KNS – “Slissen en Cesar” – Robert Marcel, Jos Gevers

Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 7 — 10 minuten

In memoriam Robert Marcel

KRONIEK – DE PAPIEREN MENSEN VAN ETCETERA

Op 3 maart 1987 overleed Robert Marcel, één van de laatste vertegenwoordigers van een onderhand legendarisch geworden acteursgeneratie.

Al bijna 15 jaar van de K.N.S.-scène verdwenen, zal hij bij een groot en ook een jonger publiek voornamelijk bekend blijven voor zijn werk in een aantal populaire T.V.-series: als Jeroom in Jeroom en Benzamien of als de smid in De Heren van Zichem. Oudere theaterbezoekers en vooral de K.N.S.-getrouwen onder hen zullen met weemoed terugdenken aan de tijd dat hij op de planken stond.

Gravend in zijn biografie, daaraan toevoegend de schaarse beelden die ik zelf nog van diverse van zijn theaterrollen meedraag en dit weer aanvullend met wat mijn grootouders over hun theaterbezoek en over “het toneel vroeger” vertelden, komt een wankele reconstructie tot stand, een gissend portret; opnieuw die confrontatie met het onvermijdelijke lot dat de acteur met zijn vluchtige kunst in de geschiedschrijving van het theater te beurt valt: “Recensenten schreven over hem dat…”, “Men vertelt. ..”, “Het verhaal gaat…”.

Het verhaal gaat dat Robert Marcel het ooit presteerde om in het Antwerpse Operettetheater de Scala, gewoon in chauffeurskostuum met blinkende knopen, op de avant-scène van cour naar jardin te wandelen en voor deze traversee een open doekje te krijgen. Een niet te verifiëren verhaal. Een sterk verhaal. Misschien. Alhoewel het objectief en historisch te controleren gegeven van het bestaan van een claque – een groepje ingehuurde toeschouwers die met hun applaus voor deze of gene acteur de rest van de zaal meetrokken – evenzeer aan de basis kan liggen van dit succes als het spelerstalent van Robert Marcel zelf.

De populariteit van de acteur was voor de tweede wereldoorlog echter een essentieel feit in het theaterleven. In een interview met Willy De Schutter in De Nieuwe Gazet van 3/2/1965 vertelt Robert Marcel, dat de laatste voorstelling van het seizoen in de Scala telkens een ware feestavond was: “Er is een keer geweest dat ik 107 cadeaus ontving. Er waren wel 10 korven met fruit bij een een halve varkensrug met aan iedere cotelette een roze strikje”. Maar ook dit is wellicht nog geen waardemeter voor de kwaliteit van zijn acteertalent.

Zijn eerste sporen als acteur verdiende Robert Houtmans (°1900) – pas later ging hij zich Robert Marcel noemen – ongeveer van 1918 af in o.a. het Antwerpse Hippodroom-theater, waar hij allerlei genres speelde: draken, operettes, revues… Van 1924 tot 1928 werkte hij in Brussel-waar hij ook een deel van zijn jeugd doorbracht-o.a. in de Folies Bergères en de Alhambra. Hij speelde er in het Nederlands en in het Frans. Diverse bronnen maken melding van het feit dat hij in 1928 als een gerijpt acteur naar Antwerpen terugkeerde om er gedurende enkele jaren opnieuw het lichtere – en ook gezongen – repertoire op te nemen in de Scala, de El Bardo, de Luna… Ook hij zelf bevestigde in een interview met Bert Van Kerkhoven in De Scène van april 1968, dat hij in die Brusselse periode “zijn stiel geleerd” had.

