‘Where are we going to land?’, TransfoCollect © Kristof Van Hoorde

Leestijd 14 — 17 minuten

Hoeveel talen spreekt de toneelschool?

‘Moeten Vlaamse toneelscholen niet wat meer Brussels worden?’

Geen dramaopleiding zonder taalstandaard. Geen taalstandaard zonder uitsluiting. En geen uitsluiting zonder zelfbevraging: moeten de vier toneelscholen in Vlaanderen (nog) flexibeler worden in hun taalbeleid om meer diverse studentenprofielen aan te spreken? Volgens de stemmen die Wouter Hillaert aan het woord laat, zijn niet zozeer hun talige, maar vooral hun culturele standaarden nog een werkpunt. ‘Onze school lijdt aan liberale discriminatie.’

Een sprekende metafoor voor talige complexiteit blijft het reclamebeeld dat een Nederlands zuivelbedrijf ooit breed uitrolde in Koeweit. Laten we het daar maar simpel en visueel houden, moeten ze op de communicatiedesk gedacht hebben: gewoon grote billboards met eerst een huilende baby, dan onze nieuwe poedermelk en daarna een lachende baby. Duidelijk voor iedereen, toch? Een commercieel fiasco werd het. In Amsterdam waren ze vergeten dat zelfs simpele beelden in Arabische culturen van rechts naar links gelezen worden …

Dat taal zoveel meer is dan alleen een tool, geldt bij uitstek op de kunstschool. In Making the Most of Lingualism at RCA, een vers onderzoeksrapport over meertaligheid op het Antwerpse Conservatorium, lijst Joanna Britton niet minder dan drie types taalgebruik op, die elk andere skills vergen: de academische (studie)taal, de artistieke taal en de informele taal die je nodig hebt in de sociale omgang op school. Zelfs in monolinguïstische contexten is er dus al sprake van meertaligheid. En dan hebben we het nog niet over de nauwe link tussen taal en identiteit, authenticiteit of juist kunstmatigheid – cruciale sleutels voor podiumkunstenaars om met hun publiek een spannende relatie aan te gaan. Hoe ziet die toolbox van scholen er vandaag uit?

Lang waren dramaopleidingen in Vlaanderen de facto eentalig: Nederlandstalige leermeesters onderwezen er jonge Nederlandstalige spelers in het hoge ambacht van vlotte tekstzegging van stukken in het Nederlands, met het Standaardnederlands als uitgesproken norm. Intussen is dat Vlaamse beschavingsmodel natuurlijk allang begraven, maar deep down blijft het toch nog meespelen in alle spannende vragen waarmee Vlaamse toneelscholen nu in meer of mindere mate worstelen. Hoe als theateropleiding bij de tijd blijven? Hoe je profiel verbreden en dus democratiseren zonder het tegelijk te laten verwateren?

Sinds het Bologna-akkoord spreekt de tijd nu eenmaal een andere taal. Die van academisering en internationalisering, met het ECTS-studiepuntensysteem als de lingua franca van het hele Europese hoger onderwijs. Die van rationalisering ook, nu efficiëntie de alfa en omega is van elk beleid. En bovenal: die van diversiteit en dekolonisering, zeker sinds Black Lives Matter. Mono is niet alleen verdacht geworden, het is ook gewoon snijden in je eigen vel.

Minder normen, meer bewustzijn

Een en ander is dan ook veranderd op de toneelschool. In alle opleidingen passeren nu ook anderstalige gastdocenten en vrijwel nergens kleuren de klasfoto’s nog eentonig wit. Ook op andere vlakken is de diversiteit toegenomen. ‘Toen ik tot 2007 aan RITCS studeerde, was een student zonder aso- of kso-diploma nog de nobele uitzondering’, zegt Carl von Winckelmann, artistiek coördinator van LUCA Drama in Leuven. ‘Nu is de waaier aan individuele eigenheden geëxplodeerd, van opleidingsniveau tot culturele achtergrond. Dat maakt de uitgangsposities van studenten heel verschillend.’

Zo is LUCA recent ook meer gaan inzetten op inkomende Erasmus-studenten, waardoor nu zelfs twee Koreaanse studenten de opleiding volgen en er meer Engels in de les te horen is. Ook de toelatingsproeven zijn minder taalnormatief geworden. ‘Qua stem en taal weigeren we alleen nog kandidaten met een fysiek stemprobleem dat de stemdocenten niet kunnen oplossen. Het is ook niet langer zo dat alle eerstejaars tegen Pasen de tongpunt-r moeten beheersen. Per jaar blijven er heldere doelstellingen, maar er is meer flexibiliteit per individu.’

