Leo de Haes

Leestijd 8 — 11 minuten

Intellectuelen tegen de elitecultuur, één front?

Cultuurpopulisme

Walter van den Broeck – Belgisch briefschrijver par excellence – en Gust de Meyer namen onlangs allebei het culturele landschap in Vlaanderen onder de loep en publiceerden er een pamflet over. Wat voor recensenten Leo de Haes en Stefaan de Ruyck dan weer een aanleiding was om op hun beurt in de pen te klimmen.

‘Elitecultuur deugt niet’, beweren Walter van den Broeck en Gust de Meyer in hun respectieve pamfletten Op gelijke voet en Manifest van een cultuurpopulist. Die mening op zich verbaast niet, het is goedkope, modieuze borrelpraat. Verbazingwekkender is dat de marxist Van den Broeck het gloeiend eens is met een zelfverklaarde populist. Alhoewel, ze hebben veel gemeen. Beiden, hoewel door niets of niemand gemandateerd, voelen zich geroepen de vox populi te verwoorden en te vertegenwoordigen. Het verleidt Gust de Meyer zelfs tot de onzin-norm ‘De gewone man is de maat van alle dingen.’ Waarom is Chateau Petrus minderwaardig ten opzichte van Stella of Heineken? Omdat een meerderheid bier drinkt. Democratisering als fetisj en misverstand. Ik kom daar later op terug.

Beide auteurs zitten met een stevig ei en dat moet er dringend uit. Daar is niks op tegen. Verontwaardiging, broodnijd of woede zijn best valabele aandriften, ze hebben al vaak tot schitterende dingen geïnspireerd, helaas kan ongenoegen ook tot over-stretching van de grijze hersencellen leiden en dat gebeurt bij Van den Broeck en De Meyer. Beiden overschreeuwen zichzelf geregeld, slaan een halve of hele scheldtoon aan en lijken elkaar wel te beconcurreren in onelegante kreten – het aantal uitroeptekens is niet te tellen. Eén voorbeeld, uit het boek van Van den Broeck: ‘Sommigen blijven tegen beter weten in hardnekkig herhalen dat kunst “er niet voor iedereen is” of “dat elke artistieke discipline altijd een aangelegenheid van een minderheid is geweest, en het een illusie en zelfs een uiting van demagogie is vandaag te beweren dat kunst er voor iedereen kan zijn.” Van demagogie, van aperte intellectuele oneerlijkheid gesproken! Kunst is door de eeuwen heen een zaak van en voor het hele volk geweest.’ Van den Broeck kent zijn (kunst)geschiedenis niet. Als Isabella d’Este een portret van haarzelf bestelde bij Michelangelo of paus Julius II de pauselijke vertrekken in Rome met fresco’s liet beschilderen door Raphael, dan was dat niet voor het plebs bedoeld, maar puur voor de eigen status. Het volk moest tevreden zijn met Madonna’s con bambino, seriewerk uit de kunstateliers. Ook Mozart componeerde in de achttiende eeuw niet voor het gajes, maar voor het vermaak van hovelingen, aristocraten en de rijkere standen, voor de ‘Nobility and Gentry‘, zoals in die dagen voor Mozart-concerten werd geadverteerd. Joseph Haydn was als kunstenaar zelfs een soort lijfeigene van de Esterhazy’s. En dan zwijg ik nog over alle schrijvers die niet in de volkstaal schreven -gesteld dat het volk al kon lezen. En zo zijn er duizenden voorbeelden te geven.

