Jan Decorte en Sigrid Vinks – Foto Danny Willems

Dirk Verstockt

Leestijd 6 — 9 minuten

In het Moeras

In Etcetera nummer 2, maart 1983, schreef Sigrid Vinks een bijdrage over regisseur Jürgen Gosch, op dat moment te gast op het Brussels Kaaitheaterfestival met de produktie Der Menschenfeind (Molière). Zij besprak niet alleen Der Menschenfeind, maar had het o.a. ook over Gosch’ enscenering van Woy-zeck (Büchner). Systematisch helder analyseerde zij de basiselementen (tekst, decor, kostuums, acteren,…) van de verschillende produkties, waarvan de conclusie was dat de werkwijze van Gosch “…de enige mogelijkheid (is) om met een voorstelling een uitspraak te doen over de werkelijkheid, om aan te sluiten bij een hedendaagse chaotische en complexe werkelijkheidsbeleving, dus om theater in deze tijd een levenskans te bieden.”

Acht jaar later bewerkt Jan Decorte + Cie Woyzeck, als eerste produktie na de door hem geschreven Aids-Trilogie (Het Stuk Stuk, In Ondertussendoor en Naar Vulvania) . Ondanks een openlijk desavoueren door de critici (die zijn produkties en Decorte erbij het liefst het moeras willen insturen), de overheid (die dat al deed) en een deel van het publiek (die geen blijf weten met het hen voorgeschotelde slapstick-drijfzand) blijft Jan Decorte verder spelen, verder plannen opzetten om ze al dan niet uit te voeren en volhardt hij in zijn pogingen tot Populaire, Bekende én Rijke Vlaming. Tot voor kort werd hij daarin gesteund door de Beursschouwburg, maar ook daar ligt er momenteel een ferm haar in de boter. Maar goed, echt beroemd, populair zal hij wel nooit worden, daar is hij te slim en te weerbarstig, te controversieel voor.

Wat hij niet hoeft te worden, maar allang is en blijft, is de stekel in het zitvlees van een opnieuw verwekend theatergat, dat na ongeveer tien jaar intrigerend margewerk, dreigt weg te zakken in een centrumnivellering van de recuperatie (en niet van de vanzelfsprekende doorstroming), gekenmerkt door steeds bravere, doorwrochte, uitgezuiverde esthetische voorstellingen (of wat daar moet voor doorgaan). Slechts weinigen blijven naast die stroom staan. Zo ook Jan Decorte die daar allemaal volstrekt zijn kloten aan veegt en zich met een kamikaze love me or leave me mentaliteit verder bedient van slapstick om gezegd te krijgen wat hij te zeggen heeft, nl. dat de wereld haaks op zichzelf staat en dat dat dan maar zo is, zonder een beletsel te zijn voor een ‘gelukkig’ leven. En dat spelen en schrijven in dienst van zijn lach wordt hem niet overal in dank afgenomen, om zeer diverse redenen. Toch ontsnapt ook hij, in zekere zin, niet aan die nivellering : zijn hanteren van een theaterpraktijk – resulterend in produkties – is ook een systeem geworden, waarvan de resultaten vaak niet verder gaan dan alleen maar repetitieve grappigheid (zie Aids-Trilogie). En wanneer die grappigheid, die slapstick niet altijd even spits uitvalt en niet up-tempo gespeeld wordt, dan ga je als komiek af, onverbiddelijk. Laten lachen als ambacht lijkt mij geen sinecure.

Het artistieke huwelijk tussen Jan Decorte en Sigrid Vinks wordt steeds sterker. Sinds Jan Decorte ook niet meer met Josse De Pauw kan werken, de enige die hij nog de moeite vond, beperkt hij zich nu tot of iemand uit het publiek (zoals in Naar Vulvania) of een ‘jonge mens’, in dit geval Eva Maes. Alle overtollige ballast aan ‘personeel’ is weggesneden, willens nillens, zodat daaruit geen conflicten meer kunnen rijzen die zijn werkpraktijk bemoeilijken. Dat blijkt tot nu toe een juiste keuze te zijn, waar meer dan voldoende voeding uit komt.