“Het is niet langer zo dat alle eerstejaars tegen Pasen de tongpunt-r moeten beheersen.” (Carl von Winckelmann)

Bovenal is het blikveld op school verruimd, ervaart Von Winckelmann. ‘Er is nog een weg te gaan, maar zeker het taalbewustzijn van iedereen is verbreed. Bepaalde normen zijn geen vanzelfsprekende natuurwetten meer, iedereen heeft de relativiteit van het eigen standpunt meer leren inzien, of de privileges die erbij horen. Het is hard werken en zorgt voor de nodige verwarring, maar finaal zie ik alleen winst. Niet alleen maatschappelijk, ook vaktechnisch.’

Ook op het Conservatorium Antwerpen, waar een hoogwaardige omgang met taal en tekst altijd als handelsmerk gold, schetst opleidingshoofd Drama Clara van den Broek een gestage transitie. ‘Vroeger was perfect Nederlands spreken een sleutel om in te stromen, intussen is dat criterium serieus afgezwakt.’ Onder meer tijdens Samenspel, een intern visietraject, is het Conservatorium zich extra bewust geworden van het struikelblok dat taalvereisten kunnen opwerpen. ‘Een eyeopener was ook Orhan Agirdags boek Onderwijs in een gekleurde samenleving: jongeren met een andere thuistaal hebben geen taalachterstand, maar eigenlijk een taalvóórsprong. Ook artistiek kan meertaligheid een meerwaarde zijn. De vraag is alleen hoe je die rijkdom ook dagelijks erkent in je opleiding. Dat blijft nog een zoektocht.’

Voor Van den Broek komt het erop aan niet het kind met het badwater weg te gooien. ‘We blijven wel een opleiding waarin taalgevoeligheid in het Nederlands belangrijk is en taal het geprefereerde communicatiemiddel blijft. Ook in de lessen spreekvaardigheid blijft AN een richtdoel. Studenten moeten die variant beheersen, voorts is er artistieke vrijheid.’

Hier wordt een spanningsveld aangeraakt dat Von Winckelmann ook bij LUCA ervaart. ‘Enerzijds geloven we niet langer in technische normering en gaan we uit van de eigen klank van het individu. Anderzijds blijven we taal en tekst wel centraal stellen, en vragen we van studenten dat ze zich deskundig verhouden tot de verschillende taalnormen en zich binnen dat palet vrij kunnen bewegen. Soms werkt het ene het andere nog tegen.’

Letter lijk, Salaou Hassani © Rob van der Auwera

Goesting boven talige techniek

Saloua Hassani kan erover meepraten. Op LUCA ervaarde ze rond haar taalgebruik zo veel wrijving dat meertaligheid en moedertaal in juni dé thema’s werden van haar bachelorproef Letter lijk. ‘Vanaf het eerste jaar kreeg mijn Nederlands zo veel focus dat het een obsessie is geworden, zelfs een trauma. Zeker bij mijn klasgenoten voelde het alsof ik niet voldeed omdat ik niet goed genoeg zou praten. Ik ging lidwoorden vanbuiten blokken en via YouTube op mijn uitspraak oefenen, omdat privéles te duur was. Ik werd bang om te spelen, begon op scène te stotteren, kroop in een cocon. De hele tijd leek ik me te moeten spiegelen aan een soort Vlaamse modelstudent die ik niet was. Ik voelde me net een circusattractie.’

Hassani, opgegroeid in Kessel-Lo (‘Vlaamser kan niet’), was in 2019 de eerste doorstromer van De Nieuwe Spelers: een eenjarige vooropleiding met professionele coaches voor jong talent met een diverse etnisch-culturele en/of sociale achtergrond, opgestart door het Conservatorium Antwerpen en enkele Antwerpse theaterhuizen. Intussen zijn er al vier ‘nieuwe spelers’ toegelaten op een reguliere toneelopleiding. ‘Toen ik met die vooropleiding begon, had ik nog nooit een theatervoorstelling gezien, laat staan een toneelstuk gelezen. Ik wilde me gewoon spelenderwijs ontwikkelen. We waren daar ook totaal niet bezig met diversiteit, alleen met samen theater ervaren.’ Het contrast met de toneelschool voelde groot. ‘Waar mijn taal en achtergrond bij De Nieuwe Spelers als een rijkdom gezien werden, bleken ze op LUCA ineens een rariteit, een belemmering, iets minderwaardigs. Ik voelde me geen deel meer van een groep, tenzij van een groep die verder afwezig was.’

