© Vibe Stalpaert

Leestijd 8 — 11 minuten

In The Middle Of Nowhere – Kristien De Proost

Rammelen in en aan het midden

Kristien De Proost en Frederico Araujo gaan in In the Middle of Nowhere aan de slag met allerlei middens en gemiddelden. In het sterke eerste deel balanceert De Proost fysiek en taalkundig in het typische Westerse, door statistieken gedomineerde midden. Het tweede deel introduceert Araujo als stoorzender op dat midden. Paradoxaal genoeg zorgt net die ingreep ervoor dat het geheel wat begint te rammelen, al is dat misschien ook de opzet.

Het begin van In the Middle of Nowhere kan zo uit de vorige voorstelling Toestand (2013) van Kristien De Proost komen. De theatermaakster en actrice balanceert op één been op een roze, ronde verhoogje in het exacte middelpunt van de zaal. Die positie vond ze nadat ze met een laserafstandsmeter de ruimte nauwkeurig afmat. Daar staat ze, right in the middle, onderbouwd met cijfermatig bewijsmateriaal – een teller op de achterwand toont de afstanden. Wankelend in het midden steekt De Proost een monoloog af over wie ze is en waar ze vandaan komt. 

Het midden als onderwerp

Het midden is ook het middelpunt van haar aandacht. Ze is een ‘mid-career, middle class, middle sized, middle child’. Haar neus is het exacte midden van haar gezicht en ze kwam ter wereld precies in het midden van de twee benen van haar moeder, zei de midwife. Ze groeide op in een middle class house in het midden van de straat, in het midden van een dorp in Brabant, een provincie in het midden van België, een land in het midden van West-Europa, het midden van de wereld, of dat dacht ze toch. En dat denken wij nog altijd, zo zal blijken.

Ze verkondigt dat alles in het Engels, de taal van het midden, al schakelt ze erna over naar haar moedertaal. Een wiskundige uitweiding over haar geboortejaar 1972 en het daaropvolgende priemgetal 73, het 21ste in zijn soort die overigens altijd een midden hebben, eindigt met de palindroom 1001001, 73 in binaire code en, opnieuw, met een duidelijk midden, benadrukt op weldoordachte en ludieke wijze de insteek van haar betoog. Het zal gaan over ‘het middelpunt van de belangstelling, de doorsnee en de mediaan’, maar ook ‘de norm, het gemiddelde, de ‘meerderheid’ en de middelmaat’.

De Proost breidt geleidelijk aan haar persoonlijke perspectief uit naar de wereld om haar heen en neemt ons gezwind mee naar het geografische middelpunt van Vlaanderen (Opdorp), het midden van de aardkern (die onstabiel blijkt te zijn), het midden van de tijd (Greenwich), en het midden van de wereld (het monument ‘La Mitad del Mundo’ in Ecuador). 

Alles wat er over middens en gemiddelden te weten valt vuurt ze op ons af, soms confronterend (‘De gemiddelde mens leeft als hij moet kiezen liever zonder seks dan zonder smartphone’), dan weer totaal nutteloos (‘400 km per jaar: gemiddelde snelheid waarmee een dot Heinz tomatenketchup de fles verlaat’). Toch valt een gemeenschappelijke deler te onderscheiden in het amalgaam van al die middens: een typisch Westerse blik op de mens, samenleving, geschiedenis, tijd en ruimte.

Het midden als dramaturgische strategie

Wie met aandacht voorgaande las, merkt misschien op dat de quotes precies 14 woorden bevatten, het gemiddelde aantal woorden in een zin. Deze speelse opzet – een teller registreert de hoeveelheid woorden – zorgt voor spanning. Meestal slaagt De Proost in haar opzet. Maar meer dan eens moet ze door deze beperking vroegtijdig een zin afbreken. Op subtiele wijze wijst ze zo op wat ze (net) niet kan zeggen. Tegelijk signaleert een piep een ‘fout’, net zoals wanneer ze haar evenwicht verliest.

De duidelijk met veel métier in elkaar gestoken tekst toont hoezeer middens en gemiddelden het eerste deel van deze voorstelling bepalen. Behalve haar positie op het speelveld en het onderwerp, zetten midden, doorsnee en middelmaat ook in andere dramaturgische ingrepen de toon. De Proost brengt haar monoloog op gemiddelde toonhoogte en aan de gemiddelde snelheid van een doorsneegesprek en produceert daarbij het gemiddeld aantal decibels dat vrijkomt wanneer mensen spreken.

Bovendien bedraagt het omgevingsgeluid 50 decibel, de hoeveelheid die er volgens onderzoek voor zorgt dat je op je creatiefst presteert, en kleurt het licht in de zaal cosmic latté, de door wetenschappers vastgestelde gemiddelde lichtkleur in ons universum. De Proost draagt een grijze T-shirt, short en laarzen. Het is een stijlvolle outfit, maar doet onmiskenbaar denken aan een grijze muis die niet opvalt in de massa. 