Om de auteurs een koekje van eigen deeg te bakken: echt demagogisch is het wellustig maar onproblematisch gebruik van het woord ‘elitekunst’. Immers, het eerste lid in dit containerbegrip is zonder verdere specificatie nagenoeg betekenisloos geworden, sinds er geen monolithische elite meer bestaat. Ze is uiteengevallen in diverse elites, die vaak weinig met elkaar te maken hebben. Er is de financiële elite, de artistieke, de politieke, de economische, de intellectuele, de religieuze, de militaire en noem maar op. Die versplintering van de ‘spraakmakende gemeente’ is uitgerekend een gevolg van de democratisering. Het is dus fundamenteel oneerlijk om in naam van de democratie voor de modale burger allerlei culturele eisen te stellen en verder doodgemoedereerd te doen alsof we nog in een gesloten autocratisch regime leven. Concreet: hoort een operaliefhebber tot de elite van onze maatschappij? Niet meer per se. Hij hoort vooral tot de kerngroep van mensen die van opera houdt, zoals je ook een harde kern van jazzliefhebbers hebt of van gregoriaans. Mijn vroegere bovenbuurman was een groot operafanaat. Hij werkte voor het tweede-kansonderwijs, verdiende dus geen vetpot en moest zich het brood uit de mond sparen om naar De Munt te gaan. Dat deed hij dan ook. Het omgekeerde geldt evenzeer. Het is niet omdat je bankier bent of politicus dat je hart warmer gaat kloppen voor Luc Tuymans of hedendaagse dans. Het kan, het mag, maar het is geen dwingend onderdeel (meer) van het hedendaagse statuspakket. Wat van een Armani-pak of een BMW niet kan gezegd worden. Vooral Van den Broeck gaat er vanuit dat de ‘machtselite’ nog altijd bepaalt wat kunstenaars mogen maken. Zolang kunst de bestaande verhoudingen niet in gevaar brengt, wordt ze geduld. Hij heeft er zelfs de term ‘vormen-kunst’ voor gesmeed (in tegenstelling tot kunst met inhoud). Ik citeer andermaal een licht pathetische passage: ‘Van de nieuwe Vlaamse economische elite mag er rustig gespeeld worden met vormen, zolang er maar geen nieuwe INHOUDEN ten tonele worden gevoerd, want dat is nu wel het laatste waar zij behoefte aan heeft: NIEUWE INHOUDEN. Die zouden mensen op ideeën kunnen brengen, stel je voor. En over die ideeën zou weleens gediscussieerd kunnen worden. Misschien zouden ze tot vergaderingen kunnen leiden, tot de oprichting van een of andere actiegroep, een nieuwe politieke partij die een nieuwe economische orde voorstelt.’ (kapitalen WvdB)

Van den Broeck hunkert blijkbaar naar een verzuild verleden met zijn censuur en artistieke catacombenstrijd. Hij smacht naar de tijd toen kunstenaars nog maatschappelijk aan de bomen konden schudden. Deze visie spoort perfect met zijn verzuchting ten tijde van de Salman Rushdie-affaire. Hij was jaloers op Rushdie omdat deze met De Duivelsverzen zoveel losmaakte. Ik begrijp best dat verlangen naar maatschappelijke invloed, maar zo werkt dat niet (langer) in een stabiele democratie. In onze soort samenleving stelt ieder voor zich zijn cultuurrantsoen samen. Dat gebeurt volledig buiten de druk van de machtscentra om. Het zal politici of captains of industry overigens een rotzorg zijn of een auteur een Brief aan Boudewijn schrijft en of Gerard Mortier met elke nieuwe opera de gevestigde orde wil omvergooien. Non-fictieboeken – hét medium van vandaag voor nieuwe ideeën – bewijzen dat. Neem No logo, het invloedrijke boek van Naomi Klein tegen de globalisering. Het is paradoxaal genoeg gepubliceerd door een van de meest geglobaliseerde uitgeversmultinationals ter wereld. En Klein kapittelt in haar bestseller bovendien haar eigen uitgever. Walter van den Broeck is wel erg wereldvreemd geworden.