Toen de Scala gesloten werd (symbolisch genoeg opgekocht door Metro-Goldwyn-Mayer om er een bioscoop van te maken), haalde Joris Diels, die ondertussen directeur van de K.N.S. geworden was (cfr. Etcetera nr 10), Robert Marcel in 1935 naar dit ensemble. Op een korte episode na – de periode van de V-bommen, aan het einde van de oorlog, waarin hij in een duo-spektakel met zijn echtgenote, de operazangeres Mia Van den Bosch, het land doorkruiste -, zou hij aan de K.N.S. verbonden blijven tot aan zijn pensionering in 1973; in die periode zou hij zich dank zij zijn leerschool in het populaire circuit ontwikkelen tot een van de grootsten en veelzijdigsten onder de Vlaamse acteurs. De kwaliteiten van zijn spel waren een rechtstreeks produkt van het stuk theatergeschiedenis dat hij had meegemaakt. Deze kwaliteiten hadden in de eerste plaats te maken met zijn benadering van het theaterspelen als een vak, een ambacht. “Daarom ook”, zegt Joris Diels in een getuigenis, “kon hij er objectief en onromantisch over praten”. Het is waarschijnlijk deze benadering die hem toegelaten heeft alle overgangen in speelstijlen mee te maken, van het “op het publiek spelen” in de Hippodroomperiode tot een “verinnerlijkt” of zelfs “vervreemdend” spel in zijn K.N.S.-tijd, waar hij b.v. ook werkte onder de toen nog jonge Walter Tillemans. Over het acteren in de “drakentijd”, zei hij: “Iedereen acteerde breedsprakig, met ’emfaze’. De acteur speelde steeds face au public, zoals men dat noemde à la française. De partner werd niet bekeken; elke ontboezeming moest de zaal in.” (De Scène, april 1968). Een excellente leerschool dus voor een acteur die in zijn spel so wie so de afstand tussen scène en publiek moet kunnen overbruggen. Volgens getuigenissen zou dit publiek in de Hippodroom avond na avond uit zo’n 2 500 (!) toeschouwers hebben bestaan.

Maar ook buiten het theater heeft Robert Marcel voortdurend en hard gewerkt: in een interview met Herman De Coninck in Humo (zowat 6 jaar geleden) vertelde hij dat hij constant mensen en situaties in het dagelijkse leven bestudeerde, elementen verzamelde die hem van pas kwamen bij het construeren van zijn personage “om de realiteit erin te krijgen”. Uit zijn talloze confrontaties met het pubiek vanuit voornamelijk komische personages, had hij op exacte wijze de publieksreacties leren inschatten en een bijzonder sterk gevoel voor timing, voor “het placeren van replieken” ontwikkeld. In interviews citeerde hij meermaals de woorden van een groot-Oostenrijks-acteur-van-wie-hij -de-naam-vergeten-was : “Acteren is niet moeilijk. Wees duidelijk en spreek natuurlijk”. Hoewel deze stelregel hem zijn hele leven bijgebleven blijkt te zijn en hij steeds kon terugvallen op het verworven métier en op zijn enorme présence, heeft hij zich toch met een ongelooflijke flexibiliteit aangepast aan de zeer grote evolutie die de toneelspeelkunst heeft doorgemaakt tussen het moment van zijn debuut en dat van zijn afscheid.

N.a.v. zijn rol van Pancras Duif in Schakels van Heijermans (K.N.S., seizoen 1964-65) – een stuk dat van 1903 dateert en zich dus in zijn opvoeringstraditie verbindt met de acteerstijl van het begin van de 20ste eeuw, zei hij: “Daaraan kan ik nu b.v. het best afmeten, welk een evolutie het toneelspel heeft doorgemaakt en hoe sober we nu onze rol mogen brengen. (Kursief van ons.) Alleen kan ik me niet verzoenen met dat zo ‘langs de neus weg zeggen’ en dat gemompel, vooral bij de Nederlandse jongeren”. (De Nieuwe Gazet, 3/2/1965). Als Robert Marcel mompelde, bleef elk woord tot de laatste syllabe en tot op de achterste rij verstaanbaar.

In zijn lange loopbaan heeft hij de periode meegemaakt waarin de functie van regisseur eigenlijk nog onbestaande was. De rol werd gecreëerd door de acteur in volle zelfstandigheid; daar het repertoire ook snel wisselde, kwam het erop aan zijn publiek – soms wekelijks – te verrassen met nieuwe verschijningen. Toneelspelen was toen voor een goed deel “transformatiekunst”, “koppen maken”, maar bij Robert Marcel hadden die koppen ook een ziel. De overgang van volledige autonomie van de acteur naar het creëren binnen de richtlijnen van een regisseur heeft hij – blijkbaar op een rustige manier verwerkt, misschien ook door de intelligente wijze waarop Joris Diels hem bij zijn overgang van het revue- naar het “echte” theater heeft opgevangen en begeleid. Of zijn dit slechts interpretaties van onze kant? Het verhaal omtrent zijn eerste rol bij Diels, nl. de Moefti in Molières Bourgeois Gentilhomme zou eventueel in die richting kunnen duiden. Meer dan bij andere acteurs het geval was, kreeg Robert Marcel van Diels de vrijheid om dit personage zelfstandig uit te bouwen: “Hij maakte bestendig een uitzondering voor mij, als ik hier of daar wat bij mijn rol voegde” (De Nieuwe Gazet 3/2/1965). Zijn zoekwerk bracht hem bij een tekst in petit-nègre, een taal die in Noord-Afrika gesproken werd in de tijd van Lodewijk XIV en die hij – tot Diels’ voldoening – in deze rol aanwendde.