Zelfs wanneer het statistische kanon van De Proost even stilvalt, schiet ze ons om de oren met middens. Ze beeldt, nog altijd balancerend op dat ene been, dieren uit. Een flamingo, aasgier, struisvogel, nijlpaard,… passeren de revue. Allen zijn het kuddedieren, meelopers die weinig individueel gedrag vertonen en om te overleven vooral in het midden van de massa vertoeven. De Proost zet alles in om het juiste midden te vinden. Dat ze daarbij de aanwezigheid van haar Braziliaanse medespeler Frederico Araujo in de marge mist, deert haar niet. 

De dubbelheid van het midden

Maar wat wil De Proost juist overbrengen met al haar gemiddelden en middens? Wil ze tonen dat meedoen met de meerderheid het leven makkelijker maakt? Dat het midden de veiligste plek is? Of wil ze een kritische noot plaatsen bij onze fascinatie voor Average Joe? Het antwoord ligt – had u anders verwacht? – in het midden. Of zoals ze zelf zegt: ‘In het midden ligt de waarheid, de waarheid ligt in het midden’. 

Want enerzijds zorgen haar vaak grappige statistieken voor een goed en haast veilig gevoel (‘De gemiddelde mens blijft ’s zomers nog 17 minuten in bed liggen na het ontwaken’). De statistieken stellen gerust. We zijn ‘normaal’, want ook anderen doen zus of denken zo. Trek deze gedachte door en je komt al snel uit op ‘meten is weten’. Of zoals De Proost Thomas Hobbes in het begin citeert: ‘redeneren is niets dan rekenen’. Of dat zeggen ze toch.

We worden voortdurend gemeten en gewogen, geanalyseerd en gecorrigeerd, geregistreerd en geregisseerd door al die statistieken die om onze oren vliegen.

Want anderzijds tonen de statistieken van De Proost hoe onze fascinatie – of eerder obsessie? – voor het gemiddelde leidt tot een bevestiging van conventionele ideeën en een bestendiging van het status quo. ‘Steeds meer mensen steeds minder verschillende Youtube-video’s bekijken’ en ‘mensen macht liefst in handen leggen van mensen die op hen lijken’, gaat ze verder. Statistieken dragen namelijk een normaliserende werking in zich. Ze tonen niet alleen wat ‘gemiddeld’ of ‘doorsnee’ is, maar schrijven tegelijk een norm voor hoe mensen zich moeten gedragen. We worden voortdurend gemeten en gewogen, geanalyseerd en gecorrigeerd, geregistreerd en geregisseerd door al die statistieken die om onze oren vliegen.

Op slimme wijze doet De Proost ons nadenken over wat het betekent tot het midden te behoren. Mensen willen ‘normaal’ zijn, geen buitenbeentje of outlier, en wijken liever niet af van ‘de norm’. En dus moeten ze voldoen aan de tendensen van de statistische wetten. Maar dat draagt een risico in zich. Men begint zich te gedragen als de groep. Je merkt het in de manier waarop De Proost haar betoog houdt. Nooit spreekt ze in de ik-vorm, altijd houdt ze een onpersoonlijke, feitelijke stijl aan. Haar woorden krijgen zo een schijnbaar wetenschappelijk karakter, al weet niemand of deze statistieken correct zijn.

Rammelen aan het midden

Maar dan, we zitten ongeveer op een derde – of het midden van de eerste helft – van de voorstelling, onderbreken een wat gekke, vervormde stem en dierengeluiden De Proost. Het gemoedelijke cosmic latté-licht gaat plotsklaps uit. Ze lijkt het zelf niet te merken en gaat onverstoorbaar door. Maar het gemiddelde achtergrondgeluid zwelt aan tot boven de 50 decibel en overstemt haar.

Wanneer het cosmic latté de ruimte opnieuw verlicht, staat niet langer De Proost maar wel Araujo in het midden van de zaal. Hij zegt niets, maar zoekt onze aandacht met goocheltrucjes. Zijn nogal overdreven acteerstijl staat in contrast met die van De Proost. Zij bracht haar scènes, met uitzondering van haar evenwichtsoefening, ‘normaal’, zonder overdreven emotie of drama, alsof ze ons simpelweg feiten presenteerde. Wanneer de act van Araujo voltooid is, gaat het licht weer uit en aan. Daar is De Proost weer met haar statistieken. 

Net zoals een selfie casual kan zijn maar nooit spontaan is, zo zijn statistieken geen neutrale meetinstrumenten.

De opzet van deze scène herhaalt zich nu. Weer onderbreekt Araujo, zoals een outlier het gemiddelde in de war stuurt, het betoog van De Proost, ditmaal met een spiegel. Weer zegt hij niets en hanteert hij dezelfde overdreven gebaren, zoals het een echte goochelaar beaamt. Maar dan beweegt hij de grote spiegel door de ruimte. Hij houdt ons letterlijk een spiegel voor – achteraf besef ik hoezeer ik dacht: ik zie ‘het publiek’ – en doet ons zo anders naar onszelf kijken. 