En nu naar de voorstelling. Gekleed in hemd en broek, gebroken wit, de voeten blootsvoets in de schoenen, zit Jan Decorte op de trap voor het podium. Hij speelt mondharmonica en observeert de toeschouwers die binnenkomen en zich installeren. Links op de scène ligt een met witte lakens overtrokken matras. Daarop Sigrid Vinks, partner in his crimes en Eva Maes. Sigrid draagt een kort zwart strak, Eva een kleurig gesloten kleedje. De vrouwen voelen zich heel gemakkelijk en ontspannen bij elkaar. Achter hen staat een witte wand die de breedte van de hele scène in beslag neemt. Rechts, in een kort dwarsstuk, is een smalle opening. Bij de matras, tegen de wand, staan en liggen een paar spullen : twee hoedjes, een spiegeltje, een doosje. Wit licht, zacht. De country-melancholie van mondharmonica en het gespannen, quasi verveelde gezicht van Decorte bij dat hele beeld gooien onmiddellijk een vage spanning op. Eens dit lang genoeg geduurd heeft verdwijnt de mondharmonica en staat Onnozelste (zie Sterke voor Ceulemans) Jan recht. Hij kondigt zijn medespeelsters aan dat hij geen zin heeft om te spelen. We zijn weer thuis, dus.

Dat die Woyzeck goed geschift en maanziek is, wordt bij aanvang droogweg meegedeeld. Daardoor manifesteert Decorte zijn gekozen houding ten opzichte van dit stuk heel precies en kan aan de slag gegaan worden met de essenties van de slordig opgebouwde tekst (veeleer een serie van vier versies onafgewerkte stukken/fragmenten, zoals Büchner ze achterliet), waarvan de opgekleefde maatschappelijke en politieke merites hier worden genegeerd.

Met dit materiaal wordt een kader gecreëerd waarin man/jongen Jan Decorte op de zolder thuis is gekropen met twee vrouwen/vriendinnetjes en liefst vanal ‘vieze manieren’ wil spelen. Als dat in eerste instantie niet lukt, bedient hij zich van Woyzeckje spelen, (zoals kinderen films naspelen die ze hebben gezien). In Woyzeck vindt hij genoeg argumenten om prettig te mogen vozen. De vriendinnetjes zijn er niet echt happig op, ze zijn liever onder meisjes bezig, maar ze willen Jan wel helpen. Zo kan hij ongestraft, als kapitein die op hoerenbezoek gaat, een nummertje wegvogelen met Eva Maes, daarin akoestisch gesteund door Sigrid Vinks. Behalve deze bedscène, doen de dames het nooit goed naar Decortes normen, alsmaar loopt het in de war of willen ze niet meer weten bij welke scène ze zijn aanbeland. Decorte stapt als vanouds voortdurend uit Woyzeck om de dames te corrigeren en te reageren op gehoest of gelach van het publiek. Hoe meer ‘actief’ publiek in de zaal, hoe meer reactie en hoe meer Sigrid Vinks Decorte tot de orde moet roepen. Af en toe, wanneer het te ‘erg’ wordt, krijgt hij dan ook een klap welke hij gedwee aanvaardt. Tegelijk is het ook Woyzeck die de klappen krijgt, als diegene die zich voortdurend op de kop laat kakken, maar dat is dan niet meer dan meegenomen dankzij die publieksreactie. Die onderbrekingen zijn op zich komisch of melig, maar genadeloos doven ze het minste vonkje van ‘theatrale’ spanning, als een ‘dit krijgen jullie lekker niet’ truucje. En toch werkt de voorstelling op die Woyzeck momenten, krullen de tenen van onbehagen.