Robert Marcel heeft in zijn K.N.S.-carrière de meest diverse personages uit het wereldrepertoire gespeeld: de John Gabriël Borkman van Ibsen, Shakespeares Falstaff, figuren uit werken van Miller, O’Casey, Tennessee Williams, O’Neill, Heijermans maar ook Brecht (o.a. Mackie Messer), en zelfs Mrozek en Ionesco. Daarnaast bleef hij natuurlijk ook het populaire genre spelen: hij gaat o.a. de geschiedenis in als Bolle Verbuyck in Martens’ Paradijsvogels en zeker als de hem op het lijf geschreven Slissen in Jeroom Vertens Slissen en Cesar (én in de vervolgen hierop), waarin Jos Gevers zijn tegenspeler was. Ook in de Komediantenrevues die Diels van 1941 af als seizoenafsluiter invoerde, speelde Robert Marcel telkens een belangrijke rol. Hij werkte ook kort voor en kort na de tweede wereldoorlog mee aan diverse projecten van Edith Kiel, een van de Vlaamse filmpioniers en trad, veel later, op in Roland Verhaverts Rolande met de bles en in Hugo Claus’ De Leeuw van Vlaanderen. Alhoewel hij zowat alles gespeeld heeft, waren er rollen die hem – naar eigen zeggen – niet lagen: die van pastoor b.v. (“Ik ben een veel te wereldse figuur”) en die van knecht (“Misschien omdat ik niet onderdanig genoeg ben”). Om dezelfde reden zag hij zich wel een commissaire spelen maar geen agent (cfr. Humo 1981).

In welke huid hij ook kroop, hij had steeds iets imposants; de aandacht die hij trok door zijn enorme présence, werd nog versterkt door de duidelijke en nadrukkelijke wijze waarop hij zijn replieken uitsprak: de tekst werd zó door zijn lichaam en zijn stem gedragen dat hij bijna een eigen materialiteit verwierf. Zijn robuuste verschijning met haar brede gebaren straalde rust en beheersing uit, maar hij kon snel en lenig zijn en beschikte over een fascinerende vis comica. De nauwgezetheid en de controle waarmee hij met zijn acteermiddelen omsprong, leidde nergens tot steriliteit, omdat men daarachter een sterk verinnerlijkt leven aanwezig voelde. In een getuigenis vertelde Victor De Ruyter hoe hij ingrijpende regie-aanwijzingen i.v.m. zijn rolinterpretatie, die hij op de generale te horen kreeg, schijnbaar moeiteloos op de première in zijn spel integreerde. Zijn talent werd gedragen door een ijzeren fysieke kracht én gezondheid. Gerard Depardieu: “Le talent c’est surtout la santé, ce qui permet de prendre les coups, d’en donner, de récupérer…”

Zijn vijftigjarig toneeljubileum vierde hij in 1968 met de rol van Archie Rice in The Entertainer van John Osborne waarin zijn acteursleven op de scène werd samengevat: een acteur die de rol speelt van een revue-artiest. Alsof hij de twee broers van Thomas Bernhardts Schijn bedriegt in één huid met elkaar verbond; Robert Marcel als incarnatie van ten minste drie generaties uit de recente theatergeschiedenis.

Het grafschrift dat men in Frankrijk terugvond op de tombe van de in de 9de eeuw overleden rondreizende iaculator Vitalis, zou vandaag ook nog het zijne kunnen zijn: “Ik heb het gezicht, de gebaren en de manier van spreken nage: bootst van lieden die met elkaar in gesprek waren, en men had kunnen denken dat verschillende mensen zich uitten met een enkele mond. Zo heeft de doodsdag met mij alle figuren die in mijn lichaam leefden weggemaaid”. (1)

 

(1) Geciteerd in: André Rutten, Twee planken en een hartstocht, 1986.

in memoriam
Leestijd 7 — 10 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

in memoriam