Gabriel García Márquez

Leestijd 4 — 7 minuten

HOE VERTEL JE EEN MASSAMOORD?

In ‘Honderd jaar eenzaamheid’ beschrijft Gabriel García Márquez de moord op zo’n drieduizend arbeiders uit de bananenindustrie. José Arcadio Segundo is de enige overlevende. Een fragment.

‘Er zijn nu vijf minuten voorbijgegaan,’ zei de kapitein op dezelfde toon. ‘Nog één minuut en dan openen wij het vuur.’

José Arcadio Segundo baadde in het kille zweet. (…) Dronken van de spanning en van de prachtige diepte van deze stilte en tegelijkertijd overtuigd dat deze menigte, geheel in de ban van de dood, door niets of niemand in beweging kon worden gebracht, ging José Arcadio Segundo op zijn tenen staan en verhief voor het eerst van zijn leven zijn stem. ‘Schoften!’ schreeuwde hij. ‘Die ene minuut krijg je van ons cadeau!’

Na die kreet gebeurde er iets wat hem geen schrik maar een soort van hallucinatie bezorgde. De kapitein gaf bevel tot vuren en veertien machinegeweren gehoorzaamden onmiddellijk. Maar het leek allemaal niet meer dan een klucht. Het was alsof de machinegeweren geladen waren met losse flodders, want men hoorde hun gretige geknetter en men zag hun fel oplichtend vuurspuwen wel, maar niet de minste reactie, geen stemgeluid, zelfs geen zucht viel te bespeuren onder de samengepakte menigte die als versteend leek in een plotseling verkregen onkwetsbaarheid. (…)

Meerder stemmen schreeuwden tegelijkertijd: ‘Ga liggen! Ga liggen!’

De mensen van de eerste rijen hadden dat al gedaan, weggevaagd door de vlagen mitrailleurvuur. De overlevenden gingen niet op de grond liggen, maar probeerden naar het pleintje terug te keren en toen zwiepte de paniek met zijn drakenstaart en liet hen in één hechte golf opbotsen tegen de andere hechte golf die in tegenovergestelde richting kwam, in beweging gezet door het zwiepen van de drakenstaart in de tegenoverliggende zijstraat, waar de machinegeweren eveneens zonder ophouden vuurden. Zij zaten in de val en wervelden rond in een gigantische maalstroom die langzaam maar zeker afnam tot aan zijn eigen epicentrum omdat de randen – al draaiende en als bij het schillen van een ui – systematisch werden afgesneden door de onverzadigbare en methodisch werkende messen van het mitrailleurvuur. (…)

Toen José Arcadio Segundo weer wakker werd, lag hij op zijn rug in het donker. Het drong onmiddellijk tot hem door dat hij zich in een eindeloos lange, geruisloos voortsnellende trein bevond en dat zijn haar aaneengeplakt zat van opgedroogd bloed en dat al zijn botten pijn deden. Hij voelde zich ontzettend slaperig. Vast van plan om nog menig uur te slapen, draaide hij zich op de zijde die hem het minst pijn deed en toen pas bemerkte hij dat hij languit op de doden lag. In de hele wagon was geen plekje meer vrij, afgezien van een smal gangetje in het midden. Na het bloedbad moesten er een paar uur zijn voorbijgegaan, want de lijken bezaten al dezelfde temperatuur als gips in de herfst en ook dezelfde vastheid, als van versteend schuim, en degenen die ze hadden ingeladen, hadden de tijd gehad om te stuwen op dezelfde ordelijke manier waarop men trossen bananen vervoerde. In een poging aan deze nachtmerrie te ontkomen, sleepte José Arcadio Segundo zich van de ene wagon naar de andere, in de rijrichting van de trein, en in de lichtflitsen die bij het passeren van slapende dorpen door de kieren van het hout drongen, zag hij de dode mannen, de dode vrouwen, de dode kinderen, die in zee zouden worden gesmeten als afgekeurde bananen. (…) Toen hij bij de eerste wagon was, waagde hij een sprong in het duister en drukte zich languit tegen het talud totdat de hele trein voorbij was. Het was de langste die hij ooit gezien had, bestaande uit wel tweehonderd goederenwagons en met een locomotief aan beide uiteinden en nog een derde in het midden. De trein voerde geen licht, zelfs niet de rode en groene rangeerlampjes, en gleed met geruisloze nachtsnelheid weg. Op de wagons zag hij de donkere bobbels van de soldaten met hun in stelling gebrachte mitrailleurs. (…)

Aangetrokken door de geur van koffie stapte hij een keuken binnen waar een vrouw met een kindje in haar armen gebogen stond over een fornuis.

‘Goedemorgen,’zei hij, aan het eind van zijn krachten. ‘Ik ben José Arcadio Segundo Buendia.’

Hij sprak de naam volledig uit, letter voor letter, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij nog leefde. En daar deed hij goed aan, want toen de vrouw die magere, sombere gestalte in de deuropening had zien staan, hoofd en kleren onder het bloed en aangeraakt door de donkere ernst van de dood, had ze gedacht dat het een spookverschijning was. Ze herkende hem. (…)

José Arcadio Segundo sprak geen woord voordat hij de koffie had opgedronken.

‘Het moeten er drieduizend zijn geweest’, mompelde hij toen.

‘Wat?’

‘De doden,’ verklaarde hij nader. ‘Waarschijnlijk waren het alle mensen die bij het station stonden.’

De vrouw nam hem op met een medelijdende blik. ‘Hier zijn geen doden geweest,’ zei ze. ‘Al sinds de tijd van uw oom, de kolonel, is er in Macondo niets gebeurd.’ In de drie keukens waar José Arcadio Segundo zich nog ophield voordat hij zijn huis bereikte, zei iedereen hetzelfde: ‘Er zijn geen doden geweest.’

Hij liep over het stationsplein en zag er de eetkraampjes, die keurig op elkaar gestapeld stonden, maar ook daar vond hij geen spoor van het bloedbad. De straten lagen verlaten onder de onophoudelijke regen en de huizen waren dicht, zonder een teken van leven binnen hun muren. De enige menselijke noot kwam van het eerste klokkegelui voor de mis. (…)

De officiële lezing van de gebeurtenissen, duizend maal herhaald en in het gehele land ingehamerd met alle communicatiemiddelen die de regering maar ten dienste stonden, drong zich ten slotte aan iedereen op; er waren geen doden gevallen, de arbeiders waren tevreden naar hun gezinnen weergekeerd en de bananenmaatschappij schortte alle activiteiten op zolang het regende. (…) ‘Dat is vast een droom geweest,’ hielden de officieren vol. ‘In Macondo is niets gebeurd, gebeurt niets en zal ook nooit iets gebeuren. Dit is een gelukkig dorp.’ Zo wisten ze de uitroeiing van de vakbondsleiders tot een goed einde te brengen. José Arcadio Segundo was de enige die het overleefde. (…)

‘Het waren er meer dan drieduizend,’ was alles wat José Arcadio Segundo zei. ‘Nu weet ik zeker dat het alle mensen waren die bij het station stonden.’

Gabriel García Márquez, ‘Honderd jaar eenzaamheid’, vertaald door C.A.G. van den Broek, Meulenhoff Amsterdam, 4de druk, 1974, p. 314 e.v.

 

boeken
Leestijd 4 — 7 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Gabriel García Márquez

boeken