de achtergrond ondersteunen dat gevoel: It’s an ugly, weird paradise / Somewhere on the border / I’m imprisoned here / they say it’s a science / but it looks like a fucking theatre. / When I came nobody was there. / No theatre, nothing./ Only my idea of what the stage or the city should look like.’

Het einde lijkt alles echter toch weer samen te pakken. Girginova en Voynov zetten zich neer op de grond voor Dimchev, als kinderen die zich vol verwachting rond een verteller scharen. Dimchev kijkt ze aan, en maakt dan een klein, snel gebaar met zijn hand, alsof hij een pluimpje naar hen toe wierp. Zij beantwoorden dat gebaar op precies dezelfde manier, en voegen er een zucht aan toe. Het is alsof de klanken en zuchten die ze bij het begin van het stuk nog hardhandig uit hun keel wilden masseren pas nu zachtjes en gewillig opborrelen en naar buiten komen. Zo gaat het een paar keer over en weer. Het spelletje wordt altijd maar preciezer, met kleine variaties. Die wat wufte, of half achteloze gebaartjes verraden zo een verkapte, maar sterke affectie.

Pas dan merkt Dimchev de tekst op die nog steeds op de achtergrond loopt. Hij gaat er voor staan, leest half luidop, en gromt er wat bij. ‘There is so much silence in your eyes. / But I still trust you. / I feel that I’m learning from your sickness. / So I will stay around. / I will support this party as much as I can. / Misery is my desire. / External evolution is a total waste. / For the sake of time we eat hate. / I know what can save the country. / I mean nothing visible. / There are more important things to do than save a country… / Well, you are right, Hypothetically. / This sentence is a dead sentence. / When you are not, I’m not neither. / And all that is left is the silent agony of a dying wind.

Hij keert zich om naar het publiek, wijst naar de tekst en naar zichzelf, met hulpeloze armgebaren, een beetje beduusd. Hij wendt zich nog even tot zijn medespelers en wisselt nog een paar laatste handjes uit.

In die laatste woorden komt het hele stuk op een versluierde manier toch tot een conclusie. Er valt geen laatste woord te zeggen, maar er valt misschien toch iets uit te wisselen, we zitten niet helemaal gevangen in ons hoofd of in de rare vormen en betekenissen die een genre als opera als vanzelf, ook zonder ons produceert.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#146

15.09.2016

14.12.2016

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!