Wouter Van Looy

Leestijd 4 — 7 minuten

Iets leuks voor de kinderen

Wouter van Looy over We maken een opera! bij de Vlaamse Opera

Het gebeurt wel eens, maar gelukkig zelden, dat een productie tijdens het productieproces wordt afgevoerd. Dat betekent dan een streep door de rekening van het gezelschap, een deuk in het vertrouwen van het publiek en indien het om een reisvoorstelling gaat, geklaag van programmatoren die de voorstelling al maanden te voren in hun programmaboekje hadden met vaak een inderhaast verzonnen tekstje erbij, dat aankondigt dat je deze voorstelling best niet kan missen. Het risico van blind boeken heet dat dan. Maar dat is een ander verhaal. In ieder geval weten de makers door het annuleren van hun voorstelling op die manier hun artistieke vaandel hoog te houden.

Het gebeurt nog veel minder dat je je tijdens een voorstelling afvraagt waarom ze niet is afgevoerd. We maken een opera! van componist Benjamin Britten en tekstschrijver Eric Crozier die de Vlaamse Opera onlangs Vlaanderen rond liet gaan als een opera voor jongeren was naar mijn gevoel zo een voorstelling. Erger nog, We maken een opera! is een productie die niet voor de première had moeten worden afgevoerd, maar die van de werktafel van de programmator in de prullenmand had moeten belanden en niet de gigantische dure machinerie – die een operaproductie toch ook in dit geval is – in gang had moeten zetten. Als de steigers verkeerd staan, is het moeilijk daartussen een stevig gebouw neer te zetten.

Het huwelijk tussen kinderpubliek en jeugdtheater blijkt telkens om één of andere reden niet te werken. Jeugdtheatermakers die zich aan muziektheater of opera wagen, leggen de lat muzikaal vaak wel erg laag. Anderzijds scoren de operahuizen die kinderopera’s maken op theatraal vlak niet erg hoog. Al is er hier toch ook wat meer aan de hand.

Al een tijdje staat het kinder- en jeugdtheater in Nederland en Vlaanderen in al zijn diversiteit aan de top op wereldvlak. Het valt ook op dat vele van de voorstellingen die hier gemaakt worden steeds gemakkelijker de weg naar het buitenland vinden. Ook Vlaamse auteurs zien hun voor het jeugdtheater geschreven teksten vaak met succes opgevoerd worden in het buitenland. De Shakespeare-adaptatie Hendrik de vijfde van Ignace Cornelissen is in Duitsland zonder meer een succesnummer. Het verbaast des te meer dat de Vlaamse Opera de hele vakkennis die hier is opgebouwd simpelweg naast zich neerlegt. Wie dacht dat het pedagogisch theater na de jaren ’70 verdwenen was, had het mis. We maken een opera! is een werk dat het midden houdt tussen een les over opera en een opera zelf, met een bijzonder belerende en betuttelende aanloop naar het eigenlijke stuk. Het is helaas een werk dat bij gebrek aan beter wellicht nog vaak op de planken zal staan. Operahuizen houden van repertoire en in het genre kinderopera is op dit vlak nog niets ontwikkeld.

Het eerste bedrijf toont een groep kinderen en twee volwassenen die samen een opera willen maken. Geen gelegenheid wordt daarbij onverlet gelaten om het publiek wat uitleg mee te geven over het theater en de opera. Misschien kan ook een theaterles boeiend theater opleveren maar dan moet je ook kunnen rekenen op een stel vaardige acteurs. Bovendien is de tekst van de voorstelling en de duur van het stuk (maar liefst 2 uur en 15 minuten) geen moeiteloos te nemen klip, zeker niet met een meer dan duizendkoppig publiek waaronder een stevige aandeel min-6-jarigen. En het probleem van de dubbele doelstelling -enerzijds een educatieve boodschap uitdragen, anderzijds een boeiende voorstelling brengen – levert ook in dit geval een halfslachtig resultaat op. Bovendien blijf je met de vraag zitten waarom de Vlaamse Opera juist bij deze voorstelling zoveel tijd en energie stak in de educatieve omkadering van de voorstelling. We vragen ons af waar die dan uiteindelijk moest toe dienen.

