Iemands Zus – Mira Bryssinck / Par Hasard & VIERNULVIER
De tedere schaduw van een zus
Noah Lena Vercauteren
© Senne Vanderschelden
Theatermaker Senne Vanderschelden begon in december 2024 als programmator van theater1150 in Sint-Pieters-Woluwe. Zijn ‘vernieuwende’ programmatie werd vanuit het veld toegejuicht, maar kon in de eigen zaal niet altijd op hetzelfde applaus rekenen. Welke lessen trekt hij? Wat moet de prioriteit zijn van een programmator: nieuwe publieken aanboren en makers kansen geven, of een publiek bedienen en voor volle zalen zorgen? Vanderschelden blikt terug op zijn eerste seizoen.
“Ik voel mij soms te dom om het te begrijpen.”
Die zin stond in een mail die ik kreeg in de tweede maand van mijn eerste seizoen als programmator. Geen klacht over de stoelen of de ticketprijzen, geen boze tirade, maar een oprechte twijfel. De mail kwam van een oudere abonnee die al jarenlang op maandagavond naar theater1150 komt. Ze had recensies gelezen die de voorstelling de hemel in prezen, maar voelde tijdens het kijken vooral afstand en verwarring. Ze had het gevoel iets fundamenteels te missen.
De mail bleef hangen. Misschien omdat hij iets blootlegt wat naar mijn mening zelden zo expliciet wordt uitgesproken in het theater: terwijl makers en mensen binnen het theaterveld heel bewust ruimte proberen maken voor ambiguïteit, frictie en het nog-niet-weten, ervaren veel toeschouwers verwarring als iets negatiefs, alsof ze zelf falen wanneer ze niet onmiddellijk vat krijgen op een voorstelling.
“Veel toeschouwers ervaren verwarring als iets negatiefs, alsof ze zelf falen wanneer ze niet onmiddellijk vat krijgen op een voorstelling.”
Sinds december 2024 ben ik programmator van theater1150 in Sint-Pieters-Woluwe. Een theater met een bunkerzaal zonder bereik, verstopt onder een gemeentehuis. Een plek waar toeschouwers met hun auto bijna tot in de foyer rijden en waar papieren abonnementen nog opgeplooid in portefeuilles zitten. Ik ben daarnaast theatermaker en kom uit een generatie die opgegroeid en opgeleid is met werk dat lineaire dramaturgie, herkenbare personages en klassieke verhaallijnen loslaat. Werk dat genres door elkaar gooit en soms meer vragen wil oproepen dan antwoorden geven.
Met veel enthousiasme, en met een zekere overmoed, begon ik aan deze job vanuit het idee dat je op één seizoen tijd een cultuurhuis kan openbreken. Dat je een publiek tegelijk kan uitdagen én uitbreiden door simpelweg ander werk te tonen. Dat als je zelf iets noodzakelijk of spannend vindt, een zaal daar uiteindelijk wel in mee beweegt.
theater1150 bleek minder wendbaar dan ik dacht. Gelukkig maar, weet ik nu.
Het is een plek met gewoontes en rituelen die ouder zijn dan ikzelf. Maandag is hier al meer dan veertig jaar theateravond. Dat is ooit ontstaan uit een praktische afspraak – de Franstalige kant programmeerde die dag niet – maar is ondertussen uitgegroeid tot een cultureel ankerpunt voor het Nederlandstalige publiek in deze gemeente. Mensen komen hier al decennia op dezelfde dag, met dezelfde vrienden, op exact dezelfde stoel. Theater is hier voor veel mensen geen uitzonderlijke gebeurtenis, maar een routine. Een vaste avond buitenshuis, op zoek naar ontspanning, afleiding of herkenning.
Voor covid telde theater1150 ongeveer vierhonderd abonnees, daarna bleven er nog honderdvijftig over. Een deel van het publiek haakte af: sommigen uit voorzichtigheid na de pandemie, anderen omdat de drempel van een volle zaal of een avondvoorstelling groter was geworden met de leeftijd. Anderen bleven wel komen, maar waren veel selectiever dan voordien. Tegelijk groeide vanuit de gemeente en de werking de noodzaak om te verjongen, nieuwe publieken aan te spreken en sterker aan te sluiten bij het bredere kunstenlandschap in Brussel.
Dat leek mij als jonge programmator vanzelfsprekend. Natuurlijk moest er meer risico komen. Nieuwe stemmen, andere vormen, werk dat ik zelf miste in een plek als deze, maar evenzeer binnen het Brusselse podiumlandschap.
Ik zag mijn rol als programmator aanvankelijk als die van een soort ‘smaakmaker’: iemand die vanuit een persoonlijke artistieke overtuiging een programma samenstelt en het publiek uitnodigt daarin mee te stappen. Een cultuurhuis draagt volgens mij namelijk de verantwoordelijkheid om werk te tonen dat mensen uit de gemeente niet vanzelf zouden kiezen. Werk dat standaarden durft omverwerpen en (nog) niet populair is.
