CASTL – Abattoir Fermé & hetpaleis
Achter de façade
Jens Dewulf
© Reinout Hiel
Met INHALE DELIRIUM EXHALE vervolgt Miet Warlop haar zoektocht naar de vloeibaarheid van het leven, waarin metamorfose en (dus) verlies centraal staan. Ze kiest dit keer voor een materiaal dat als geen ander dit proces van ontplooiing tastbaar maakt: stof. Maar een zijdezachte voorstelling wordt DELIRIUM niet. Integendeel: het gevecht dat Warlop al haar hele oeuvre voert, wordt in alle hevigheid voortgezet.
De eerste scène leest als een ouverture, een samenvatting van (of een brug naar) alles wat vooraf ging. Op een kale bühne lopen twee performers synchroon naar voren, in een strakke verticale lijn, als mannequins. Ze zijn identiek gekleed in zwarte bomberjacks en hun gezichtsuitdrukking is uitgestreken, emotieloos. Uit hun mouwen steken witte gipsen handen. Warlop gebruikt dit zuivere maar kwetsbare materiaal al lang, van Dragging the Bone (2014) over Fruits of Labor (2016) tot het recente Chant for Hope (2023). De performers gaan tegenover elkaar op de knieën zitten en spelen een spelletje handjeklap – het tikken van de gipsen handen op elkaar wordt versterkt tot het geluid van lugubere inslagen, dof ontploffend in de doodstille zaal. De handen verbrokkelen en breken in het kinderspel, maar de performers gaan onverstoorbaar door, tot hun handen helemaal kapot zijn. Onschuld, breekbaarheid, wreedheid in één – welkom in het universum van Miet Warlop.
In dat universum leidt de machine de dans. Het kader waarbinnen de zes performers van DELIRIUM zich bewegen is een blinde choreografie van op- en neergaande trekken, neervallende en opdraaiende doeken, malende spoelen en windmachines. Met de moed der wanhoop gaat de mens het gevecht aan tegen deze machinale wereld – noem het God of lot – waarbij hij meermaals het risico loopt erdoor te worden opgeslokt, erin te verdwijnen of zelf zijn menselijkheid te verliezen.
Ook deze fantasie – het ensceneren van half-mensen, half-objecten – gaat al mee sinds Warlops vroege performances Springville (2009) of Mystery Magnet (2012). Lichamen werden daarin opgeblazen of liepen leeg. Gezichten, waar zich bij uitstek de menselijkheid situeert, werden nogal eens vervangen door objecten of statische beelden. In DELIRIUM wordt op een gegeven moment een spierwit wezen geboren uit een zwarte stof, met de voeten eerst. Elegante benen en een maagdelijk witte plooirok worden onderaan de zwarte massa zichtbaar. Hoofd en romp blijven in duisternis gehuld.
“Wanneer een enorm, hemelsblauw doek uit het grid naar beneden valt, worden daarachter gaandeweg de contouren zichtbaar van iets, een veelvormig wezen, dat zich met geweld naar voren tracht te bewegen. Het schopt en stuwt, als een enorme, razende baby die door de buik heen tracht te breken.”
In DELIRIUM is het steeds weer het doek dat de transformatie bewerkstelligt – een beetje zoals een goochelaar een doek gebruikt om zijn toverkunsten te onthullen. Wanneer een enorm, hemelsblauw doek uit het grid naar beneden valt, worden daarachter gaandeweg de contouren zichtbaar van iets, een veelvormig wezen, dat zich met geweld naar voren tracht te bewegen. Het schopt en stuwt, als een enorme, razende baby die door de buik heen tracht te breken, met een geweld dat we niet associëren met de vreugde van een geboorte – eerder met de ontzetting van Sigourney Weaver op het moment dat in Ridley Scotts Alien (1979) de alien uit haar buik komt gekropen. Uiteindelijk geeft het doek zich gewonnen. De zes performers worden zichtbaar, overmeesteren de wapperende stof die nu een razend dier buiten henzelf is geworden. Ze temmen het tot een kleine stapel nette plooien, met het potentieel om opnieuw ontplooid te worden.