Voor deze voorstelling koos de Vlaamse Opera om acteurs/zangers te recruteren uit het eigen kinderkoor. Deze doorgaans in bijzonder kindonvriendelijke uniformen gedropte jonge zangers zijn jammer genoeg niet de grootste talenten die ons land rijk is, noch op vlak van acteren, noch op vocaal gebied. In de cast worden zij geflankeerd door twee ‘operadames’ (Anne Cambier en Angelique Zyde) die zich duidelijk beter in hun vel voelen op een scène als ze kunnen zingen, dan wanneer ze moeten acteren. Helaas voor hen bestaat We maken een opera! voor twee derde uit tekst. Als summum krijg je in het derde deel – de uiteindelijke voorstelling – nog het kinderkoor gepresenteerd. De kostschoolpakjes waarin deze kinderen plots ten tonele verschijnen waren al even gedateerd als de voorstelling waarin ze geen rol krijgen. Hun taak beperkt zich dan ook om de koorzangen vanuit de zaal mee te zingen ter ondersteuning van het publiek dat tijdens de pauze een zangles meekreeg van dirigent van dienst, Jef Smits. Hoe vrolijk deze zich ook voordeed, ook hij slaagde er niet in het publiek weer tot leven te wekken. Niet alleen had de voorstelling ondertussen al veel te lang geduurd, de muziek was gewoon ook veel te moeilijk om zo maar eventjes aan te leren aan het publiek. Een pijnlijk gebeuren wordt het dan als de dirigent zijn publiek als een bende deugnieten berispend moet gaan toespreken. Nooit tevoren gezien.

Enkele jaren geleden zagen we in de Munt een soortgelijk fenomeen. Hun Cosí fan tutte werd door jonge zangers gebracht in een regie van regieassistent Francois de Carpentries en een medewerkster van de educatieve dienst, Karine Van Herck. Het heette een poging te zijn om een onervaren publiek bij opera te betrekken. Ook hier moest het met een minimum aan middelen en werd het onervaren publiek in de opera geïntroduceerd door een al even onervaren cast. Ik zag een voorstelling nabij Luik, waar het talrijke jonge publiek na afloop de zaal verliet zonder een klap applaus. Niet echt beleefd, maar ze hadden ergens wel gelijk. Zeker dit publiek laat zich niet bij de neus nemen. Opvoedende kunst werkt in deze gevallen nogal averechts.

Maar het gaat niet alleen om een vreemde vermenging van artistieke en pedagogische motieven. Ik heb nog geen enkele kinderopera gezien waarbij het symfonisch orkest wordt ingezet. Het gaat telkens om kamermuziekbezettingen. In het geval van Cosi kregen de jongeren één piano voorgeschoteld. Dat moest volstaan. En ook daar blijft het schoentje wringen. Het is tamelijk ergerlijk hoe achteloos de operahuizen omgaan met producties voor kinderen. Ze worden veelal in handen gestopt van mensen die ze in het ‘avondcircuit’ nooit een kans zouden geven. Als het voor kinderen is mag de lat plots veel lager, mag het blijkbaar niet te veel kosten, maar moet het wel leuk en pedagogisch verantwoord zijn. Zoiets waar ze liefst nog iets van kunnen opsteken. Kinderen blijken door de bril van de operadirecteurs een soort tweederangs publiek te zijn. Het staat mooi om er iets voor te doen, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Jammer, want wat op dit vlak wordt gepresteerd staat in schril contrast met wat de opera’s de afgelopen jaren voor hun ‘echt’ publiek op de planken hebben gebracht.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#63

15.03.1998

14.06.1998

Wouter Van Looy

recensie