“Ik werd bang om te spelen, begon op scène te stotteren. De hele tijd leek ik me te moeten spiegelen aan een soort Vlaamse modelstudent die ik niet was. Ik voelde me net een circusattractie.” (Saloua Hassani)

Hebben toneelscholen dan iets te leren van meer inclusieve vrijetijdsopleidingen gericht op minder erkende doelgroepen? Al in 2013 startte ook RITCS met De Kriekelaar het workshoptraject TransfoCollect op, om ‘Brusselse jongeren van diverse origine, die vanuit hun sociale of culturele achtergrond niet in aanraking komen met kunst, bewust te maken van hun creatief kapitaal en de doorstroming naar het hoger kunstonderwijs te verbeteren’. In Gent is er Jong Gewei, de jongerenwerking van Haider Al Timimi’s gezelschap Kloppend Hert, dat af en toe samenwerkt met KASK. En in Kortrijk stampte Al Timimi vanuit Antigone intussen ook Magma uit de grond. Hoe slagen al deze nieuwsoortige educatieve werkingen erin om rond taaldiversiteit wel een thuisgevoel te creëren?

‘Wij zien taal als een sleutel om het over solidariteit te hebben: als er tien spelers Nederlands spreken terwijl er één alleen Engels verstaat, dan kiest de groep voor Engels’, zegt Al Timimi. ‘Taalbarrières worden dus juist een kracht, scharniermomenten in een sociaal leerproces. Ook als er een vluchteling binnenkomt, gaan we direct vertalen. Alleen zo kan het hún werking worden en krijg je de groepsdynamiek die goed theater nodig heeft.’ Cruciaal aan de visie van deze initiatieven is dat er geen sturing is, zegt ook Giovanni Baudonck van TransfoCollect. ‘Iedereen kan meedoen, ongeacht leeftijd of achtergrond. De verschillen zijn groot, tot en met spelers met concentratieproblemen of psychische kwesties, maar als we op de vloer komen, is iedereen gelijk. Er zijn wel coaches, maar iedereen leert van iedereen: each one teach one. We werken heel horizontaal, zonder vaste werkwijze.’

Dat wil niet zeggen dat de artistieke lat bij TransfoCollect lager ligt, benadrukt Baudonck. ‘Alleen heeft theater voor ons meer te maken met goesting en urgentie dan met techniciteit of basisvorming. Als die energie goed zit, doen kleine foutjes er niet toe. Ze kunnen zelfs juist interessant zijn. Net zoals je leert te spelen tijdens het maken zelf, is ook taal iets wat je samen uitvindt met wie er is.’ Al Timimi vat het kernachtig samen: ‘Het draait niet om wij die hen iets leren, maar om zij die samenkomen.’

Een school heeft natuurlijk een ander uitgangspunt, weet Edoardo Ripani. Via TransfoCollect ging hij regie doen aan RITCS, waar hij in 2018 afstudeerde. ‘Een school is een instituut met vaste structuren als punten geven en overgaan van jaar tot jaar, met veel interne competitie ook. Als anderstalige heb ik me daar wel nooit in gediscrimineerd gevoeld. De administratie was soms complex, maar in de klas switchte men zo nodig vlot naar Frans.’ Toch ziet Ripani bij TransfoCollect één grote meerwaarde waar scholen iets van kunnen leren. ‘Er is niet één dominante taal, wel allerlei talen dooreen, ook in onze creaties. Dat geeft veel meer vrijheid en eigenaarschap. Moeten ook Vlaamse scholen niet nog wat meer ‘Brussels’ worden?’

Engels: the way to go?