“Een cultuurhuis draagt de verantwoordelijkheid om werk te tonen dat mensen uit de gemeente niet vanzelf zouden kiezen.”
En soms werkte dat ook.
Na Under the Influence (Stan Martens, Colette Goossens en Laurens Aneca) kwam een man van zesennegentig naar mij toe. Andere bezoekers hadden zich geërgerd aan de “binnensmonds mompelende actrice”, maar hij noemde het “de meest ontroerende voorstelling die ik in mijn lange publiekscarrière heb meegemaakt.”
Na Rustoord (Barbara T’Jonck, Jana De Kockere, Martha Balthazar en Mats Vandroogenbroeck) vertelde een abonnee tijdens het nagesprek uitgebreid over haar eigen ervaringen met ouderenzorg. Niet omdat ze de voorstelling volledig kon analyseren, maar omdat ze ergens een ingang had gevonden om iets van zichzelf te delen.
Ook na Family (Louis Janssens) en Swiping Right (Sophie Anna Veelenturf/BERLIN) verschoof het gesprek opvallend vaak van analyse naar persoonlijke verhalen. Mensen probeerden niet noodzakelijk de voorstelling ‘juist’ te begrijpen, maar zochten een manier om zich ertoe te verhouden.
Dat roept de vraag op wat ‘begrijpen’ hier eigenlijk betekent. Is het een code die gekraakt moet worden om toegang te krijgen tot een werk? Of ontstaat begrip pas achteraf, in de manier waarop een voorstelling blijft doorwerken, zich vermengt met herinneringen, ervaringen en gesprekken? Misschien behandelt mijn publiek begrip te vaak als iets binairs: alsof je een voorstelling ofwel ‘snapt’, ofwel niet.
Maar wat ik onderschat heb, is hoe snel vernieuwing voor een vast publiek als een groot verlies kan aanvoelen.
Het programma dat buiten de muren van theater1150 enthousiast onthaald werd door collega-programmatoren, gezelschappen of jongere toeschouwers, botste binnen diezelfde muren geregeld op weerstand. Mensen haakten tijdens het seizoen af op trage dramaturgieën, associatieve teksten of een theatertaal die verder afstond van wat ze gewoon waren.
Je hoorde en zag het letterlijk gebeuren in de zaal: onrustig geschuifel, naburig gefluister, afwijzende handgebaren, bezoekers die na afloop rechtstreeks naar buiten liepen zonder iets te zeggen.
In Fairy Tales (Tibaldus) of Imaginary Numbers (Geert Belpaeme) werden de absurde sprongen in verbeelding door een deel van het vaste publiek moeilijk opgepikt. Ook na Please don’t laugh (Tristero) kwam kritiek op de keuze om drie volwassen mannen in bananenpakken op scène te zetten, waarbij ironie en de onderliggende laag die ik wel zag, niet voor iedereen leesbaar bleken. In die gevallen leek het soms alsof de vorm de inhoud overschaduwde, of op zijn minst de toegang ertoe versperde.
Niet dat ons publiek zomaar zit te wachten op de zoveelste BV – dat cliché over cultuurcentra herken ik hier eigenlijk amper. Veel Brusselse bezoekers kennen die televisiegezichten zelfs niet echt. Waar ik vanuit hun kant wél een duidelijke honger naar voel, is naar voorstellingen die herkenbaar, genereus en toegankelijk zijn in hun vorm. Werk dat lineair mag zijn, grappig soms ook. Voorstellingen waarbij mensen niet voortdurend het gevoel hebben dat ze een code moeten kraken om zich betrokken te kunnen voelen bij wat er op scène gebeurt.
“Waar ik vanuit mijn publiek een duidelijke honger naar voel, is naar voorstellingen die herkenbaar, genereus en toegankelijk zijn in hun vorm. Werk dat lineair mag zijn, grappig soms ook. Voorstellingen waarbij mensen niet het gevoel hebben dat ze een code moeten kraken om zich betrokken te kunnen voelen bij wat er op scène gebeurt.”
Ik kan en wil niet altijd eenvoudigweg aan die verwachting tegemoetkomen. Maar tegelijk denk ik ook dat theater soms gewoon een alternatief mag zijn voor een avond series kijken. Dat daar niets minderwaardigs aan is. Samen in een zaal zitten, lachen, ontroerd worden of meegezogen worden in een verhaal is op zichzelf al waardevol. Niet elke avond hoeft een intellectuele uitputtingsslag te zijn om betekenisvol te kunnen zijn.
Wat moet een programmator dan zijn? Iemand die zijn persoonlijke smaak top-down oplegt aan een publiek? Of iemand die vooral volgt wat vertrouwd aanvoelt en goed verkoopt?