Van den Broeck en De Meyer ergeren zich samen ook dood aan het feit dat ‘nieuw, nieuwer, nieuwst’ tegenwoordig de norm is geworden. Daar hebben ze natuurlijk gedeeltelijk gelijk in. Nieuw is op zich geen synoniem van kwaliteit. Maar het is evenmin synoniem van gebrek aan kwaliteit. Dat moet telkens weer voor elk nieuw product beoordeeld worden. Door hun veralgemeningen dreigen ze echter het kind met het badwater weg te gooien. Ze vinden elkaar ook in een gezamenlijke afwijzing van subsidie voor elitekunst. Ze schrijven daarover inhoudelijk nagenoeg hetzelfde: ‘De culture-len spreken over “kunst als vrijplaats”, waarmee bedoeld wordt: de overheid dient ons te subsidiëren en die hoeft zich verder niets aan te trekken van wat wij met die subsidies doen.’ (GdM) en ‘Nogal wat artiesten vinden dat de gemeenschap hen geld moet geven en verder geen vragen moet stellen. Waarom? Om ze hun eigen ding te laten doen.’ (WvdB) Hun pleidooien tegen subsidie lijken logisch, gezien hun standpunt dat elitekunst geen knip voor de neus waard is. Maar deze schrijvende spreekbuizen van de man in de straat vergeten het belangrijkste. Cultuursubsidie in een democratisch land wordt door de vertegenwoordigers van het volk bepaald -en niet door ‘de man in de straat’ zelf, dat zou pas een janboel worden. De betrokken minister laat zich daarin bijstaan door adviseurs en een commissie van deskundigen. Dat is zeker geen feilloos, maar wel een verantwoord systeem. Hoe groot de haat van kunstenaars tegen deskundigen ook moge zijn – kijk maar naar de onwaardige reacties van Delvoye of Thierry de Cordier op Frank vande Veires analyse in Yang van het wereldje van de beeldende kunsten – ze blijven wel deskundiger dan Jan met de Pet. Ik zou overigens niet graag zien dat de minister in zijn eentje beslist. (Om naar Mozarts tijd terug te keren: keizer Jozef II vond Salieri een veel betere componist, zodat hij die vaker promoveerde dan Mozart en hem ook meer betaalde). Natuurlijk, er valt vaak veel af te dingen op de keuzes en argumenten van adviseurs en commissies en dat gebeurt ook zeer openlijk. Dankzij die kritische functie en de mogelijkheid om beroep aan te tekenen wordt het beleid soms bijgestuurd. Voor mijn part: anderen en beteren, zowel wat kunstenaars als experts betreft, maar noch Van den Broeck noch De Meyer hebben een behoorlijk alternatief. Wat Van den Broeck wil is onduidelijk. Insiders hebben gesuggereerd dat hij meer (gesubsidieerd) werk van zichzelf op de planken wil; ik ben in dezen totaal onbevoegd. De Meyer zwaait met de kunstcheque en wil tegelijk (?) het geld van cultuur integraal naar de sociale sector overhevelen. En waarom niet naar justitie, denk je dan. Of naar de federale politie? Of naar het leger? Moet onze welvaartsstaat, die de zwakkeren beschermt, niet verdedigd worden? Hoe aandoenlijk politiek correct is deze criticaster van de political correctness. Soms vraag je je af of de auteurs in hun hart wel democraten zijn. Enigszins verbitterd sneert Van den Broeck, na herhaalde aanvallen op de overheid én op de vrije markt (waar hij nota bene als auteur van leeft): ‘De partij die zich in Vlaanderen openlijk tegen de vrije markt keert, behaalt 0,8 procent van de stemmen. Daar hoeft geen tekening bij.’ Inderdaad.

Pas in hun definitie van de kunst scheiden de geesten zich, en zeer radicaal. Voor Van den Broeck is de ware kunst (voor het volk) de provinciale kunst. Helaas, wat hij daar onder verstaat, sla me dood, ik krijg er geen hoogte van. Aangezien de auteur het bestaat om géén namen te noemen van belangrijke provinciale kunstenaars of kunstwerken verzeil je als lezer in een dikke mistbank. Op zeker moment geeft hij het -overigens onthullende – cijfer dat het amateurtoneel per seizoen 1.600.000 toeschouwers zou bereiken. Wil Van den Broeck dat al het voor theater bestemde overheidsgeld naar het amateurtoneel gaat? Vragen stellen is ze beantwoorden, heet het, maar in dit geval blijf ik het antwoord schuldig. De provincie houdt niet van ‘THEATER’ maar wel van ‘DRAMA’, luidt het. (kapitalen WvdB). Zou het? Precies de artificiële en tegelijk vage tegenstelling tussen de provincie (traagheid, vriendelijkheid, menselijke maat…) en de stad (mannelijkheid, geldzucht, bikkelharde concurrentie, jacht op succes en beroemdheid) maakt Op gelijke voet tot een warrig essay.