Vanuit die optiek switchte de Toneelacademie Maastricht, traditioneel ook half Vlaams qua studenten en docenten, recent naar een Engelstalige master. ‘Engels is een gelijkmaker’, vindt coördinator Bart Van den Eynde. ‘Het is voor velen hoogstens een tweede taal, en dus ook niemands taal. Iedereen is er even onzeker in.’ Uitgangspunt van de nieuwe master werd de ontmoeting met het verschil – van leeftijd tot culturele achtergrond – om zo bewust meer ‘buitenstaanders’ aan te trekken en de evidenties in de Vlaams-Nederlandse podiumkunsten te bevragen. ‘Studenten tekenen hier in met een eigen project, dat ze moeten realiseren in het praktijkveld’, legt Van den Eynde uit. ‘Zo leggen we zelf geen esthetische standaarden op en vermijden we een eigen witte canon. Ook taal benaderen we heel relaxed: het gaat erom zo goed mogelijk met elkaar te communiceren, niet om mensen te testen op correct taalgebruik.’

Juist daarom koos Enrica Camporesi, een 37-jarige Italiaanse autodidact met een opleiding arabistiek, uiteindelijk voor Maastricht en niet voor een Vlaamse toneelschool. ‘In Vlaanderen vond ik eigenlijk niet de geschikte plek voor mijn artistieke interesses rond meertaligheid. In Maastricht kan ik wel werken in het Italiaans, het Engels of het Nederlands. Ik moet wel alles ook toegankelijk maken naar de Engelstalige schoolcontext, maar ik voelde in Maastricht meer nieuwsgierigheid naar de extra expertise en vaardigheden die ik kon binnenbrengen.’

“Wij zien taal als een sleutel om het over solidariteit te hebben: als er tien spelers Nederlands spreken terwijl er één alleen Engels verstaat, dan kiest de groep voor Engels.” (Haider Al Timimi)

Houden Vlaamse scholen meer vast aan de eigen taaltraditie? Op gevaar van generalisering lijkt dit hele debat niet los te maken van de lange overheersing van Vlaanderen door andere taalmogendheden, niet het minst het Frans. Dat leidde tot het denkbeeld ‘dat Vlamingen goed zijn in hun talen’, maar een heel andere indruk kreeg choreograaf Ahilan Ratnamohan tijdens werkweken in meerdere scholen rond zijn artistiek onderzoek naar taalverwerving. ‘De schaamte van studenten voor hun Frans is schrijnend. Alles drijft naar Engels, de talige pluraliteit begint juist uit te sterven.’ Een veel sterker effect van die lange overheersing lijkt het sturende ontvoogdingsideaal waarmee Vlaanderen zich bij zijn prille vorming spiegelde aan de taal van het vrije Nederland, ten koste van zijn eigen dialecten. Als Australiër vindt Ratnamohan dat best gek. ‘Mooi aan Vlaanderen is juist hoeveel dialecten er bestaan op zo’n korte afstand, maar op toneelscholen lijken ze nog altijd scheef bekeken te worden.’

Studenten vinden dat zelf jammer, leert Brittons onderzoek op het Conservatorium. ‘Meer dan één student getuigt hoe ze ontmoedigd werden om tekstmateriaal te schrijven in hun eigen (Vlaamse of Nederlandse) dialect, en hoe dat een blijvende impact had op hun creatieve keuzes en identiteit.’ Ook vinden sommige studenten het discriminerend dat Antwerpse tussentaal minder streng benaderd wordt dan andere regiolecten. Tegelijk wil 86 procent van hen graag meer les krijgen van internationale docenten, ook als ze niet in het Nederlands lesgeven. De interne scepsis rond taalnormering lijkt dus minstens zo sterk als die van buitenaf.

‘Niet-Nederlandstalige docenten uitnodigen was vroeger niet evident, maar gebeurt nu best vaak’, reageert Clara van den Broek. ‘Tussentaal is een ander gesprek. Sommige docenten zijn er allergisch voor. Zelf vraag ik me vaak af of dat criterium nog aan de orde is, maar ik geloof wel dat kunst maken een vormvertaling impliceert. En bij tussentaal dreigt dat te verdwijnen, het is vaak echt noch vormelijk. Je krijgt bijvoorbeeld ‘je’ en ‘gij’ door elkaar. Het is doen alsof het authentiek is, zoals in soaps. Dat verraadt een gebrek aan zorg voor taal, in welke richting dan ook, terwijl we die juist cruciaal vinden.’ Net dezelfde overweging geldt voor te veel Engels in de opleiding. ‘We vrezen nuance te verliezen, omdat niemand nog complexe gedachten uitgedrukt krijgt. Al gaf Joanna’s onderzoek wel nieuwe perspectieven.’