Moeten we statistieken, in navolging van de Nederlandse cultuurfilosoof Thijs Lijster, niet begrijpen als collectieve selfies1? Ze tonen een zelfbeeld van ons als groep. Maar in dat beeld fungeren we tegelijk als het collectieve object (als ondervraagde) en subject, namelijk als degene aan wie het onderzoek gericht is. Maar beïnvloeden beide rollen elkaar niet? Hoe je op een selfie verschijnt (als object) heeft toch invloed op de manier waarop je de selfie neemt (subject)? Net zoals een selfie casual kan zijn maar nooit spontaan is, zo zijn statistieken geen neutrale meetinstrumenten.

Meer dan gemiddeld

De Proost neemt opnieuw het woord, maar haar tekst is opvallend anders. Geen statistische gemiddelden en middens deze keer, maar filosofische gedachten over categorieën en maten: ‘De dingen waren het ooit niet gewend om gemeten te worden. Drie stenen en drie bladeren waren ooit niet evenveel’. Eerder dan feiten werpt ze ons nu vragen voor: ‘Waar ligt de grens tussen geel en oranje?’ of ‘Als de grenzen niet vastliggen, is het dan mogelijk om het midden te bepalen?’. 

Deed de spiegel haar inzien dat statistieken mensen maar beschrijven vanuit een derdepersoon- en groepsperspectief en nuancering tussen de onderzoekssubjecten doet verdwijnen? Realiseert ze zich nu dat haar fixatie op het juiste midden haar blik op het alles daar rond verspert?

Araujo neemt over: ‘I am… me. A human being… Normal. Son of my mother.’ Vooral de ik-vorm valt op, staat in contrast met de onpersoonlijke De Proost. Ook de inhoud is anders, speculatiever, niet simpelweg in cijfers te vatten: ‘The color of my eyes is a little darker, but notice that the white around is absolutely the same.’ Eerst in het Engels, the language of the middle, maar dan gaat hij verder in het Portugees, zonder ondertitels overigens. Hij verrast en toont een kleurrijker en poëtischer perspectief. “Vergeet het individu niet” lijkt zijn boodschap, we zijn meer dan het gemiddelde. Blijf niet als een verliefde Narcissus bewegingloos naar het spiegelbeeld dat de (Westerse) statistiek ons voorschotelt staren, want er is zoveel meer dan het midden. 

Samen willen ze nu die boodschap overbrengen. Het tweetal formuleert eerder losse gedachten over grenzen, toeval, meerderheid en binair denken en werpt het publiek een aantal oefeningen voor. Opvallend zijn de resultaten van De Proosts en Araujo’s ‘HOWNORMALAMI’-test, een internetsensatie die nagaat hoe gemiddeld je gezicht is. Het zijn leuke vondsten en interessante ideeën die elk op hun eigen manier het dominante denken vanuit één punt, het midden, doorbreken. Tegelijk zorgt deze pluriforme insteek, die teveel een samenraapsel is van op zichzelf staande elementen,  dat de focus, zeker in vergelijking met het eerste deel, zoek raakt.

Wanneer een enkel licht een persoon in het midden van het publiek aanduidt, roepen de twee enthousiast ‘Congratulations. You are the person in the middle! The middle of the audience.’ De vrouw op die plek schrikt op en wordt door het tweetal bestookt met vragen als ‘Why did you choose this spot?’, ‘Are you normal?’ en ‘Are you the average person?. Vooral de slotvraag spreekt boekdelen: ‘Wouldn’t you rather disappear in the mass right now? De Proost en Araujo spotten andermaal met onze obsessie voor en de kracht die we geven aan statistieken en gemiddeldes en doen ze ons nadenken over behoren tot het midden.

Een afwijkend einde

In the Middle of Nowhere is een speelse en gelaagde voorstelling die een kritische noot plaatst bij wat wij zien als het midden en het gemiddelde. Het meeslepende betoog, vooral in het eerste deel, deconstrueert op treffende wijze onze door statistieken gedomineerde Westerse blik als het midden van de wereld en toont dat dat midden maar één punt is om naar de wereld en onszelf te kijken. Dat ze als laatste wapenfeit ook nog het doorsnee einde van een theatervoorstelling mee in de strijd werpen tegen alles dat gemiddeld is, toont hoe ver De Proost en Araujo gaan in hun opzet datzelfde midden te doordenken. En hoewel het tweede deel wat rommeliger is, doet het geenszins af aan het kijkplezier. Ik moet achteraf denken aan de woorden van Albert Einstein: ‘Te midden van de moeilijkheid ligt de mogelijkheid’. Misschien zijn onze (Westerse) hoofden simpelweg nog niet rijp om onze door het midden gedomineerde blik op de wereld en onszelf open te gooien?

1 Thijs Lijster (2020). De grote vlucht inwaarts, pag. 135-136. Amsterdam: De Bezige Bij.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Jasper Delva

Jasper Delva werkt als beleidsmedewerker rond kennisontwikkeling bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media van de Vlaamse overheid en doet onderzoek naar loopbanen in het Vlaamse podiumlandschap aan de KU Leuven. Hij schrijft tevens voor diverse cultuurmedia.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!