Stan Laurel en Oliver Hardy zijn evenmin veraf : Hardy Decorte, betweter en organisator van deze strakke chaos, Laurel/Vinks die de broek/rok van sukkelaar krijgt voorgehouden, maar daar niet instapt, integendeel : zij deelt de reprimandes en klappen uit (En dat is al heel wat anders dan in de Aids-trilogie). Wat ‘spelen’ betreft wordt zij alsmaar sterker en is Decorte meestal op achtervolgen aangewezen. Vinks speelt naast Marie ook de andere personages uit het stuk : Andres, de jood, de dokter,.. Daarvoor bedient ze zich van valse baarden en snorren, petjes. Alles staat voor wat het is, bevestigt zij.

Decorte legt het publiek omstandig uit welke gebaren hij zal gebruiken wanneer hij Woyzeck speelt, wanneer hij een andere personage (de kapitein) wordt. Een beweging is niet meer dan een beweging : houterig en losgekoppeld van een mogelijke intentie. Het blijft striptheater en de commedia dell’arte personages in Woyzeck lenen zich daar uitstekend toe. Er zijn nauwelijks nog stilzwijgend afgesproken conventies tussen op en voor de scène, alleen dat voor de scène mag lachen en voor het overige eigenlijk zijn smoel moet houden (maar dan zou het wel de helft van Decortes plezier wegnemen). Zelfs de conventie van het applaus wordt niet gerespecteerd : applaus wil niet zeggen dat dit ensemble zal komen groeten. (Trouwens, welke betekenis heeft applaudiseren vandaag nog ?)

Woyzeck wemelt van liedjes. Decorte neemt deze lijn mee in zijn voorstelling en vervangt bijna alle zangpartijen door het archief van vlaamse schlagers en klassiekers open te gooien. Sigrid Vinks stort zich met het grootste plezier in het volstrekt compromisloos mishandelen van o.m. Valenciaaaaa !!!!! en een begeleidende hyperkinetische aerobicspogo. De twee anderen delen dat ‘zang’plezier met graagte. Zo gaan ze aan het jodelen, worden er slaappliedjes voor het kind gezongen, hoedjes op en weer afgezet.

De strakheid van deze schriftuur (De Woyzeckfragmenten en de door Jan Decorte geschreven teksten) krijgt een bedriegelijke camouflage, zodat de argeloze toeschouwer voortdurend bij de neus genomen wordt. Wie denkt dat dit puur improvisatie en geklungel is, dat ze daar maar om het even wat doen, vergeet dat hij/zij ook met regisseur Decorte te doen heeft, no sweat. Op de publieksinterventies na ligt de hele voorstelling strak vast en weet men bijzonder goed wat men daar staat te doen en hoe dat moet gebeuren. En dat alles staat in het teken van reductie, soberheid, essentie, plezant zijn (al zijn de verleidingen groot). Mogelijk kan het allemaal samengevat worden in het eindbeeld. Omdat Decorte/Woyzeck Vinks/Marie niet kan vermoorden met het mes, dat voordien reeds om één of andere knullige reden op de grond belandde, en ook niet wil doen alsof met de mondharmonica die hij uit zijn broekzak haalt, doet Marie het maar zelf : “steek, steek, steek,” zegt ze, en ze valt voor dood. Zo wordt de hele Woyzeck fris-onnozel doorstoken.

De affiche : zwart veld en wit opschrift. It’s supposed to be rock’n roll. Nu nog een thuismatch in het stripmuseum.

Gezelschap : Jan Decorte + Cie; produktie : Beursprodukties en Lantaren(Rotterdam); tekst : Büchner, Decorte + Cie; regie, decor, kostuums, belichting,… : Decorte + Cie.. Gezien in de Beursschouwburg op 19 en 28 december 1990.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#33

15.03.1991

14.06.1991

Dirk Verstockt

recensie