Magma, Theater Antigone © Veronique Bruyneel

Culturele arrogantie tussen de lijnen

Heel makkelijk dreigt het debat rond meertaligheid op de toneelschool uit te monden in een woordenwisseling tussen artistieke en maatschappelijke argumenten. Maar daar is Rashif El Kaoui dan weer afkerig van. ‘Vaak wordt taaldiversiteit geassocieerd met “de standaard verlagen”, maar met kwaliteit heeft dit toch niets te maken? Ik wil de standaard ook niet verlaagd zien. Ik geloof evenmin dat de oplossing voor taalproblemen ligt in tekst vermijden en meer beeldend gaan werken. Wat vooral nodig is, is een meer pluralistische benadering. Als we het erover eens zijn dat taal geen exclusie zou mogen opleveren, maar juist tot betere inclusie zou moeten leiden, moet er anders gekeken en geluisterd worden.’

El Kaoui doceert taalvaardigheid op LUCA en het Conservatorium, waar hij van 2010 tot 2014 ook zelf Woordkunst studeerde. ‘Ik heb die opleiding als heel aangenaam ervaren, maar ik had er dan ook alles aan gedaan om me nergens op te laten pakken. Ik was accentneutraal. Alleen mag je dat niet van iedereen verwachten. Daarom is het goed dat opleidingen nu hun vaste parameters herbekijken. Ik merk veel goede wil. Ook Woordkunst is verbreed en gaat nu vloeibaarder om met verschillende manieren van spreken. Maar misschien is er niet te véél, maar te weinig stemtraining? Meer uren voor individuele trajecten zou al veel helpen.’

Wat El Kaoui bedoelt met ‘anders kijken en luisteren’, is dat er wel nog vaak een dubbele standaard heerst. ‘Bewust of onbewust wordt er meer gefocust op de foute ‘s’ of de doffe klinkers van Samira dan op die van Pieter. Taalgebruik wordt geculturaliseerd.’ Enrica Camporesi ervaart dat ook zelf. ‘Mijn Nederlands met een Italiaans accent wordt vaak schattig bevonden, omdat men mijn klank associeert met zonnige vakanties, la dolce vita en cultureel prestige. Een Marokkaans accent gaat in Vlaanderen eerder gepaard met: “ga terug naar je land.” Dát is de kwestie met meertaligheid: er speelt altijd een culturele machtspositie mee. Niet alleen qua taal, ook in vormelijke credo’s over beelden, regie, speelstijlen …’

Misschien is dat wel het voornaamste inzicht uit alle gesprekken over meertaligheid in het kunstonderwijs: het is veeleer een cultureel dan een talig vraagstuk. Dat zegt ook Marah Haj Hussein, een Palestijnse danseres en choreografe die in 2021 na haar bachelor Dans aan het Conservatorium switchte naar de master Theater op KASK. Een heel harde overgang, stelt ze. ‘Van een Engelstalige omgeving met veel internationale studenten die allemaal ver van huis waren, belandde ik in een 100 procent Vlaamse bubbel. Lang dacht ik dat het aan mijn prille Nederlands lag dat ik moeilijk aansluiting vond, maar eigenlijk is men in Gent heel weinig nieuwsgierig naar mensen met een andere taal en achtergrond. Ineens werd ik het meisje dat niet goed Nederlands spreekt en gingen artistieke jury’s vooral mijn karakter beoordelen als “stil en verlegen”. Is dat niet veelzeggend? Aan KASK wordt wel veel gepraat over inclusie, en passeert er ook een boeiend scala aan gastdocenten van buiten Europa, maar de klassen voelen allesbehalve inclusief. Niet de Vlaamse taal is het probleem, het zijn de mensen.’