Nee, dan is De Meyer de helderheid zelve. De echte hedendaagse kunst is te vinden op het dagelijks tv-menu. Hoe commerciëler, hoe beter. Alleen de markt biedt de opperste kwaliteit, aldus De Meyer – hier begint Van den Broeck te knarsetanden. Het voyeuristisch tv-succes Big Brother noemt de communicatiewetenschapper (andermaal) een van de belangrijkste kunstwerken van de laatste jaren. Dat is natuurlijk kletskoek en dat weet hij ook wel, maar deze provocatie dient om soortgelijke voyeuristische kunstprojecten en eigenlijk de hele hedendaagse conceptuele kunst belachelijk te maken. Je kan hem geen ongelijk geven. Sterker, De Meyer werd recent vanuit een hele andere hoek, namelijk door filosoof Frank vande Veire, bijgevallen. Maar zelfs in deze terechte kritiek op de hedendaagse beeldende kunst, schopt de communicatiewetenschapper zichzelf met zijn kwantitatieve norm potsierlijk onderuit. Hét gruwelvoor-beeld is voor hem de drollenmachine van Delvoye. Laat dat nu uitgerekend een kunstwerk wezen waar de mensen in drommen naar toe getrokken zijn. De Meyer vindt dus iets slecht wat volks en commercieel is. Dat is in tegenspraak met alles wat hij beweert.

Volgens zijn eigen maatstaven heeft De Meyer overigens een waardeloze lor geschreven: zijn pamflet is niet voor de massa en ligt evenmin goed in de markt en het wordt, voor zover ik weet, evenmin tot tv-soap verpulpt. Maar een prul is zijn manifest nou net niet. Het is alleen jammer dat De Meyer te snel en te slordig te werk gaat, de problemen niet ver genoeg doordenkt en te wild om zich heen slaat. Want ondanks alles stelt hij in Manifest van een cultuurpopulist belangrijke vragen over hete hangijzers die het verdienen ernstig genomen te worden. Ik denk aan de methodologische fouten van sociologen zoals Mark Elchardus bij het onderzoek naar tv-gedrag en het middenveld, aan de door vele intellectuelen ontkende gemeenschapsvor-mende waarde van soaps of reality tv of aan de ronkende nietszeggende taal van de kunstkritiek en sommige kunstenaars en architecten – hij citeert daar prachtige staaltjes van. De Meyer zegt ook zinnige dingen over het zich voortdurend wijzigende middenveld (waar de ‘machtselite’ van Van den Broeck precies geen vat meer op krijgt, tot vreugde van iedereen, behalve van Van den Broeck, de beroepspolitici en de aan hen gelieerde sociologen), over cultuurparticipatie en culturele competentie, over betutteling en de eis tot sociale culturele mix à la Patrick Janssens. De Meyer bezit ook speciale voelsprieten voor de gevaarlijke hersenkronkels van politiek correcte auteurs. Mede daardoor wordt hij in recensies afgekat door zijn (geviseerde) collega-academici. Maar deze poging tot Kaltstellung mislukt telkens weer. Zijn invloed is ook veel groter dan in de pas lopende academici bereid zijn toe te geven. De Meyer schrijft al een eeuwigheid over onze zapcultuur. Dat is hem lange tijd kwalijk genomen en kijk, vorig jaar dook ‘de zapcultuur’ als een van de kernbegrippen op in Het cultureel regiem van Rudi Laermans. De Meyer, en hij niet alleen, steekt al langer dan vandaag de draak met de gesloten, arrogante, door goeroe Jan Hoet geknede beeldende kunstscène en haar opgepompte pretenties. Die kritiek werd telkens weer weggelachen, tot Frank vande Veire zeer recent een zelfde soort onbehagen over de kunstwereld op een rijtje zette. Je hoeft De Meyers ongegeneerde lofzang op de vrije markt niet zonder meer te pruimen om in te zien dat deze ‘cultuurpopulist’ meespeelt in en weegt op het vigerende cultuurdebat. Het wordt alleen zoetjesaan tijd dat hij zijn visie bedachtzamer en wetenschappelijk onderbouwd op papier zet.

Gust de Meyer, Manifest van een cultuurpopulist. Over de media, het middenveld en de cultuur van het volk, Acco, Leuven, 2003

Walter van den Broeck, Op gelijke voet. Brief aan cultureel Vlaanderen, Uitgeverij Van Halewyck, Leuven, 2003

Frank vande Veire, I Love Art, You love Art, We All Love Art, This is Love. Een pamflet over de kunstwereld, in Yang, 2.2003, juli

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

opinie
Leestijd 8 — 11 minuten

#88

15.09.2003

14.12.2003

Leo de Haes