Beide modellen lopen volgens mij vast.
Wanneer je alleen programmeert vanuit persoonlijke smaak, verlies je vroeg of laat de relatie met de plek waarvoor je werkt. Als een publiek verdwijnt, verlies je ook het sociaal weefsel dat jarenlang in en rond die plekken opgebouwd werd.
Een lege zaal romantiseren is gemakkelijk zolang je zelf geen werking recht moet houden. Ik begrijp dus steeds beter waarom cultuurhuizen voorzichtiger worden. De druk op publieksaantallen neemt toe, tournees verkleinen, uitkoopsommen stijgen en steeds meer cultuurcentra kiezen voor veilige herkenbaarheid.
“Een lege zaal romantiseren is gemakkelijk zolang je zelf geen werking recht moet houden.”
Maar als publieksaantallen het enige criterium worden voor plekken zoals theater1150, verdwijnt langzaam elke ruimte voor risico of experiment. Een cultuurhuis en een programmator die enkel wil pleasen, verzaakt aan de verantwoordelijkheid om nieuwe stemmen en andere vormen van theater zichtbaar te maken. Mensen leren alleen andere vormen, verhalen of esthetieken apprecieren als ze ermee in aanraking kunnen komen, en dat heeft tijd nodig. Zonder experiment ontstaat er bovendien ook geen nieuw publiek, maar spreek je steeds dezelfde mensen aan.
Gaandeweg ben ik mijn rol als programmator dus anders beginnen bekijken. Niet zomaar als ‘smaakmaker’ of een volgzame ambtenaar die zijn publiek op haar wenken bedient, maar meer als bemiddelaar: iemand die aandacht heeft voor wat een zaal nodig heeft om nieuwsgierig te kunnen blijven. Niet iemand die frictie probeert weg te werken, maar iemand die probeert te voorkomen dat die frictie meteen omslaat in wantrouwen of afhaken.
In de praktijk betekende het dat ik actiever contact begon op te zoeken met mijn publiek. Ik ging koffie drinken, belde mensen op en discussieerde over voorstellingen die weerstand opriepen of niet werkten voor hen. Het belang van context, inleidingen, nagesprekken, zelf aan de deur staan, mensen herkennen en gesprekken voeren na afloop werd mij steeds duidelijker.
“Ik ging koffie drinken, belde mensen op en discussieerde over voorstellingen die weerstand opriepen of niet werkten voor hen. Het belang van context, inleidingen, nagesprekken, zelf aan de deur staan, mensen herkennen en gesprekken voeren na afloop werd mij steeds duidelijker.”
Ook de opbouw van een seizoen is voor mij steeds meer een vorm van bemiddeling geworden. Ik probeer bruggen te bouwen, of beter: ecoducten, duurzame verbindingen tussen voorstellingen. LAZARUS voor Bavo Buys. ZUIDPOOL na Kim Karssen. In de hoop dat iemand die voor een bekend gezelschap komt, een seizoen later ook iets totaal anders durft proberen, omdat die persoon zich welkom blijft voelen in die zaal. Dat vraagt tijd, veel meer tijd dan ik mezelf in mijn eerste seizoen gegund heb.
Die bemiddelende rol wordt vandaag steeds moeilijker vol te houden. Bemiddelen vraagt aanwezigheid, tijd, gesprekken en voldoende omkadering, terwijl net daarop steeds vaker bespaard wordt. Nochtans ligt daarin volgens mij een mogelijke oplossing voor de spreidingsproblematiek: programmatoren die nieuw werk willen tonen én voldoende ruimte krijgen om hun publiek daarin mee te nemen.
De toekomst van plekken zoals theater1150 ligt niet in het dilemma tussen toegankelijk of experimenteel theater, maar in programmatoren die willen en kunnen navigeren tussen beide. Die hun publiek kennen, risico durven nemen en tegelijk voldoende context bieden zodat mensen aansluiting blijven vinden, ook wanneer een voorstelling schuurt of niet meteen herkenbaar is.
Dat vraagt iets van programmatoren, die niet enkel moeten selecteren maar ook begeleiden. Het vraagt iets van makers, die moeten blijven zoeken naar manieren om een publiek binnen te laten zonder hun werk plat te slaan. En het vraagt iets van een publiek, dat soms bereid moet zijn ongemak of vervreemding toe te laten zonder onmiddellijk af te haken.
theater1150 blijft voor mij een bijzondere plek om dat te proberen. Het draagt het potentieel in zich om een plek te zijn waar een ancien en een twintiger samen in dezelfde foyer belanden. Waar iemand kan zeggen: “Dit is niets voor mij”, en toch terugkomt.
Op vrijdag 29 mei presenteert theater1150 haar nieuwe seizoen. Alle info vind je via kunstencultuur.woluwe1150.be.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.