“De schaamte van studenten voor hun Frans is schrijnend. Alles drijft naar Engels, de talige pluraliteit begint juist uit te sterven.” (Ahilan Ratnamohan)

Ook Zakaria Ridouani vindt in LUCA niet altijd de culturele spiegel die zijn werk met urban en Marokkaanse inspiraties nodig heeft om zich verder te ontwikkelen. ‘Veel medestudenten zijn witte Vlamingen uit de Kempen en Limburg, zelden Belgen met andere roots uit de metropool. En zo komen bepaalde scènes of expressies in toonmomenten soms helemaal niet aan. Twee jaar raak je daar onzeker van: ‘oei, ik ben mijn spunk kwijtgeraakt!’ Dan krijg je door dat het eerder aan de school zelf ligt. En dus nodig ik nu voor try-outs externe blikken uit die wel bekend zijn met andere talen, codes en culturen. Maar dat is toch bizar? De school kan wel zeggen dat je de taal mag gebruiken die je wilt, zolang er geen echte ondersteuning is voor wie buiten de westerse lijntjes kleurt …’

Ridouani noemt het ‘liberale discriminatie’. ‘Eigenlijk zeggen ze: “Je bent vrij om te doen wat je wilt binnen wat wij kunnen aanbieden, maar verwacht niets méér. Als jij onze hand neemt, zullen we met je dansen, maar niet omgekeerd.” Al denkt de school links en klopt het hart op de juiste plek, in de praktijk zorgen bepaalde privileges voor wit denken en zelfs een bepaalde culturele arrogantie. “Een djellaba op scène, dat is toch cliché?” En als wij het anders willen, moeten wij de school zelf dingen aanleren. Dat is toch de omgekeerde wereld?’

Bij sommige studenten is het precies die onbewuste witte culturele standaard waardoor ze moeilijker connecteren met Nederlands, of hun vertrouwdheid ermee verliezen. ‘Ik denk niet dat die taal zich ooit in mij zal settelen’, besluit Haj Hussein. ‘Dat heeft niet met de woorden of de grammatica te maken, wel met de mentaliteit. Voor mij zal die taal altijd samenhangen met te weinig openheid. Ik gebruik ze als iets puur praktisch.’

Maryam Sserwamukoko, die wel in het Nederlands is opgegroeid en nu op KASK de tweede bachelor deed, neigt dan weer steeds meer naar Engels. ‘In het Nederlands ben ik me op scène steeds kwetsbaarder gaan voelen, meer bekeken als zwarte vrouw. Alsof mensen in de zaal altijd kunnen zeggen: “wauw, jij spreekt goed Nederlands!” Engels voelt dan gek genoeg veel dichterbij, veel veiliger, minder gericht op één groep. Juist daarom boeien talen mij: om uit dat ene circuit te breken waarin Nederlands de norm is en andere werelden op te zoeken.’ Sserwamukoko vindt overigens wél dat KASK daar open mee omgaat. ‘Af en toe merken docenten wel eens op dat ik mijn band met het Nederlands niet mag verliezen, maar op zich word je vrijgelaten in je taalkeuzes. Alleen in de stemlessen blijkt AN nog altijd een groot ding, terwijl ik eigenlijk niet snap waarom. En ik niet alleen.’

Jong Gewei, Kloppend Hert © Haider Al Timimi

Nieuwe talen, nieuwe vormen

Meertaligheid op toneelscholen vandaag, het doet denken aan het billboard voor Nederlandse babypoedermelk in Koeweit. Bewust mikken opleidingen nu op een diverse klandizie: ze verlagen hun drempel met vrijere taalstandaarden, oriënteren zich op de internationale studiemarkt en nemen het Engels erbij. Alleen blijven al die acties voor ‘nieuwe spelers’ toch vaak aanvoelen als een kosmetische reclamecampagne voor inclusiviteit, terwijl daarachter een eurocentrische cultuur schuilgaat, zonder voldoende kennis om alle taalverschil door te vertalen in een even inclusief thuisgevoel.

Al Timimi zet het diepere effect daarvan op scherp. ‘Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de mensen van kleur vooral bij TransfoCollect of Jong Gewei zitten, en de witte vooral op de toneelschool? Ik vind dat heel erg. Zolang proper Nederlands vooral in spelopleidingen de heilige graal blijft, en de scholen de realiteit van de straat niet méér inademen, discrimineren we een hele groep, rateren we heel grote talenten en blijft theater iets voor de happy few. De jongerenwereld is zo anders dan hoe toneelscholen functioneren.’