Hier zit de centrale metafoor van INHALE DELIRIUM EXHALE: de plooi, het open- en ontplooien, zoals filosoof Gilles Deleuze dat omschreef in Le pli (1988): het lichaam en het universum moeten worden gezien als een oneindige opeenvolging van plooien of golven, die voortdurend in beweging zijn (daardoor geen houvast bieden) en op zichzelf ook steeds deel uitmaken van een groter geheel. Warlop lijkt die filosofie bijna letterlijk te hebben geënsceneerd in een choreografie van steeds meer onverwachts en explosief neervallende rollen doeken, die afrollen en oprollen, worden vastgezet en weer losgetrokken. De performers laten de stoffen soms door de ruimte zweven, weven er patronen mee tot in de publiekstribune toe, maken zo verbinding tussen de wereld op de bühne en die ervoor. De theaterruimte wordt een 3D-installatie, alsof we ons samen in een volumineuze sculptuur of een kleurrijke installatie bevinden. Aan de binnenkant van een abstract schilderij, zeg maar.
“De centrale metafoor is de plooi, het open- en ontplooien, zoals filosoof Gilles Deleuze dat omschreef: het lichaam en het universum moeten worden gezien als een oneindige opeenvolging van plooien of golven, die voortdurend in beweging zijn (daardoor geen houvast bieden) en op zichzelf ook steeds deel uitmaken van een groter geheel.”
De emotionele kern van DELIRIUM zit voor mij in de verhouding tussen de menselijke wezens (die meer weghebben van dieren) en de doeken (die meer weghebben van goden – ik blijf bij de witte en babyblauwe doeken denken aan de kleuren van Maria). Die machtsverhouding verschuift voortdurend. Soms lijken de performers even grip te hebben op de stoffen, op andere momenten worden ze er zelf (letterlijk) door ingewikkeld. Ze manipuleren en worden gemanipuleerd. Een performer rent naar voren van onder een enorm wit doek, schijnt iets te willen roepen, slaagt daar niet in – haar kreet gesmoord door de hand die ze voor haar mond slaat. Dan neemt het doek haar mee, ze wordt weggetoverd, van het ene moment op het andere.
Zo gaat dat in het leven: mensen zijn er, en dan zijn ze er niet meer. Alles in deze voorstelling valt ook letterlijk ‘uit de lucht’: doeken, spoelen, een paar schoenen. De stoffen worden even later met een harde knal afgeschoten van de rollen, de lucht in, als confetti slingers, als vuurwerk – prachtig, betoverend, maar gevaarlijk. Je ziet ‘het’ niet aankomen, het kan je zomaar raken, treffen, zoals de dood van een geliefde, zoals een onaangekondigd verlies.
“Alles in deze voorstelling valt ook letterlijk ‘uit de lucht’: doeken, spoelen, een paar schoenen. Je ziet ‘het’ niet aankomen, het kan je zomaar raken, treffen, zoals de dood van een geliefde, zoals een onaangekondigd verlies.”
De zes blijven dansen, vechten, een poging doen om de plooien van dat universum naar hun hand te zetten. Hun zwoegende lichamen (Milan Schudel, Emiel Vandenberghe, Margarida Ramalhete, Lara Chedraoui, Mattis Clement, Elias Demuynck) en de dwingende, stuwende soundtrack vergroten die strijd uit tot heroïsche dimensies. Alles in DELIRIUM heeft een grote urgentie en energie, alles is extreem – soms lijk je in een gewelddadige modeshow te zijn beland.
In het slotbeeld toont Warlop zich weliswaar (opnieuw) een volbloed romanticus, wanneer ze terugkeert naar de tedere, hybride figuren uit Springville. Uit de onpeilbare duisternis van een zwart gat/een zwarte doek laat ze vier stralende figuren ontstaan – half mens, half prisma. De kleurrijke doeken, samengenomen als een waterval, stromen door de lichamen heen. Wat een hoopvol beeld, na een voorstelling als een stomp in de maag – alweer.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.