“Ik geloof dat kunst maken een vormvertaling impliceert. En bij tussentaal dreigt dat te verdwijnen. Het is doen alsof het authentiek is, zoals in soaps. Dat verraadt een gebrek aan zorg voor taal.” (Clara van den Broek)

Wat kan er dan nog veranderen? Er zijn evenveel voorstellen als stemmen. Ridouani vindt dat scholen ‘gewoon meer andere stijlen moeten honoreren, ook door interne coaches aan te bieden die er vertrouwd mee zijn’. Ook voor Al Timimi is de crux de diversifiëring van het docentenkorps. ‘Veel lesgevers zijn nog altijd opgegroeid in het Nederlands, terwijl vaste docenten met feeling voor andere talen en verhalen méér zouden kunnen zien bij studenten.’ Voor Haj Hussein stopt het daar niet. ‘Het is niet aan gastdocenten van kleur om het werk te doen, wel aan de instelling om nieuwe studenten beter te onthalen. Of beslis om puur Vlaams te blijven, maar kom er dan ook voor uit.’ Camporesi oppert dat docenten en coördinatoren vaker zelf ‘de underground’ kunnen verkennen, van KunstZ tot Mestizo Arts Platform. En Sserwamukoko zou AN van het curriculum halen, ‘de opleiding minder afgesloten maken van de rest van de wereld’ en meer individuele taalbegeleiding voorzien.

Bij LUCA is men alvast in gesprek met het Leuvense postgraduaat voor docenten Nederlands aan anderstaligen: kunnen zij de taalcoaching in LUCA helpen diversifiëren? ‘Dat is stap één: erkennen welke expertise we niet in huis hebben’, zegt Von Winckelmann. ‘Stap twee is in gesprek gaan met onze docenten: hoe kunnen zij extra voelsprieten ontwikkelen? Zij weten intussen wel wat dyslexie is, maar bij studenten met een Genks-Turks mengtaaltje uit een cité is de reactie sneller: “Oei, heeft die zo zijn middelbaar afgemaakt?”. Dat soort weerstand kom je bij alle vormen van diversiteit tegen, ook als het gaat om gender-voornaamwoorden. Op zeker moment denk je als docent immers dat je een boekenkast hebt samengesteld waarop je jaren kunt teren, maar dan blijkt ineens dat je 80 procent moet weggooien. Dat is niet evident.’

Van den Broek ziet op het Conservatorium een gelijkaardige uitdaging. ‘Docenten voelen zich soms gesandwicht tussen het voluntaristische beleid en het ongeduld van de studenten. Velen vragen nu zelf om extra vorming, maar daar ligt nog een werkterrein. Ook bij de artistieke adviesraden is dit gesprek nu volop aan de gang.’

Voor Ratnamohan moeten vooral de filters op de instroom kleiner. ‘Zo zou ik quota durven overwegen voor toelatingsproeven, ook rond ability, en die dan zachtjes doortrekken in de opleiding zelf.’ Voorts vindt hij dat studenten meer in aanraking mogen komen met andere talen. ‘Dat kan al gewoon bij de opwarming in spelvakken, om de mondspieren los te gooien. Of zorg dat iedereen ooit één voorstelling in het Frans of een andere minder bekende taal speelt, parallel met een taalcursus. Dat zou de Nederlandstalige studenten niet alleen bewuster maken van hun privilege om opgeleid te worden in de dominante taal, ook puur artistiek kan dat heel nuttig zijn voor acteurs. Een nieuwe taal leren is een performance op zich.’

Een evidente piste is meer directe uitwisseling tussen de toneelscholen en de verbredende werkingen die ze zelf mee hebben opgestart. Zo zullen enkele spelers van TransfoCollect komend jaar voor het eerst meedoen aan het transversale atelier van het RITCS: een jaarlijks project waarin studenten Radio, Film en Drama drie weken samenwerken. ‘Een interessant experiment’, aldus Baudonck, ‘om onze horizontale manier van werken te delen met het instituut, van buiten het instituut.’

Eén zaak is in elk geval duidelijk, besluit Van den Broek. ‘Ik verwacht een verdere porositeit van talen op scène, richting meertalige producties. Dat zal sowieso nieuwe ontwikkelingen op gang brengen, waar ik naar uitkijk.’ Von Winckelmann hoopt op nog een stapje verder. ‘In het groot-Europees theater van Johan Simons of Luk Perceval hoor je wel allerlei talen door elkaar, maar verandert de vorm niet wezenlijk. Zelf ben ik nieuwsgierig naar welke nieuwe vormen meertaligheid kan creëren: hoe daagt ze het medium zelf uit?’

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 14 — 17 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!